OM niet-ontvankelijk. Ongeldigverklaring rijbewijs B 'criminal charge'.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8499

De politierechter heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. De politierechter heeft daartoe overwogen dat naar aanleiding van het strafbare feit terzake waarvan verdachte thans wordt vervolgd, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het rijbewijs B van verdachte op de voet van artikel 131 Wegenverkeerswet ingaande 19 februari 2013 ongeldig heeft verklaard voor een periode van vijf jaren. Dat is gebeurd omdat verdachte niet deel kan nemen aan het alcoholslotprogramma (ASP). Verdachte is niet in het bezit van een motorrijtuig van de categorie B en hij kan voorts de kosten van het ASP niet voldoen. De beslissing van het CBR tot ongeldigverklaring van verdachtes rijbewijs B, welke beslissing inmiddels onherroepelijk is geworden, moet volgens de politierechter worden gelijkgesteld met een sanctie, opgelegd naar aanleiding van een tegen verdachte ingestelde strafvervolging. Artikel 68 Sr, waarin het ne-bis-in-idembeginsel is neergelegd en waaruit het verbod van dubbele bestraffing voortvloeit, verzet zich daarom in dit geval tegen vervolging van verdachte.

Standpunt OM

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting van 2 september 2014 heeft de advocaat-generaal betoogd dat het ne-bis-in-idembeginsel in dit geval niet van toepassing is en dat artikel 68 Sr zich niet tegen vervolging verzet, nu de eerdere beslissing van het CBR niet van strafrechtelijke aard is. Voorts is de aan verdachte opgelegde maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs waarbij het ASP is opgelegd, geen criminal charge. In de appelschriftuur is er voorts nog op gewezen dat aan de aan verdachte opgelegde maatregel het vermoeden van onvoldoende geschiktheid om een auto te besturen ten grondslag ligt en het deelnemen aan het alcoholslotprogramma de verkeersveiligheid betreft, terwijl verdachte thans wordt vervolgd voor het rijden onder invloed. Er is daarmee niet sprake van hetzelfde feit. De advocaat-generaal heeft ter zitting van 22 oktober 2014 gepersisteerd bij het standpunt van 2 september 2014.

Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft ter terechtzitting van 2 september 2014 aangevoerd dat toepassing van artikel 68 Sr, bezien in het licht van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meebrengt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard, aangezien verdachte tweemaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd. De ongeldigverklaring van het rijbewijs B van verdachte voor een periode van maximaal 5 jaren levert volgens de raadsvrouw een 'criminal charge' op. Zij heeft ter zitting van 22 oktober 2014 gepersisteerd bij haar standpunt van 2 september 2014.

Beoordeling door het hof

In zijn arrest van 15 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW1566) heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien het verweer wordt gevoerd dat artikel 50 EU-Handvest zich ertegen verzet dat een verdachte, nadat hij reeds eerder is gestraft, wordt vervolgd terzake een strafbaar feit, krachtens de artikelen 68 Sr en 50 EU-Handvest dient te worden onderzocht of er sprake is van een (nieuwe) vervolging, respectievelijk berechting en bestraffing, ter zake van een feit waaromtrent reeds onherroepelijk is beslist zoals in deze bepalingen omschreven.

In bedoeld arrest heeft de Hoge Raad aan de uit artikel 51, eerste lid, van het EU-Handvest voortvloeiende eis dat het gaat om de uitvoering van het recht van de Unie niet de gevolgtrekking verbonden dat artikel 50 van het EU-Handvest toepassing mist in de daar aan de orde zijnde casus (te weten een opgelegde disciplinaire straf gevolgd door een vervolging terzake van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel). De Hoge Raad heeft daarbij verwezen naar zijn arrest van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM1902) waarbij de Hoge Raad heeft vastgesteld dat het in artikel 50 van het EU-Handvest gegeven voorschrift blijkens een daarop gegeven toelichting “dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als het overeenkomstige recht van het EVRM”.

Het hof zal gelet hierop artikel 68 Sr interpreteren in het licht van (de rechtstreeks werkende bepaling van) artikel 50 EU-Handvest, als aangegeven in genoemde arresten van de Hoge Raad.

Het hof gaat, op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter terechtzittingen van het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 19 januari 2013 in Hilversum een personenauto heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het ademalcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, WVW 1994, 455 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van het motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken.

Ter gelegenheid van de aanhouding van verdachte terzake de verdenking van dit feit is het rijbewijs B van verdachte ingevorderd en vervolgens toegezonden aan het CBR.

