Contant geld in geheime bergruimte: OVAR

Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:595

Door het openbaar ministerie is het voorhanden hebben van het geld en niet tevens het verbergen of verhullen van de vindplaats van het geld ten laste gelegd. Het verbergen van het geld in een geheime bergruimte is een gedraging die gericht is op het verhullen van de vindplaats van het uit misdrijf verkregen geld, maar niet tevens op het verhullen van de criminele herkomst ervan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verzoek ex artikel 591a Sv na beklagprocedure ex artikel 12 Sv

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1897

Bij beschikking ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van de dato 24 mei 2013, is een door klager tegen verzoeker ingediend beklag tegen de beslissing om verzoeker niet te vervolgen afgewezen.

Het ingekomen verzoek is gebaseerd op artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge het bepaalde in lid 4 van dit artikel juncto lid 2 van artikel 591 van voornoemd Wetboek geschiedt de vaststelling van de gevraagde vergoeding bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft bij brief van 4 juli 2012 aan verzoeker te kennen gegeven dat verzoeker terzake de feiten waarop het beklag betrekking had (onder meer (passieve) omkoping van een rechter dan wel (passieve) ambtelijke omkoping) niet zou worden vervolgd. Verzoeker is ter zake dat feit derhalve nimmer strafrechtelijk vervolgd en blijkens de brief van de officier van justitie ook nimmer als verdachte aangemerkt. Gelet op de verwevenheid van het feit waarop het beklag had met de feiten waarvoor verdachte wel strafrechtelijk is vervolgd en door het hof bij arrest van 13 juni 2013 is vrijgesproken, merkt het hof zich ter zake het ingediende verzoekschrift aan als de feitelijke instantie waarbij verdachte het laatst werd vervolgd. Het hof acht zich derhalve bevoegd om over het verzoekschrift te oordelen.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

Het verzoekschrift omvat kort gezegd de volgende posten

  1. kosten rechtsbijstand bestaande uit een bedrag van 22.396,86 in rekening gebracht door mrs. raadsman 1 en raadsman 2 voornoemd;
  2. reiskosten bestaande uit een bedrag van 63,00;
  3. verblijfskosten bestaande uit een bedrag van 9,00;
  4. schade ten gevolge van tijdverzuim bestaande uit een bedrag van 734,67;
  5. kosten van indiening van onderhavig verzoek, welke kosten niet nader zijn gespecificeerd maar ten aanzien waarvan verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten de forfaitaire bedragen overstijgen.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Bij arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) heeft de Hoge Raad bepaald dat na afwijzing van een op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering toekenning van een dergelijke vergoeding aan de gewezen beklaagde in de gevoerde beklagprocedure niet is uitgesloten. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De gevraagde reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van de behandeling van het beklag door dit hof op 16 april 2013 zijn voor toewijzing vatbaar op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Toegewezen kan worden: 1 maal een retour bus/NS 2e klasse woonplaats-Arnhem à € 42,80: € 42,80. Derhalve in totaal € 42,80.

De in verband met het bijwonen van de behandeling van het beklag meer verzochte reis- en verblijfkosten vanwege het gebruik van een ander vervoersmiddel dan het openbaar vervoer wijst het hof af.

