Vrijspraak witwassen nu gebleken is dat het geldbedrag afkomstig is uit het vermogen van Flextime B.V. hetgeen niet als 'besmet' is aan te merken

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2268

Feit 1

Aan verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 30.000,-.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal heeft hiertoe aangevoerd dat op grond van de in het dossier aanwezige tapgesprekken, de processen-verbaal van observatie en de verklaring die medeverdachte [medeverdachte2] als getuige ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd, kan worden bewezen dat verdachte op 18 oktober een geldbedrag van € 30.000,- voorhanden heeft gehad. De advocaat-generaal heeft op grond van de volgende omstandigheden betoogd dat kan worden bewezen dat Yetim wist dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was, te weten:

  • de omstandigheid dat het geldbedrag uit coupures van € 500,- bestond;
  • het contant betalen van een vordering/rekening van een dergelijk groot geldbedrag in het dagelijkse leven niet of nauwelijks voorkomt;
  • de omstandigheid dat de afspraken die omtrent de overdracht van het geldbedrag in versluierd taalgebruik plaatsvonden en
  • de omstandigheid dat uit het strafdossier naar voren komt dat verdachte contacten had met personen uit het criminele circuit.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat het geldbedrag van € 30.000,- van enig misdrijf afkomstig is. Voor zover het hof van oordeel is dat het bedrag van misdrijf afkomstig is, kan naar de mening van de verdediging niet gesteld worden dat verdachte wist dan wel moest weten dat het geld dat hij verworven zou hebben van misdrijf afkomstig was, nu verdachte niets van doen had met de vermeende praktijken van [medeverdachte3]

Oordeel hof

Wettelijk kader artikel 420bis Sr

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen stelt het hof voorop dat geen direct bewijs vereist is ten aanzien van het delictsbestanddeel 'uit enig misdrijf afkomstig'. Uit HR 13 juli 2010 (LJN BM2471) volgt dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, dit delictsbestanddeel niettemin bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Bovendien is niet vereist dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is: ook een voorwerp dat gedeeltelijk is gefinancierd met crimineel geld en voor het overige met legaal geld is van misdrijf afkomstig (zogenoemde 'vermenging').

Uitganspunt is ingevolge recente jurisprudentie van de Hoge Raad dat het enkele voorhanden hebben door verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en die gedraging derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Alsdan geldt dat, waar het het 'voorhanden' hebben van een goed betreft, een vervolghandeling moet hebben plaatsgevonden, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Vaststelling feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op 19 september 2010 is een onderzoek onder de naam “Boerdijk” gestart. Het betrof een onderzoek naar (onder meer) het uitzendbureau [medeverdachte3] (hierna: [medeverdachte3]) te Deventer en haar bestuurders inzake verdenking van (onder meer) mensenhandel, valsheid in geschrifte en witwassen. Tijdens dat onderzoek werden de telefoons van de bestuurders van [medeverdachte3], te weten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] getapt en is er een observatieteam ingezet, omdat het vermoeden rees dat er op 18 oktober 2010 een contante geldtransactie zou plaatsvinden tussen [medeverdachte2] en verdachte.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - door de verdediging niet betwist wordt dat verdachte op 18 oktober 2010 een bedrag van € 30.000,- voorhanden heeft gehad. Het hof stelt mede op grond van de verklaringen die de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] als getuige in de zaak van verdachte hebben afgelegd, de waarnemingen van het observatieteam, het rekeningafschrift waaruit volgt dat [medeverdachte3] op 12 oktober 2010 voor € 30.000,- aan eurobiljetten heeft besteld bij de bank en een aantal tapgesprekken in de periode voorafgaande en kort na 18 oktober 2010, vast dat voornoemd bedrag van [medeverdachte3] afkomstig was en op 18 oktober 2010 door [medeverdachte2] via een medewerker van [medeverdachte3] aan verdachte is overgedragen en dat verdachte dit bedrag voorhanden heeft gehad.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of dit bedrag van misdrijf afkomstig is.

Juridische beoordeling

Om de vraag naar de aard van de herkomst van het vermogen van [medeverdachte3] te kunnen beantwoorden is als eerste van belang vast te stellen dat het hof de medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] van arbeidsuitbuiting heeft vrijgesproken. Alleen verdachte [medeverdachte1] heeft zich aan seksuele uitbuiting schuldig gemaakt, gericht op eigen seksueel genot.