Het CBR heeft bij besluit van 12 februari 2013 op de voet van artikel 132b, eerste en tweede lid, WVW 1994, het aan verdachte afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard. Voorts is verdachte bij dit besluit verplicht aan het ASP deel te nemen. Door aan het ASP mee te werken kan verdachte in het bezit komen van een rijbewijs voor de categorie B met code 103 'rijden met een alcoholslot'.

Aan het besluit ligt weliswaar ten grondslag dat het vermoeden bestaat dat verdachte, als houder van een rijbewijs, niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dit rijbewijs is afgegeven, maar dit vermoeden is uitsluitend daarop gebaseerd dat bij verdachte, op 19 januari 2013 in Hilversum, in de hoedanigheid van beginnend bestuurder een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is of hoger dan 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 130, eerste lid, WVW 1994 juncto artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Het feit waarvoor verdachte thans wordt vervolgd betreft hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 50 van het EU-Handvest.

Het besluit van het CBR strekt tot ongeldig verklaring van het rijbewijs B van verdachte ingaande 19 februari 2013. Uit artikel 97, vijfde lid, van het Reglement rijbewijzen volgt dat verdachte niet eerder dan na het verstrijken van een periode van vijf jaren in het bezit kan komen van een rijbewijs B. Verdachte kan hieraan slechts ontkomen door het volgen van het ASP. Verdachte beschikt echter niet over een auto waarin het alcoholslot kan worden ingebouwd en beschikt ook overigens over onvoldoende financiële middelen om aan het ASP te voldoen, zodat verdachte als gevolg van het besluit van het CBR geconfronteerd is met een ongeldigverklaring van het rijbewijs B voor de duur van vijf jaren. Dit besluit is onherroepelijk.

Het hof beantwoordt de vraag of deze maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte heeft te gelden als onherroepelijke beslissing in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 50 van het EU-Handvest bevestigend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft, in zijn arrest van 26 februari 2013 (zaaknr. C-617/10, Åkerberg Fransson, LJN BZ3811) op een verzoek om een prejudiciële beslissing overwogen dat het in artikel 50 van het EU-Handvest neergelegde ne bis in idem beginsel niet eraan in de weg staat dat een lidstaat voor dezelfde feiten een combinatie van (in dat geval) fiscale (bestuurlijke) en strafrechtelijke sancties oplegt. Slechts wanneer de fiscale sanctie een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 50 EU-Handvest en definitief is geworden, staat deze bepaling eraan in de weg dat voor dezelfde feiten strafvervolging wordt ingesteld tegen dezelfde persoon. Vervolgens wordt eraan herinnerd dat drie criteria relevant zijn om te beoordelen of fiscale sancties strafrechtelijke sancties zijn. Het eerste criterium is de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, het tweede de aard van de inbreuk en het derde de aard en de zwaarte van de maatregel die aan de betrokkene kan worden opgelegd. Het hof van justitie van de Europese Unie verwijst in dit verband naar (punt 37 van) het arrest van 5 juni 2012, Bonda, C-489/10.

In laatstbedoeld arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, voor zover hier van belang, in punt 37, met betrekking tot het criterium van de aard en de zwaarte van de sanctie verwezen naar arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder andere het arrest Engel en anderen tegen Nederland. In dat arrest heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens criteria geformuleerd die van belang zijn om te beoordelen of een sanctie als gebaseerd op een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet worden beschouwd.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het arrest van 13 december 2005, nr. 73661/01 (Nilsson) de schorsing van de geldigheid van een rijbewijs voor de duur van achttien maanden een maatregel gebaseerd op een 'criminal charge' in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Zevende protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geoordeeld, reeds om reden van de zwaarte van die maatregel. Aan het begrip 'criminal charge' in deze bepaling komt dezelfde betekenis toe als aan dat begrip in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Gezien het voorgaande moet de hier aan verdachte opgelegde maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs B, gelet op de zwaarte daarvan, worden beschouwd als te zijn gebaseerd op een 'criminal charge', en daarmee als eerdere onherroepelijke strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 50 van het EU-Handvest. Artikel 68 Sr, in het licht van artikel 50 van het EU-Handvest, verzet zich derhalve tegen vervolging van verdachte voor het feit dat hem is ten laste gelegd. De politierechter heeft derhalve de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Grootschalige oplichting, verduistering, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen, gepleegd door verzekeringstussenpersoon