De door verzoeker gevraagde vergoeding wegens tijdverzuim zal worden afgewezen, omdat er bij verzoeker geen sprake is geweest van aantoonbare geconcretiseerde inkomstenderving vanwege het bijwonen van de behandeling van het beklag. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker door het bijwonen van de behandeling van het beklag bepaalde werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten die hij anders wel zou hebben verricht. Het hof begrijpt de door verzoeker gestelde inkomstenderving aldus dat deze is ontstaan doordat verzoeker vanwege zijn strafvervolging ter zake andere met de beklagprocedure verbonden zaken bepaalde functies en werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Dergelijke inkomstenderving komt echter niet voor vergoeding op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking, laat staan in een op de voet daarvan geëntameerde verzoekschriftprocedure die louter verband houdt met de beklagprocedure die ziet op andere feiten. Het voorgaande geldt eveneens voor inkomstenderving die is ontstaan door de beschuldigingen jegens verzoeker die hebben geleid tot de beklagprocedure.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de beklagprocedure. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat het openbaar ministerie uitgebreid onderzoek heeft verricht naar de feiten waarvan verzoeker in het kader van de beklagprocedure beschuldigd werd. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie grote inspanningen gerechtvaardigd achtte, hetgeen niet alleen volgt uit de omvang van het verrichte onderzoek maar ook bijvoorbeeld uit het feit dat het openbaar ministerie blijkens het ambtsbericht in de beklagprocedure dat onderzoek en de beoordeling daarvan heeft laten verrichten door twee officieren van justitie. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de beschuldigingen de nodige media-aandacht hebben gegenereerd, terwijl het hof uiteindelijk heeft geoordeeld dat er zelfs na het uitgebreide onderzoek door het openbaar ministerie geen aanwijzing in het dossier zijn aangetroffen die de veronderstelling ondersteunen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van omkoping.

De omstandigheid dat tussen de beklagprocedure en de strafprocedure die heeft geleid tot vrijspraak het nodige verband bestaat en verzoeker in beide procedures werd bijgestaan door dezelfde raadslieden, maakt het niet onredelijk te verwachten dat dat een gunstig effect heeft op de tijd en kosten die gemoeid zijn geweest met het bijstaan van verzoeker in de beklagprocedure. Daarbij komt dat een beklagprocedure naar zijn aard reeds minder tijd en voorbereiding vergt dan een strafprocedure. Voorts was het openbaar ministerie in de beklagprocedure, anders dan in de strafprocedure, met verzoeker van oordeel dat strafvervolging terzake de feiten die in de beklagprocedure centraal stonden, achterwege diende te blijven.

Alles afwegende acht het hof de door de raadslieden verrichte werkzaamheden in een bijzondere zaak als de onderhavige beklagzaak niet van dien aard dat deze als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Het hof ziet in de gedeclareerde uren en kosten voldoende terug dat in casu ook sprake was van de nodige tijd- en kostenbesparende omstandigheden. De gedeclareerde uren en kosten vormen immers bij benadering slechts 10% van de uren en kosten die gedeclareerd zijn in de strafzaak.

Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag ter hoogte van het verzochte bedrag van € 22.396,86 (inclusief BTW).

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen€ 540,00 (inclusief BTW). Het hof ziet geen reden om van de landelijke aanbeveling af te wijken.

Het hof kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 22.979,66 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Discussie over de vorming en de samenstelling van het ontnemingsdossier dat van de rechtbank is gekomen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1825

In de onderhavige zaak is discussie ontstaan over de vorming en de samenstelling van het dossier waarop het hof het hoger beroep moet behandelen. De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof stelt de volgende gang van zaken vast.

Nadat tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep was ingesteld en de rechtbank de aanvulling op de ontnemingsbeslissing had gemaakt heeft de griffier van de rechtbank op 26 mei 2011, op de voet van artikel 409, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de stukken van het geding aan de griffier van het gerechtshof gezonden. Praktisch gezien hield dit in dat de griffier van de rechtbank, overeenkomstig de daartoe destijds gemaakte afspraken, de stukken rechtstreeks naar de “intake-unit” van het ressortsparket heeft gestuurd met het oog op de vervulling van de aan de advocaat-generaal in het Wetboek van Strafvordering opgedragen taken. De stukken zijn, blijkens de aantekening op de binnenzijde van de hierna te noemen gele map, bij de “intake-unit” binnengekomen op 27 mei 2011.

De voorzitter heeft, op verzoek en voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de terechtzitting voor de behandeling van deze zaak bepaald op 11 februari 2013.

Daarbij is door de advocaat-generaal ter beschikking van het hof gesteld een gele map met daarin een aantal stukken van belang voor de behandeling van het hoger beroep. In deze gele map bevindt zich ook een inventarislijst.