Het hof heeft [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] voorts vrijgesproken van gewoontewitwassen en van deelname aan een criminele organisatie.

Het hof heeft in voornoemde strafzaken voorts overwogen dat medeverdachte [medeverdachte2] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, welke valsheid in geschrifte er in bestond dat [medeverdachte2] gedurende een lange periode de kas van [medeverdachte3] achteraf kloppend maakte door kwitanties en overeenkomsten te voorzien van een valse handtekening en deze valse documenten vervolgens op te nemen in de administratie van [medeverdachte3]. Het hof heeft geoordeeld dat het opzet op het gebruik van die valselijk opgemaakte geschriften aan [medeverdachte3] kan worden toegerekend en dat medeverdachte [medeverdachte1] aan het gebruik maken van deze valse documenten mede feitelijk leiding heeft gegeven. Het hof heeft medeverdachten [medeverdachte5] en [medeverdachte6] van iedere betrokkenheid hierbij vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat met de gepleegde valsheid in geschrifte enig op geld waardeerbaar voordeel is behaald, zodat de op deze wijze geboekte bedragen niet vanwege de valsheid in geschrifte als van criminele herkomst kunnen worden aangemerkt en het vermogen van [medeverdachte3] ook niet op die manier als "besmet" aangemerkt kan worden.

Het hof stelt aldus vast dat de gelden waar [medeverdachte3] over kon beschikken in het kader van de bedrijfsvoering als van legale herkomst zijn aan te merken. Nu derhalve op generlei wijze is komen vast te staan dat het vermogen van [medeverdachte3], waar voornoemd geldbedrag van € 30.000,- uit afkomstig is, besmet is en dit specifieke bedrag bovendien, zoals door getuige [getuige6] verklaard, door [bedrijf] als voorschot op de rekening van [medeverdachte3] is overgemaakt, kan niet worden bewezen dat het geldbedrag dat door een medewerker van [medeverdachte3] in opdracht van een bestuurder aan verdachte is overgedragen van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof spreekt verdachte mitsdien vrij van het hem onder 1 primair tenlastegelegde.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het geldbedrag van € 30.000,-, waarop het tenlastegelegde op ziet, voorhanden heeft gehad, dan wel heeft verworven, overgedragen of omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt dat uit enig misdrijf afkomstig is, spreekt het hof hem ook vrij van het subsidiair ten laste gelegde.

Feit 2

Aan verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 106.775,-.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen onder 2 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal heeft daartoe onder meer aangevoerd dat dit afgeleid kan worden uit de coupures waarin het bedrag is aangetroffen en dit een omstandigheid betreft die schreeuwt om uitleg (Murray), welke uitleg verdachte niet heeft gegeven. De advocaat-generaal acht geenszins aannemelijk geworden dat verdachte een geldbedrag van € 100.000,- heeft geleend van zijn schoenmoeder [getuige10], nu hier nader onderzoek naar is verricht en daaruit naar voren is gekomen dat zijn schoonmoeder niet over een dergelijk bedrag kan of heeft kunnen beschikken.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 2 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van [getuige10] en de onderliggende stukken, te weten de uittreksels van het handelsregister, voldoende aannemelijk maken dat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is maar een legale herkomst heeft. Voor zover het hof van oordeel is dat zulks niet het geval is, doet de verdediging nogmaals uitdrukkelijk het verzoek om de getuigen [getuige10], [getuige11], [getuige12] en [getuige13] te horen teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de gestelde legale herkomst van dit geldbedrag.

Oordeel hof

Vaststelling feiten en omstandigheden

Op 20 december 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte. Uit het proces-verbaal d.d. 21 december 2010 volgt - voor zover hier van belang - dat in een dressoir in de woonkamer, in de broekzak van verdachte en in/op een computermeubel een contant geldbedrag van in totaal € 106.775,- is aangetroffen, dat grotendeels bestond uit coupures van € 500,-.

Op zolder is voorts een tas en een zwarte weekendtas gevonden met daarin gripzakken gevuld met bloemdelen van hennepplanten met een totaalgewicht van 9008 gram met een geschatte waarde van ongeveer € 29.500,-. De tassen waren op zolder niet aan het oog onttrokken. Verder is in de ouderlijke slaapkamer op/in de linnenkast een doosje met daarin een vuurwapen en munitie gevonden.