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4423

Verdachte, een tussenpersoon in de assurantiebranche, is in eerste aanleg veroordeeld wegens:

  • feit 1 en feit 2: oplichting, meermalen gepleegd,
  • feit 3: verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd,
  • feit 4: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en
  • feit 5: gewoontewitwassen

tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzetting van het recht een beroep in de financiële dienstverlening uit te oefenen voor de duur van 5 jaar.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Ook het hof komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 5.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 en 2: Oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van een beroep in de financiële dienstverlening voor de duur van 5 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk: Verdachte telkens niet opgeroepen op adres. Hof leidt daaruit af dat OM geen belang hecht aan vervolging.

Gerechtshof Amsterdam 29 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4109

Het hof constateert dat het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld in 2006, waarop de politierechter op 30 oktober 2009 vonnis heeft gewezen. De verdachte heeft op 22 september 2010 hoger beroep ingesteld. Inmiddels heeft de zaak drie maal gediend bij dit hof en is de dagvaarding in hoger beroep twee maal nietig verklaard en is de zaak één keer aangehouden omdat het Openbaar Ministerie de verdachte iedere keer niet had opgeroepen op het bekende adres van de verdachte in Ghana. Voor de zitting van 23 september 2014 is de verdachte wederom niet opgeroepen op het betreffende adres in Ghana. Het hof leidt daaruit af dat het Openbaar Ministerie geen belang meer hecht aan de vervolging van verdachte.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontnemingsvordering: rekening houden met betaalde loon- & kansspelbelasting?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8037

Kosten

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door veroordeelde betaalde loon- en kansspelbelasting geen uitgaven zijn die in directe relatie staan tot het voltooien van het bewezenverklaarde handelen van veroordeelde. Deze belastingen zijn immers verplichtingen die eerst ontstaan bij het uitkeren van de prijzen en het uitbetalen van het loon. Het strafbare feit is dan reeds voltooid.

Volgens een brief van de belastingdienst aan veroordeelde van 7 februari 2013 dient hij een bedrag van € 329.143,- te betalen. Dit bedrag vloeit voort uit de vaststellingsovereenkomst die is gesloten tussen veroordeelde en de belastingdienst. Veroordeelde heeft gesteld (en deels onderbouwd) dat hij dit bedrag aan de belastingdienst heeft betaald. Dit is verder niet weersproken, zodat het hof er van uitgaat dat veroordeelde dit bedrag inderdaad heeft betaald.

Het hof is van oordeel dat de (alsnog) betaalde bedragen aan loonheffing en kansspelbelasting uitgaven zijn die in directe relatie staan tot de door de rechtbank Utrecht in haar vonnis van 23 mei 2011 bewezenverklaarde feit(en) dan wel andere strafbare feiten waarop de ontnemingsvordering betrekking heeft. De bedoelde bedragen kunnen dus worden aangemerkt als kosten.

HR 17 februari 1998, NJ 1998, 499

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat gelet op het arrest HR 17 februari 1998, NJ 1998, 499, bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening mag worden gehouden met de belastingheffing.

Aanleiding voor het arrest van de Hoge Raad was een cassatiemiddel waarin naar voren was gebracht dat het arrest van het hof ontoereikend was gemotiveerd, omdat het hof niet de te verwachten inkomstenbelasting, die verzoeker over het geschatte voordeel zou moeten voldoen, in mindering had gebracht.

Bij de beoordeling van dat middel, citeerde de Hoge Raad uit de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat bij de Wet van 10 december 1992 leidde tot wijziging van artikel 36e Sr:

‘Zeer uitzonderlijke situaties buiten beschouwing latend, is derhalve door een Nederlandse contribuabele in eerste aanleg belasting verschuldigd over door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor zover dat voordeel hem echter weer wordt ontnomen, wordt de belastingheffing ook weer ongedaan gemaakt. (….) Dit mechanisme brengt met zich mee dat de strafrechter bij de bepaling van het voor de ontneming in aanmerking te brengen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing.’

