Politierechter begint abusievelijk een uur te vroeg met de behandeling van de zaak en wijst vonnis zonder raadsman aanwezig

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 mei 2013, LJN CA2929

De verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter van 9 augustus 2012 te 11.25 uur. De raadsman van de verdachte is van voornoemde datum en tijdstip in kennis gesteld.

De terechtzitting van 9 augustus 2012 is door de politierechter echter al aangevangen om 10.25 uur. Op dat tijdstip was alleen de verdachte, die ter zake van het hem ten laste gelegde feit in voorlopige hechtenis verbleef, aanwezig. Nadat de politierechter had opgemerkt dat de raadsman van verdachte niet aanwezig is, heeft de politierechter aan verdachte gevraagd of de zaak buiten aanwezigheid van zijn advocaat kon worden behandeld. De verdachte heeft hierop aangegeven dat hij zijn zaak zonder zijn advocaat wilde voortzetten. De politierechter heeft de zaak afgedaan en vonnis gewezen.

Nadat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten, komt de raadsman van verdachte zichzelf melden. De raadsman was op het tijdstip dat op de dagvaarding van verdachte stond, namelijk 11.25 uur, aanwezig en maakt bezwaar tegen behandeling van zijn zaak buiten zijn aanwezigheid. De politierechter deelt mee dat de zaak al behandeld is, omdat deze om 10.25 uur geappointeerd stond volgens de zittingslijst waar zij over beschikt. Zij constateert dat er op de dagvaarding inderdaad het tijdstip 11.25 uur staat vermeld. Dit was haar niet opgevallen, anders had zij uiteraard gewacht.

Het hof acht het onderzoek van de zaak buiten aanwezigheid van de raadsman zonder diens instemming nietig en wijst op de voet van art. 423 lid 2 Sv de zaak terug naar de rechtbank.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oud-rechters Kalbfleisch en Westenberg ook in hoger beroep vrijgesproken

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 13 juni 2013 het vonnis van de Utrechtse rechtbank van 23 november 2012, waarin twee oud-rechters werden vrijgesproken van meineed, met een andere motivering bevestigd.

Het openbaar ministerie had hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak van twee van de drie ten laste gelegde feiten. Deze feiten betreffen ten aanzien van beiden de verklaringen onder ede over hun onderlinge contacten en ten aanzien van één van hen ook de verklaring over een telefoongesprek met een advocaat. In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat deze feiten bewezen zullen worden verklaard.

Het hof heeft in zijn arresten overwogen dat om te komen tot een bewezenverklaring van meineed eerst moet worden vastgesteld wat de feitelijke toedracht is waarover men in de verondersteld meinedige verklaring heeft verklaard. Alleen dan kan namelijk worden gezegd dat een andere verklaring daarover in strijd met de waarheid is afgelegd.

Die toedracht dient wettig en overtuigend bewezen te worden. Anders dan de rechtbank, maar met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat er voldoende wettig bewijs aanwezig is voor die toedracht. Naar het oordeel van het hof bestaat echter, zowel ten aanzien van de onderlinge contacten als ten aanzien van het telefoongesprek met een advocaat, onvoldoende helderheid over de feitelijke toedracht.

Het dossier biedt in beide gevallen, eveneens op basis van wettige bewijsmiddelen, ruimte voor een alternatieve toedracht. Daar die toedracht niet als minder waarschijnlijk terzijde kan worden geschoven, is het mogelijk dat de door de verdachten afgelegde verklaringen niet in strijd met de waarheid zijn afgelegd.

Nu de feitelijke toedracht niet kan worden vastgesteld, kan ook niet tot het oordeel gekomen worden dat daarover in strijd met de waarheid is verklaard, laat staan dat dat opzettelijk is gebeurd. Evenals de rechtbank komt het hof dan ook tot de slotsom dat de verdachten dienen te worden vrijgesproken.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 16 maanden wegens het valselijk opmaken van een zevental documenten en het plegen van oplichting met valse documenten

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, LJN CA2182

Verdachte heeft tussen 2002 en 2007 bij drie onroerend goed transacties gebruik gemaakt van een groot aantal door haarzelf valselijk opgemaakte of vervalste documenten, om zo haar wederpartijen een verkeerde voorstelling van zaken voor te spiegelen en hen ertoe te bewegen grote bedragen aan haar af te staan. Bovendien heeft verdachte daarbij misbruik gemaakt van haar relatie met bedrijf 3 door de naam van dat bedrijf en haar medewerkers te gebruiken bij haar contacten met de aangevers.

Verdachte heeft zichzelf ten koste van anderen verrijkt voor een bedrag van ongeveer anderhalf miljoen euro. Over haar exacte beweegredenen heeft verdachte geen openheid van zaken gegeven. Dit kan deels verklaard worden uit haar ontkennende proceshouding ten aanzien van een groot deel van de verwijten, maar voor het overige heeft zij alleen gesteld dat zij werd afgeperst en dat een en ander in overige zaken/investeringen is gestoken. Dat is echter niet nader onderbouwd door of namens de verdachte. Het hof heeft dan ook weinig zicht gekregen op waar het door verdachte ontvangen geld naar toe is gegaan. Het lijkt erop dat eigen financieel gewin haar drijfveer is geweest.

Bij de strafoplegging houdt het hof – ten nadele van verdachte – rekening met de omstandigheid dat zij zich eerder (aan soortgelijke) strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Dit heeft haar er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. In dit verband merkt het hof op dat de thans bewezenverklaarde feiten niet als een incident te kenmerken zijn, nu het bewezenverklaarde ziet op een langere periode waarin verdachte meerdere personen/rechtspersonen heeft benadeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De ontvankelijkheid/de tijdigheid van het verzoek na kennisgeving sepot

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2013, LJN CA2194

In het geval dat de zaak is geëindigd met een kennisgeving sepot, acht het hof het in beginsel redelijk om uit te gaan van de dag waarop de gewezen verdachte van de beslissing kennis heeft kunnen nemen, dan wel van het tijdstip waarop zich een omstandiheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de beslissing aan de voormalige verdachte bekend is. Met het oog op dit uitgangspunt ligt het op de weg van de officier van justitie om aannemelijk te maken dat zijn beslissing aan verzoeker is verzonden. Weliswaar bevindt zich in het dossier (een kopie van) een aan verzoeker gerichte kennisgeving van sepot, maar niet blijkt uit een aantekening, stempel of anderszins, dat het origineel aan verzoeker is verzonden. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat de kennisgeving niet eerder dan op de door verzoeker daartoe gestelde datum aan hem bekend is gemaakt. Het verzoekschrift is dus tijdig ingediend.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Megazaak Megaliet: Veroordeling wegens het voorhanden hebben van apparatuur en gegevens bestemd voor skimactiviteiten

Gerechtshof Amsterdam 27 mei 2013, LJN CA1650

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een laptop waarmee magneetstripgegevens konden worden gekopieerd. Deze zogenaamde stringgegevens zijn eveneens op die laptop aangetroffen. Een aantal slachtoffers waarvan deze gegevens afkomstig waren, heeft aangifte gedaan van skimming. De verdachte heeft met het voorhanden hebben van die laptop en die gegevens daarin kennelijk een belangrijke rol gespeeld.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen en van een personenauto.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de schuldheling van een laptop.

Het gerechtshof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^