Juridische beoordeling

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zogenoemde 'witwastypologie'. Zo bestond het bij verdachte thuis aangetroffen bedrag van € 106.775,-- voor een groot gedeelte uit coupures van € 500,--, coupures die in het economische verkeer niet of nauwelijks worden gebruikt. In verdachtes woning is voorts een grote hoeveelheid hennep aangetroffen alsmede een vuurwapen en munitie. Uit de observatie is voorts gebleken dat verdachte een bezoek bracht aan een adres waar die dag een hennepplantage is aangetroffen en voorts volgt uit het dossier dat verdachte een keer eerder is veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet.

Met de rechtbank acht het hof de verklaring van verdachte over de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag gelet op de onderzoeken die zijn verricht naar de financiële vermogenspositie van verdachte alsmede die van zijn schoonmoeder ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden. Dit, mede in het licht bezien van de omstandigheid dat uit een in beslag genomen rekeningafschrift van de vrouw van verdachte, [getuige12], blijkt dat [getuige10] op 24 november 2009 een bedrag van € 293,- heeft overgemaakt aan [getuige12] met als omschrijving "[getuige10] aflossing aan mw [getuige12] aflossing privéschuld". Op grond hiervan is het aannemelijker te veronderstellen dat [getuige10] een privéschuld bij verdachte en/of zijn vrouw had, dan andersom zoals door verdachte is gesuggereerd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar weet van had. Voorts biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de aanname dat het geldbedrag afkomstig is uit een door een ander dan verdachte gepleegd misdrijf. Het hof gaat er dan ook van uit dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf.

Op grond van vigerende jurisprudentie spreekt het hof - anders dan de rechtbank - verdachte echter van het hem onder 2 tenlastegelegde vrij, nu het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag van € 106.775,- dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, mede in ogenschouw genomen de vindplaatsen van de geldbedragen, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en die gedraging derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Niet gebleken is dat sprake is van een vervolghandeling, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Nu het hof verdachte - weliswaar op andere grond dan door de verdediging is bepleit - vrijspreekt van het hem onder 2 tenlastegelegde, acht het hof het niet noodzakelijk om de verzoeken van de verdediging tot het horen van de in de pleitnota en appelschriftuur genoemde getuigen, toe te wijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan verduistering in persoonlijke dienstbetrekking

Gerechtshof Den Haag 18 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:860

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan verduistering in persoonlijke dienstbetrekking van een aantal mobiele telefoons. Daarbij heeft de verdachte de verduistering willen verhullen door het doen voorkomen dat hij in de telefoonwinkel waarin hij werkte, was overvallen. Om zijn verhaal kracht bij te zetten heeft hij van deze in scene gezette overval een valse aangifte gedaan.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 228 (tweehonderdachtentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 114 (honderdveertien) dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over de raakvlakken tussen strafrecht en arbeidsrecht? Kom dan op Donderdag 11 april 2014 naar de gelijknamige cursus. Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Oplichting: Ontbreken voor medeplichtigheid vereist dubbel opzet

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:622

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte:

  • vrijgesproken van het op de dagvaarding met parketnummer 01-268074-11 onder 2 ten laste gelegde feit;
  • ter zake van - kort gezegd - oplichting (parketnummer 01-154309-12, het hof begrijpt gezien de bewezenverklaring dat de politierechter heeft bedoeld: medeplichtigheid aan oplichting) en bedreiging met zware mishandeling (parketnummer 01-268074-11, feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
  • ter zake van de overtreding onverzekerd rijden (parketnummer 01-268074-11, feit 3) is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 370,--, subsidiair 7 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste is gelegd en de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Terzake het door de eerste rechter bewezen verklaarde en niet aan het oordeel van het hof onderworpen misdrijf “bedreiging met zware mishandeling” (parketnummer 01-268074-11, feit 1) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof voor dat feit een gevangenisstraf zal bepalen voor de duur van één week.

Namens verdachte is ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

Vrijspraak

Het hof komt, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, niet tot een bewezenverklaring van het op de dagvaarding met parketnummer 01-154309-12 ten laste gelegde en overweegt dienaangaande het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij in 2011 in detentie verbleef, in de gevangenis een persoon heeft leren kennen en dat hij die persoon naar zijn moeder heeft gestuurd om zijn pinpas op te halen. Deze persoon, van wie hij de naam niet kent, zou volgens de verdachte een bedrag op zijn rekening storten zodat de verdachte zijn openstaande boetes kon betalen.