Het cassatiemiddel waarop de Hoge Raad reageerde, zag op de inkomstenbelasting (die verschuldigd zou zijn over het wederrechtelijk verkregen voordeel). Uit het arrest van de Hoge Raad volgt naar het oordeel van het hof niet dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de onderhavige zaak geen rekening mag worden gehouden met betaalde loonbelasting en kansspelbelasting. In deze zaak is er voor de door de veroordeelde verschuldigde loonbelasting (berekend over het betaalde loon aan zijn medewerkers) en kansspelbelasting (berekend over het aan derden uitgekeerde prijzengeld) geen werking van vorenbedoeld correctiemechanisme. De ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal niet alsnog een wijziging brengen in de heffingsgrondslag van deze belastingen. Dat de verschuldigdheid van de tussen de belastingdienst en de veroordeelde vastgestelde loonbelasting en kansspelbelasting niet zal wijzigen door een op te leggen ontnemingsmaatregel, is blijkens de tekst van de vaststellingsovereenkomst ook expliciet door de belastingdienst met de veroordeelde afgesproken.

Dubbele verrekening

De advocaat-generaal heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat de door veroordeelde verschuldigde loonbelasting en kansspelbelasting reeds in negatieve zin door de fiscus en de veroordeelde zijn verwerkt in de vaststelling van het belastbare inkomen van de veroordeelde uit zijn illegale lotto-activiteiten. Deze bedragen zijn derhalve al door de belastingdienst in mindering gebracht bij de bepaling van het belastbare inkomen van veroordeelde. Door thans, bij het vaststellen van de ontnemingsmaatregel, de loonbelasting en kansspelbelasting opnieuw af te trekken, worden die bedragen dubbel verrekend ten voordele van veroordeelde.

Weliswaar is gebleken dat door de fiscus op deze belastingen reeds acht is geslagen bij de berekening van het belastbare inkomen van veroordeelde, maar dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat deze belastingen ook als kosten in mindering dienen te worden gebracht bij de berekening van het bedrag van de aan veroordeelde op te leggen ontnemingsmaatregel.

Door het hof wordt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening gehouden met de eventueel door de veroordeelde verschuldigde inkomstenbelasting over zijn inkomen. Ten aanzien van deze belasting werkt vorenbedoeld correctiemechanisme immers wel.

De stelling van de advocaat-generaal dat in de vaststellingsovereenkomst, bij de berekening van de resultaten van de illegale lotto, rekening is gehouden met de later op te leggen ontnemingsmaatregel en dus de verrekening van de ontnemingsmaatregel feitelijk al heeft plaatsgevonden, wordt betwist door de verdediging. Het hof leest in de vaststellingsovereenkomst en de bijlagen niet dat bij de berekening van de door de veroordeelde verschuldigde loonbelasting (berekend over het betaalde loon aan zijn medewerkers) en kansspelbelasting (berekend over het aan derden uitgekeerde prijzengeld) reeds rekening is gehouden met de later op te leggen ontnemingsmaatregel, zodat het hof de andersluidende stelling van de advocaat-generaal verwerpt.

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdenking belasting- & faillissementsfraude

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4381

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van:

  1. opzettelijk onjuist belastingaangifte doen (feit 1)
  2. bedrieglijke bankbreuk (feit 3)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte is bij dit vonnis vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Zowel verdachte en als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 6 maart 2013 heeft de officier van justitie het tegen feit 2 ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Vrijspraak feit 1 (opzettelijk onjuist belastingaangifte doen)

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde opzettelijk onjuist doen van zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Verdachte is vanaf 17 december 1993 tot 9 oktober 2001 eigenaar geweest van 50% van de aandelen in de vennootschap N.V. A Medio jaren negentig is N.V. A gefailleerd en is – na homologatie van een akkoord met schuldeisers – door N.V. A jarenlang geprocedeerd over een vordering van N.V. A op Vereniging B, welke vordering door Vereniging B werd betwist. Uiteindelijk heeft deze procedure geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van januari 2001 waarbij is overeengekomen betaling van een bedrag van fl. 825.000 door Vereniging B aan N.V. A ter algehele en finale kwijting van zowel N.V. A, als verdachte en de echtgenote van verdachte. Na verrekening van kosten is begin februari 2001 op bankrekeningnummer XXX ten name van N.V. A een bedrag gestort van fl. 760.000, waarna dit bedrag op 9 februari 2001 is gestort op bankrekeningnummer ZZZ ten name van verdachte en de echtgenote van verdachte.