De voorzitter heeft vervolgens uit de ontnemingsbeslissing en de hierop door de rechtbank gemaakte aanvulling afgeleid dat de rechtbank de beschikking moet hebben gehad over meer gedingstukken, te weten het ontnemingsrapport en daarbij behorende (omvangrijke) bijlagen. De voorzitter heeft daarop bij de griffier van de rechtbank geïnformeerd naar de kennelijk ontbrekende stukken. Dit heeft geleid tot toezending van een heel dun ontnemingsdossiertje (inhoudende (originele) stukken welke zich tevens (in kopie) in de gele map bevinden). Echter, het ontnemingsrapport en daarbij behorende bijlagen bleken niet (meer) bij de griffier van de rechtbank aanwezig te zijn.

Vervolgens heeft de voorzitter eind januari/begin februari 2013 bij de advocaat-generaal geïnformeerd of deze de beschikking had over de ontbrekende stukken. De advocaat-generaal heeft laten weten dat dat niet het geval was.

Uit de wel beschikbare stukken bleek dat de onderhavige zaak deel uitmaakte van het zogeheten “Darsch-onderzoek”. Uit de administratie van het hof bleek dat andere zaken die van dat onderzoek deel uitmaakten, reeds onherroepelijk door het hof waren afgedaan, te weten de zaken met de parketnummers genoemd in het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2013.

Dit heeft ertoe geleid dat de voorzitter naspeuringen heeft gedaan in deze bij het hof gearchiveerde zaken. Daarin werden niet alleen stukken betreffende de strafzaken maar ook het de veroordeelde betreffende ontnemingsrapport met bijlagen aangetroffen. Ter terechtzitting van het hof van 11 februari 2013 zijn deze stukken gepresenteerd aan de advocaat-generaal en de verdediging. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging (zij het de verdediging met enige aarzeling) hebben ermee ingestemd dat het hof op basis van (ook) deze stukken het hoger beroep behandelt. Daarop heeft het hof vastgesteld dat het hier moet gaan om de stukken van het geding die door de griffier van de rechtbank moeten zijn toegezonden naar de “intake-unit” van het ressortsparket.

Deze vaststelling door het hof is in een ander daglicht komen te staan doordat de voorzitter op 9 januari 2014, geruime tijd na de dagbepaling van de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van 23 januari 2014, door de advocaat-generaal kratten met stukken toegezonden kreeg welke stukken, in de visie van de advocaat-generaal, de stukken waren waarop de rechtbank de zaak had behandeld en beslist. Deze stukken waren, aldus de advocaat-generaal, bij de verhuizing van het ressortsparket aangetroffen op een zolderverdieping van het ressortsparket, waar ook wel andere stukken van grote zaken werden neergezet. De voorzitter heeft de stukken onverwijld en ongezien aan de advocaat-generaal geretourneerd, begeleid door een bericht inhoudende dat het niet aan het hof is om kennis te nemen van de stukken welke zich in de aangeboden kratten bevinden, laat staan om deze aan het dossier toe te voegen zonder dat ook de verdediging over deze stukken beschikt en zich over deze stukken en de toevoeging aan het dossier heeft kunnen uitlaten. Daarbij is de advocaat-generaal tevens bericht dat hij kan beoordelen of er zich in de kratten stukken bevinden die naar zijn oordeel alsnog aan het dossier zouden moeten worden toegevoegd, in welk geval hij aan het hof het verzoek kan doen om die stukken alsnog aan het dossier toe te voegen, waarbij ook de verdediging in de gelegenheid dient te worden gesteld zich daarover uit te laten.

Op 16 januari 2014 heeft de advocaat-generaal genoemde kratten met begeleidende brieven opnieuw gestuurd naar de voorzitter. In die begeleidende brieven heeft de advocaat-generaal bericht dat de inhoud van deze kratten de originele versies betreffen van de stukken die op de regiezitting van 11 februari 2013 in de vandaag gelijktijdig, maar niet gevoegde 4 ontnemingszaken zijn besproken, dat deze stukken bestemd zijn voor het hof, dat deze stukken voor zover betrekking hebbende op veroordeelde nu deel uitmaken van het onderhavige ontnemingsdossier, dat de verdediging ook over deze stukken beschikt, dat hij het niet noodzakelijk vindt over deze toezending separaat de verdediging in te lichten en dat hij bij aanvang van de zitting van 23 januari 2014 melding zal maken van het terugvinden van deze originele stukken.