Blijkens de verklaring van de moeder van de verdachte is op enig moment in 2011 een persoon bij haar aan de deur gekomen om de pinpas van haar zoon op te halen. Zij heeft op aangeven van haar zoon de pinpas aan deze persoon afgegeven, samen met een daarop geplakt papiertje met de pincode van verdachte. Het papiertje met de pincode was volgens verdachte op de pinpas geplakt zodat zijn moeder voor hem geld kon opnemen en zaken kon betalen. De onbekende persoon heeft nog een bedrag van € 50,-- op tafel gelegd omdat de verdachte deze van hem tegoed zou hebben, aldus de moeder van de verdachte.

De verdachte stelt dat hij zijn pincode niet bewust heeft afgegeven aan die onbekende, en dat hem achteraf is gebleken dat zijn pinpas en rekeningnummer zijn misbruikt door die persoon, en dat hijzelf ook is gedupeerd voor een bedrag van € 350,--.

Wat er ook zij van de geloofwaardigheid van het relaas van de verdachte, voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan oplichting is vereist dat niet alleen verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van de oplichting, doch tevens dat verdachtes opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het misdrijf van de dader, in casu oplichting van [slachtoffer] via het internet.

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het door de dader gepleegde gronddelict. Het feit dat de verdachte wist dat de persoon aan wie hij zijn bankrekeningnummer en pinpas ter beschikking stelde, in de gevangenis had gezeten wegens oplichting en fraude, doet daar niet aan af.

Aan de verdachte kan het verwijt worden gemaakt dat hij te lichtvaardig zijn pinpas en rekeningnummer ter beschikking heeft gesteld. In zoverre is er sprake van een verwijtbare onvoorzichtigheid. Dat levert echter nog geen opzet op, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht op oplichting, zodat om die reden niet voldaan is aan het voor medeplichtigheid vereiste ‘dubbele opzet’.

Gelet op het voorgaande zal verdachte van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Tegelijkertijd horen verdachte in eigen strafzaak en zaak medeverdachte

Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:466 

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 13 maart 2012 veroordeeld tot een geldboete van € 2.700, subsidiair 37 dagen hechtenis, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 72 uren, subsidiair 36 dagen hechtenis, wegens:

  • In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid (feit 1);
  • Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst (feit 2);
  • Oplichting (feit 3).

Het Hof heeft de benadeelde partij onbevoegd verklaard zich te voegen in hoger beroep, omdat de vordering in eerste aanleg was ingetrokken. Met die beslissing zal het Hof bedoeld hebben de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte tegelijkertijd heeft gehoord als verdachte in zijn eigen strafzaak en als getuige in de - gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde - strafzaak van een medeverdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Uit het samenstel van bepalingen (art. 29.1 en 2, 219, 290.4 Sv. 2. Art. 227.1 Sr, art. 157 Rv) moet worden afgeleid dat de uitzonderlijke werkwijze die hier is gevolgd, te weten het tegelijkertijd horen van iemand als verdachte in zijn eigen strafzaak én als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering, in het bijzonder niet omdat daardoor de aan art. 29 Sv ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van de verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan.

Het Hof heeft de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor als verdachte beëdigd als getuige in de gelijktijdig behandelde zaak van zijn medeverdachte met de mededeling dat hij geacht wordt "hetgeen hij als verdachte verklaart in zijn strafzaak ook als getuige in de strafzaak van de medeverdachte te hebben verklaard". Aldus heeft het Hof zozeer gehandeld in strijd met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van computervredebreuk

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:636

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van computervredebreuk veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter beslist over de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en zal volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, heeft de verdediging bepleit om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij bepleit.

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zodat hij zal worden vrijgesproken. In het bijzonder kan niet worden bewezen dat de verdachte zich wederrechtelijk toegang heeft verschaft tot het hotmailaccount van de aangeefster.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat aangeefster zelf, in een email aan de verdachte van 4 oktober 2010, de gebruikersnaam en het wachtwoord van haar hotmailaccount heeft verschaft. Dit in tegenstelling tot de mededeling van aangeefster in de aangifte dat ze haar code nooit aan de verdachte, haar ex-man, heeft gegeven. De verdachte heeft voorts in hoger beroep verklaard dat aangeefster hem nadien nooit heeft verboden gebruik te maken van die toegangscode. Evenmin is gebleken dat aangeefster haar toegangscode heeft aangepast om te voorkomen dat verdachte gebruik zou maken van de code.

Bij deze stand van zaken waren de ten laste gelegde gedragingen niet wederrechtelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^