Aan verdachte wordt thans verweten dat hij in de aangifte inkomstenbelasting over 2001 opzettelijk het door hem in dat jaar genoten gedeelte van genoemd bedrag van fl. 760.000 niet heeft aangegeven als zijnde inkomsten uit aanmerkelijk belang. Verdachte heeft met betrekking tot dit verwijt ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Ik heb de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 ondertekend. De boekhouder heeft deze aangifte ingevuld. Ik heb dat niet zelf gedaan. Ik ben alleen langs gekomen om mijn handtekening te zetten. Ik was niet in detail op de hoogte van wat er in die aangifte was opgenomen. Abusievelijk is in die aangifte niet aangekruist dat er sprake was van een buitenlands aanmerkelijk belang. (…) De aangifte is daarna door Hertogs ingediend. De gegevens in deze aangifte weken niet af van de gegevens zoals die in al de jaren daarvoor sinds 1999 waren opgegeven. Er was niets veranderd. In al die jaren is evenmin opgave gedaan van het aanmerkelijk belang. (…) Het jaar 2001 was ook het eerste jaar dat het nieuwe boxensysteem was ingevoerd. (…)

Mijn echtgenote en ik zijn sinds 1993 in het bezit van de aandelen in N.V. A Ik beschik over 50% van de aandelen. Medio jaren negentig is deze N.V. in een faillissement geraakt. Deze N.V. was op dat moment in een gerechtelijke procedure verwikkeld met Vereniging B. Na dat faillissement kon ik toen na homologatie de vordering van N.V. A op Vereniging B realiseren. Ik was toen weer heer en meester van de vordering. Ik heb daarna zelfstandig de procedure tegen Vereniging B doorgezet. Tijdens de hierop volgende jarenlange procedure hebben wij veel kosten gemaakt, ongeveer € 200.000 tot € 300.000, waaronder onder meer advieskosten. De kosten voor het overnemen van deze vordering uit het faillissement bedroegen ongeveer fl. 90.000. Jarenlang is in verband met deze vordering door ons geld betaald, omdat in N.V. A geen geldmiddelen zaten. Uiteindelijk heb ik de procedure gewonnen, waarna wij een bedrag van fl. 760.000 hebben ontvangen. Ik zag dat bedrag als terugbetaling van al onze investeringen in N.V. A (…)

Ik heb in de aangiften vermogensbelasting ook opgegeven dat er sprake was van een vordering van ongeveer fl. 800.000 à fl. 900.000. Die vordering was verder niet uitgesplitst. Daar werd in al die jaren ook niet om gevraagd door de fiscus. In de aangiften over de aan 2001 voorafgaande jaren is vanaf 1999 de vordering tegen dit bedrag ook telkens in de aangifte vermogensbelasting opgenomen. (…)

Ik had ten tijde van de aangifte veel informatie niet meer voorhanden. De hierop betrekking hebbende geldleningsovereenkomst tussen mij en N.V. A is verloren gaan. Ik heb mijn adviseur destijds niet veel informatie kunnen verstrekken. Ik beschik nu wel weer over stukken die de door mij gedane investeringen onderbouwen. Die stukken heb ik van de FIOD. Het bewijs van homologatie is nu boven water. (…)

We leefden in de veronderstelling dat met de ontvangst van het bedrag van fl. 760.000 het door ons geïnvesteerde geld terug werd betaald.”

Het hof constateert dat verdachte – zowel gedurende de gehele belastingprocedure, die is uitgemond in de uitspraak van de belastingkamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 november 2010, 09/00655, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7293, als tijdens onderhavige strafprocedure – heeft gepersisteerd bij de stelling dat het door hem en de echtgenote van verdachte, op 9 februari 2001 ontvangen bedrag van fl. 760.000 de terugbetaling betrof van een vordering van hem en zijn echtgenote op N.V. A tot minstens dit bedrag. Blijkens onder meer verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep is hij van mening dat hij en zijn echtgenote een vordering hadden op N.V. A Deze vordering is volgens verdachte ontstaan doordat hij en zijn vrouw de kosten van de overname van de vordering op Vereniging B uit het faillissement van N.V. A, alsmede de zeer kostbare jarenlange civiele procedure die N.V. A heeft moeten voeren om de vordering van N.V. A op Vereniging B tot uitbetaling te zien komen, hebben moeten financieren.

Onder deze omstandigheden acht het hof aannemelijk, dat verdachte (en zijn echtgenote) een vordering hadden op N.V. A uit hoofde van de financiering door hen van N.V. A voor de procedure tegen Vereniging B. Hierbij wordt – ten overvloede – overwogen, dat ook de belastingkamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder 4.23 in bovenvermelde uitspraak reeds heeft geoordeeld in die zin. Het hof is dan ook van oordeel, dat verdachte op het moment van indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 redelijkerwijs mocht menen dat de wijze waarop hij deze aangifte deed, toelaatbaar was, nu hij het van N.V. A. ontvangen geldbedrag van fl. 760.000 beschouwde als een terugbetaling van eerder door hem en zijn echtgenote aan de vennootschap geleend geld (Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, rov. 7.3).