Op 20 januari 2014 heeft de voorzitter de advocaat-generaal een bericht gestuurd, inhoudende dat voor zover de voorzitter het hiervoor genoemde begeleidende schrijven van de advocaat-generaal d.d. 16 januari 2014 dient op te vatten als een verzoek tot toevoeging van stukken aan het dossier, de advocaat-generaal ter zitting van 23 januari 2014 in de gelegenheid zal worden gesteld dit verzoek nader toe te lichten en dat daarna de verdediging gelegenheid zal krijgen zich daarover uit te laten.

Bij schrijven van 20 januari 2014 heeft de voorzitter de raadsman van veroordeelde schriftelijk van een en ander op de hoogte gesteld, onder bijvoeging van afschriften van de betreffende correspondentie.

Ter zitting van 23 januari 2014 hebben de advocaat-generaal en de verdediging zich uitgelaten over de status die aan de door de advocaat-generaal aan de voorzitter gestuurde kratten met stukken zou moeten worden toegekend.

De advocaat-generaal is van mening dat de stukken reeds deel uitmaken van het dossier nu het hier de door de griffier van de rechtbank toegezonden gedingstukken betreft, die, zoals destijds gebruikelijk, aan de “intake-unit” van het ressortsparket zijn toegezonden. Van toevoeging van deze stukken aan het dossier is mitsdien geen sprake. De advocaat-generaal is van mening dat het hof van de inhoud van deze stukken kennis moet nemen (het hof begrijpt: in plaats van de stukken zoals deze ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2013 zijn besproken en vastgesteld). De advocaat-generaal heeft voorts aangegeven dat de beide sets met stukken identiek zijn.

De verdediging heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij gebrek aan wetenschap betwist de verdediging dat het hier gaat om de door de griffier van de rechtbank toegezonden stukken en tevens dat het gaat om stukken die identiek zijn aan de stukken waarvan het hof ter terechtzitting op 11 februari 2013 had vastgesteld dat dit de stukken waren die door de griffier van de rechtbank waren toegezonden.

Het hof kan thans niet anders dan vaststellen dat er, naast eerder genoemde gele map en het dunne ontnemingsdossiertje, twee sets met stukken zijn waarvan gezegd kan worden dat deze door de griffier van de rechtbank zijn toegezonden aan de “intake-unit” van het ressortsparket. Het hof is niet in staat om vast te stellen welke set met stukken, tezamen met de gele map, daadwerkelijk door de griffier van de rechtbank is toegezonden. De in de gele map aanwezige inventarislijst bevat in dit opzicht slechts de aanduiding: “overige stukken”.

Er is in de visie van het hof een mogelijkheid om uit deze impasse te komen. De twee sets met stukken kunnen met elkaar worden vergeleken. Mochten deze sets identiek zijn dan kan mogelijk geoordeeld worden dat door het niet kunnen vaststellen welke de stukken zijn die de griffier van de rechtbank heeft toegezonden, geen der procesdeelnemers in zijn belangen is geschaad.

Het hof realiseert zich terdege dat deze optie een grote inzet van de verdediging vergt. De beide (omvangrijke) sets met stukken moeten bladzijde voor bladzijde met elkaar worden vergeleken. De kosten van rechtsbijstand zullen daardoor aanzienlijk toenemen. Bovendien is een dergelijke exercitie niet eenvoudig in de praktijk van de rechtsbijstandverlener in te passen.