De omstandigheid dat over de precieze omvang van de vordering van verdachte (en zijn echtgenote) op N.V. A wellicht discussie mogelijk was en het feit dat verdachte in de door hem met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 gevoerde belastingprocedure er niet in is geslaagd het volledige bedrag van de door hem voorgestane hoogte van de vordering op N.V. A aannemelijk te maken, doet aan het oordeel dat verdachte de aangifte heeft mogen invullen zoals hij heeft gedaan niet af.

Voorts overweegt het hof als volgt. Het feit, dat verdachte op het voorblad niet heeft aangekruist dat aangifteblad 4 zou moeten worden meegezonden strekt op zich niet ertoe dat te weinig belasting werd geheven. Immers, het feit dat verdachte wel een aanmerkelijk belang had in N.V. A brengt niet met zich dat hij inkomsten uit aanmerkelijk belang had genoten. Bovendien hecht het hof geloof aan de verklaring van verdachte dat hij zijn aandelenbezit sinds 1999 nimmer in zijn aangiften heeft vermeld en dat dat de reden is dat zijn aanmerkelijk belang abusievelijk evenmin in de aangifte over 2001 is vermeld. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat niet bewezen is dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet op het voorblad niet heeft aangekruist dat aangifteblad 4 moest worden meegezonden.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat verdachte niet kan worden verweten dat hij de in de tenlastelegging genoemde aangifte opzettelijk onjuist zou hebben gedaan, ook niet in voorwaardelijke zin. Evenmin acht het hof, gelet op het vorenoverwogene, bewezen dat de aangifte ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Mitsdien moet verdachte van het ten laste gelegde onder 1 worden vrijgesproken.

Feit 3 (bedrieglijke bankbreuk)

Vrijspraak feit 3 eerste gedachtestreepje

Met betrekking tot het ten laste gelegde onder 3, in het bijzonder de onder het eerste gedachtestreepje bedoelde vordering op BV X en BV Y van in totaal € 217.500, constateert het hof dat het dossier een drietal ‘overeenkomsten van geldlening’ aan bedoelde vennootschappen bevat. Slechts één van deze drie overeenkomsten, waarin alleen de echtgenote van verdachte als schuldeiser is vermeld, is daadwerkelijk bekrachtigd met een handtekening van de van die overeenkomst deel uitmakende partijen. In de twee overige overeenkomsten – verder niet voorzien van enige handtekening – wordt verdachte (onder meer) als schuldeiser genoemd.

Verdachte heeft dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat weliswaar in een e-mailbericht d.d. 5 december 2006 melding wordt gemaakt van het opstellen van een geldlening ten bedrage van € 217.500 op naam van verdachte en een concept van die overeenkomst in de bijlage van dat bericht aan hem is toegezonden, doch hij nimmer met de voorwaarden van deze lening aan BV X en BV Y akkoord is gegaan en derhalve ook nooit sprake is geweest van een vordering van verdachte op deze vennootschappen tot een bedrag € 217.500. Aldus verdachtes verklaring in hoger beroep betrof het hier een geldlening van NV S en niet van verdachte aan bedoelde vennootschappen. Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat uit een rechtshulpverzoek is gebleken dat op 2 juni 2006 van de Dexiabankrekening van NV S en/of NV T een bedrag van € 200.000 is overgemaakt naar de bankrekening van BV Y.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van zodanige twijfel over het daadwerkelijk bestaan van een geldvordering op bedoelde vennootschappen op naam van verdachte tot een bedrag zoals ten laste gelegd, dat het hof het bestaan van een zodanige vordering niet bewezen acht. Mitsdien dient verdachte van hetgeen hem in dit verband onder 3 is tenlastegelegd te worden vrijgesproken.

Onderdeel A.