Echter, hoezeer ook de thans ontstane situatie is toe te rekenen aan de advocaat-generaal, die in de aanloop naar en ter terechtzitting van 11 februari 2013, in plaats van gewag te maken van de ook toen reeds reële mogelijkheid dat de stukken op de zolderverdieping van het ressortsparket aanwezig waren en daarnaar naspeuringen te (doen) verrichten, ermee heeft ingestemd dat het hof mede op basis van de door de voorzitter in het archief aangetroffen stukken het hoger beroep zou behandelen, en hoezeer ook de door het hof geschetste optie een belasting van de verdediging oplevert welke had kunnen worden voorkomen als de advocaat-generaal meer adequaat had gereageerd, leidt naar het oordeel van het hof het een noch het ander, noch in onderlinge samenhang, tot de conclusie dat geen andere beslissing mogelijk is dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepalend hiervoor acht het hof dat bij de huidige stand van zaken de mogelijkheid van herstel aanwezig lijkt te zijn en, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, tijdsverloop als zodanig - ook in de situatie dat reeds sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting - geen grond vormt voor niet-ontvankelijkverklaring.

Het hof zal het onderzoek daarom heropenen.

Het hof zal de door de advocaat-generaal aan de voorzitter toegestuurde kratten met stukken in handen stellen van de advocaat-generaal. Deze dient een afschrift - en wel copie conform - van de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken aan de verdediging, opdat de verdediging in staat is om zich uit te laten over de vraag of deze stukken identiek zijn aan de stukken die ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2013 zijn besproken en vastgesteld.

Het hof zal met het oog hierop bepalen dat het onderzoek zal worden hervat over ten minste zes maanden tegen een nog nader te bepalen terechtzitting. Met het oog op de planning van de volgende zitting verzoekt het hof de verdediging om, na bestudering van de stukken, haar bevindingen schriftelijk aan het hof te doen toekomen. Verder verzoekt het hof de verdediging om, met het oog op een inhoudelijke behandeling van de zaak, een overzicht te maken van de (extra) kosten van rechtsbijstand, gemoeid met de bestudering van beide sets met stukken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens oplichting van woningbouw-coöperatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:10370

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 1, 3 en 5)
  • als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 2, 4 en 6)
  • samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).

Niet-ontvankelijkheidsverweer

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard vanwege het inbrengen in het strafdossier van onrechtmatig verkregen administratie, boekhoudgegevens en verklaringen van (mede-) verdachten.

De verdediging voert daartoe aan dat mogelijk door de belastingdienst controle-bevoegdheden zijn toegepast, terwijl zij al een redelijk vermoeden van schuld van het plegen van strafbare feiten zou hebben.

Door de verdediging wordt ter onderbouwing van voornoemd standpunt het navolgende aangevoerd.

Naam, die valt onder de Belastingdienst Hollands Midden, kondigt op 8 februari 2008 een boekenonderzoek bij medeverdacht bedrijf 3 aan, dat op 30 mei 2008 plaatsvindt.

Daar treft hij facturen van medeverdacht bedrijf 1 en medeverdacht bedrijf 1 aan, naar aanleiding waarvan hij bij brief van 12 november 2008 een controle aankondigt bij medeverdacht bedrijf 1.

Op 30 mei 2008 vindt dus het boekenonderzoek plaats bij medeverdacht bedrijf 3.

Gelijktijdig, vanaf mei tot 9 juli 2008, loopt een strafrechtelijk onderzoek, waarin medeverdacht bedrijf 3 in beeld komt.

Eind 2008 lopen de werkzaamheden van de belastingdienst, van de FIOD/ECD en van VROM-IOD door elkaar heen. Het is de verdediging niet vergund door middel van het horen van alle opgegeven getuigen helderheid te krijgen over de toentertijd bestaande onderlinge contacten tussen deze instanties, waardoor de verdediging ernstig in haar belangen is geschaad.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich niet kan vinden in de aannames en veronderstellingen van de verdediging en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Overweging hof

Niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie bij vormverzuimen is volgens vaste jurisprudentie slechts in die gevallen aan de orde als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Hierbij moet van geval tot geval beoordeeld worden of en in hoeverre de verdachte bij een vormverzuim in zijn belangen is geschaad.