Verdachte is op 19 september 2006 in staat van faillissement verklaard. Op 17 oktober 2007 heeft mr. H in de hoedanigheid van curator in het faillissement van verdachte aangifte gedaan bij de FIOD/ECD ter zake van onder meer bedrieglijke bankbreuk door verdachte. In bedoelde aangifte maakte de curator melding van de volgende zaken, te weten:

  • verdachte heeft in strijd met de waarheid van het begin af aan stellig beweerd over geen enkel actief te beschikken;
  • verdachte blijkt voor 50% eigenaar te zijn van een woning in Kaprun die hij kort voor het faillissement samen met zijn echtgenote heeft gekocht voor € 900.000. De aankoopprijs is voldaan door betaling van € 280.000 terwijl voor € 620.000 een bestaande hypotheek is overgenomen.
  • Voorts heeft verdachte voor en na het faillissement bij voortduring gebruik gemaakt van een rekening bij de Raiffeisenbank in Kaprun. Van deze rekening zijn met name € 250.000 op een Nederlandse rekening van de echtgenote van verdachte betaald, alsmede € 250.000 op naam van betrokkene 1, de partner van de zoon van verdachte;
  • (…)
  • verdachte heeft het bestaan van een overeenkomst verzwegen op basis waarvan zijn echtgenote aan hem € 235.000 verschuldigd is, zij het dat deze vordering eerst opeisbaar is op het moment dat verdachte 65 jaar wordt.

Blijkens een concept crediteurenlijst d.d. 30 maart 2007 afkomstig van curator mr. H bedroeg het totaal van de vorderingen in het faillissement van verdachte € 5.085.367,68.

Bij brief d.d. 9 mei 2007 heeft de curator mr. H melding gemaakt van het feit dat verdachte zich in het eerste gesprek met de curator van 21 september 2006 heeft laten ontvallen dat niemand zijn vermogen dan wel zijn vermogensbestanddelen zou kunnen achterhalen. Blijkens de inhoud van een op dit gesprek volgende aan verdachte gerichte brief d.d. 28 september 2006 heeft de curator verdachte erop gewezen dat hij omtrent de activa en passiva van zijn privé-vermogen volledige openheid van zaken dient te geven en heeft de curator verdachte alsnog in de gelegenheid gesteld om aan de curator zijn bezittingen op gedetailleerde wijze kenbaar te maken.

Verdachte heeft bij brief d.d. 19 oktober 2006 aan de curator kenbaar gemaakt als bezitting niets meer op zijn naam te hebben staan.

Met betrekking tot de in de aangifte d.d. 17 oktober 2007 genoemde rekening bij de Raiffeisenbank wijst curator mr. H in genoemde brief d.d. 9 mei 2007 er onder meer op – voor zover hier van belang – dat deze rekening op naam van verdachte staat en op deze rekening op 19 oktober 2006 een bedrag van € 500.000 is bijgeschreven, hetgeen wordt bevestigd door een van het dossier deel uitmakend rekeningoverzicht van genoemde rekening bij de Raiffeisenbank lopend van 8 september 2006 tot 12 maart 2007, waarin de naam van de echtgenote van verdachte niet als mederekeninghouder wordt genoemd en melding wordt gemaakt van het bijschrijven van genoemd bedrag op 19 oktober 2006.

In het uittreksel uit het Kadaster van Kaprun (Oostenrijk) d.d. 7 februari 2007 worden verdachte en de echtgenote van verdachte vermeld als zijnde de eigenaren van het onroerend goed aan de adres in Kaprun. Genoemd pand is blijkens de door zowel verdachte als de echtgenote van verdachte ondertekende koopovereenkomst d.d. 8 september 2006 gekocht voor een bedrag van € 900.000. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 september 2014 erkend mede-eigenaar te zijn van genoemde woning.

Bij overeenkomst “Akte schuldigerkenning, tevens akte van cessie, alsmede verplichting tot medewerking aan zekerheidstelling” d.d. 29 april 2005, met als ondergetekenden

BV B, verdachte en de echtgenote van verdachte, is vastgesteld dat verdachte en de echtgenote van verdachte op B.R. Bedding B.V. een vordering hebben van in totaal € 469.700. Blijkens de inhoud van deze overeenkomst hebben verdachte en de echtgenote van verdachte voorts overeenstemming bereikt over de verkoop door verdachte aan de echtgenote van verdachte van verdachtes deel in deze in onverdeelde eigendom aan beiden toebehorende vordering op BV B ad € 469.700, waarbij de echtgenote van verdachte de koopsom van dit gedeelte van de vordering, te weten € 235.000, schuldig blijft aan verdachte tot de eerste werkdag van de maand waarin verdachte de 65-jarige leeftijd bereikt. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 september 2014 het bestaan van deze vordering op zijn echtgenote de echtgenote van verdachte niet ontkend.

Onderdeel B.

Ten aanzien van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de rekening bij de Raiffeisenbank in Kaprun overweegt het hof dat dit verweer feitelijke grondslag ontbeert en mitsdien reeds om deze reden wordt verworpen.

Ten aanzien van verdachtes aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk dit aandeel niet aan de boedel heeft verantwoord c.q. aan de boedel heeft onttrokken en verdachte mitsdien van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Dienaangaande is door de verdediging aangevoerd dat verdachte zich niet ervan bewust is geweest dat het op zijn weg lag om de curator van dit aandeel in het eigendomsrecht op de hoogte te stellen, nu deze woning in zijn geheel was gefinancierd door de echtgenote van verdachte en verdachte om die reden meende dat zij zich bij voorrang op deze woning zou kunnen en mogen verhalen en deze woning aldus niet in de boedel terecht zou komen.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte, na op 28 september 2006 door de curator uitdrukkelijk te zijn gewezen op het geven van volledige openheid van zaken omtrent zijn privé-vermogen, per brief van 19 oktober 2006 aan de curator heeft kenbaar gemaakt geen enkele bezitting op zijn naam te hebben staan. Ondanks het feit dat de koopovereenkomst van de woning in Kaprun nog nauwelijks een maand eerder was gesloten heeft verdachte toch geen aanleiding gezien om van zijn aandeel in het eigendomsrecht van deze woning melding te maken bij de curator.

Het hof wijst in dit verband er voorts op dat de schulden in het faillissement zeer omvangrijk waren, volgens opgaaf van de curator meer dan € 5.000.000.

In de gegeven omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verdachte gelegen om van dit aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun melding te maken bij de curator en te verifiëren of de reden waarom hij van mening was dat dit aandeel niet aan de boedel toebehoorde juridisch juist was.

Nu verdachte, ondanks de op hem rustende verplichting om een volledig inzicht te geven in zijn privévermogen, bewust ervoor heeft gekozen de curator niet in te lichten over zijn eigendomsrecht in de woning in Kaprun en verdachte voorts ook geen navraag heeft gedaan of de door hem gestelde beweegredenen om zulks niet te doen juist waren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat door het niet opgeven van zijn aandeel in het eigendomsrecht van de woning in Kaprun ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, baten niet werden verantwoord en/of goederen aan de boedel werden onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van de vordering van verdachte op de echtgenote van verdachte ten bedrage van € 235.000 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vordering kort vóór het faillissement is verrekend met een vordering van de echtgenote van verdachte en derhalve – zo begrijpt het hof – niet (meer) tot de boedel behoorde.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte eerst in hoger beroep, zonder nadere onderbouwing, heeft verklaard dat onderhavige vordering op de echtgenote van verdachte zou zijn verrekend met een vordering van de echtgenote van verdachte op verdachte. Die verrekening zou bovendien – aldus de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – ruimschoots vóór aanvang van het faillissement hebben plaatsgevonden.

Genoemde omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof niet aannemelijk dat sprake zou zijn geweest van een verrekening van vorderingen zoals door de verdediging bepleit.

Voor wat betreft het door de verdediging in verband met onderhavige vordering gevoerde opzetverweer overweegt het hof dat verdachte hoewel hij door de curator uitdrukkelijk is gewezen op het geven van volledige openheid van zaken omtrent zijn privévermogen, verdachte desondanks per brief van 19 oktober 2006 aan de curator heeft kenbaar gemaakt geen enkele bezitting op zijn naam te hebben staan.

Het hof wijst in dit verband er voorts op dat de schulden in het faillissement zeer omvangrijk waren, volgens opgaaf van de curator meer dan € 5.000.000.

In de gegeven omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verdachte gelegen van onderhavige vordering melding te maken bij de curator en te verifiëren of aan deze ten tijde van het faillissement nog niet opeisbare doch verder in de toekomst wél opeisbare vordering, enige betekenis respectievelijk waarde toekwam.

Nu verdachte, ondanks de op hem rustende verplichting om een volledig inzicht te geven in zijn privévermogen, bewust ervoor heeft gekozen bij de curator van bedoelde omvangrijke vordering op de echtgenote van verdachte geen melding te maken en verdachte voorts ook geen navraag heeft gedaan of door hem gestelde beweegredenen om deze vordering niet te verantwoorden juist waren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat hierdoor ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers baten niet werden verantwoord en/of goederen aan de boedel werden onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Feit 3: Bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^