De door de verdediging geschetste feiten en omstandigheden hebben geen betrekking op verdachte zelf. Voor zover al door de belastingdienst controlebevoegdheden zijn aangewend ten behoeve van de opsporing, kan verdachte geen beroep doen op schending van rechtsbeginselen nu die mogelijke schending dan jegens een ander of anderen dan de verdachte heeft plaatsgevonden en verdachte daardoor niet in haar belang geschaad is. Het verweer wordt verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende.

Het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door belastingambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze waarborgen in de onderhavige zaak niet in acht zijn genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bij de beoordeling van de vraag of aan een verdachte de cautie moet worden gegeven, er om gaat of sprake is van een verhoorsituatie als bedoeld in art. 29 van het Wetboek van Strafvordering, waarin verdachte naar zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit wordt gevraagd. Daarvan was bij dit boekenonderzoek geen sprake

Ook indien, zoals door de verdediging is betoogd, niet uit te sluiten valt dat lopende het onderzoek onder de naam Rembrandt door verbalisanten handelingen zijn verricht die niet stroken met de strafvorderlijke richtlijnen -het hof ziet hiervoor noch ambtshalve noch door hetgeen door de verdediging is aangedragen concrete aanwijzingen- leidt dit niet tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie nu niet is gebleken dat dit heeft geleid tot bewijsmateriaal dat zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de wil van de verdachte.

Oordeel Hof

Verdachte heeft tezamen met anderen meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van door oplichting van een woningbouw-coöperatie verkregen gelden van aanzienlijke omvang. Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het tezamen met medeverdachten feitelijk leidinggeven aan de rechtspersoon. Door deze vennootschap werden valse facturen gestuurd voor werkzaamheden die niet zijn verricht en voor risico’s die niet werden gelopen. Achtergrond hiervan was om gelden met een criminele herkomst wit te wassen en door te sluizen naar verdachte en de medeverdachten.

Verdachte was geen oprichter/bestuurder van de criminele organisatie. Dat neemt niet weg dat werkzaamheden zoals die door verdachte zijn verricht van groot belang waren voor het goed functioneren van de organisatie. Mede door de door medeverdacht bedrijf 1 op haar instigatie verzonden facturen was het mogelijk om gelden van criminele herkomst wit te wassen. Immers, door de valse facturen werd de herkomst van de gelden versluierd. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden opgelegd. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 2 jaar gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. Het hof realiseert zich dat verdachte door deze straf na geruime wederom in detentie zal geraken, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten onontkoombaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van het onttrekken van goederen aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1552

Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van het onttrekken van goederen aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag.

Door de raadsman is betoogd, dat er op onrechtmatige wijze beslag is gelegd nu niet is voldaan aan het gestelde in artikel 443 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Voorop wordt gesteld dat in het kader van het strafproces niet de materiële maar slechts de formele rechtmatigheid van het beslag kan worden getoetst.

Het hof overweegt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende. Bij de stukken zitten de in de tenlastelegging genoemde vonnissen op grond waarvan op 24 maart 2010 door de deurwaarder beslag is gelegd op een aantal roerende goederen dat zich op dat moment bevond in de woning van de verdachten.

Bij de stukken zit verder een proces-verbaal van inbeslagneming. In dit proces-verbaal wordt ten aanzien van de in beslag genomen goederen verwezen naar de foto’s die als bijlagen bij dat proces-verbaal zijn gevoegd. Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte bij de politie en/of ter zitting in eerste aanleg blijkt verder dat het voor de verdachten volstrekt helder was dat de in de tenlastelegging genoemde goederen onder het beslag vielen.

Gelet op voorgaande concludeert het hof dat aan de formele aspecten van beslaglegging is voldaan. Wat er ook zij van eventuele materiële gebreken ten aanzien van de wijze van de beslaglegging, het is niet aan de strafrechter om hierover een oordeel uit te spreken. In casu geldt dit des te meer, nu de voorzieningenrechter zich reeds heeft uitgelaten over deze kwestie en heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat in strijd met artikel 443 Rv is gehandeld.

Het hof verwerpt het verweer. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^