Duikongeval, bewezen verklaard dat het aan de schuld van de duikinstructeur is te wijten dat een cursist zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en dat daaruit verhindering in de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan

Geldigheid van de dagvaarding 

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding gedeeltelijk nietig verklaard dient te worden. Daartoe is aangevoerd dat het onderdeel “nagelaten de initiatieduik zodanig te organiseren en zodanige maatregelen te nemen dat de veiligheid en/of gezondheid van slachtoffer bij de uitoefening van de duik zoveel als mogelijk was gewaarborgd” van de tenlastelegging zo weinig specifiek en vaag is dat verdachte zich daartegen niet behoorlijk kan verdedigen.

Naar het oordeel van de verdediging had de officier van justitie (nog meer) in de tenlastelegging moeten aangeven om welk concreet gedrag of welke concrete nalatigheid het gaat en op welke wijze de initiatieduik wel georganiseerd had moeten worden en welke maatregelen wel genomen hadden moeten worden, maar niet zijn getroffen. Hetzelfde geldt, aldus de verdediging, voor het onderdeel “onvoldoende althans (te) geringe uitleg heeft/hebben gegeven over de werking van de duikapparatuur en de te volgen duikprocedures”. 

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Hetgeen door de verdediging wordt bepleit doet geen recht aan de bewoordingen van de tenlastelegging. Immers in de tenlastelegging worden de door de verdediging aangehaalde bewoordingen gevolgd door: “hierin bestaande dat hij en/of zijn mededader(s):” waarna een nader uitgesplitste concretisering volgt van de voorop gestelde bewoordingen. Deze nadere verfeitelijking voldoet aan de ingevolge artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, waarbij het hof opmerkt dat niet alle omstandigheden waaruit de schuld kan worden afgeleid in de tenlastelegging tot uitdrukking behoeven te worden gebracht.

Daarbij overweegt het hof dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij zowel bij de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep het ten laste gelegde voldoende heeft begrepen en dat hij wist waartegen hij zich heeft moeten verweren.

Het hof is derhalve van oordeel dat de dagvaarding niet (deels) aan nietigheid lijdt en verwerpt het verweer.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft geconcludeerd dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt, in de zin van strafrechtelijke schuld, aan hetgeen slachtoffer is overkomen. Verdachte heeft op alle onderdelen steeds gehandeld zoals van een ervaren instructeur bij een initiatieduik verwacht mag worden.

Beoordeling Hof

Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop: verdachte is een volledig gecertificeerde duikinstructeur met vele jaren ervaring.

Hij is eveneens bevoegd tot het geven van de PADI Discover Scuba Diving cursus. Van deze cursus zijn de brochures ter zitting overgelegd en de verdediging heeft ook een vergelijking gemaakt tussen deze PADI cursus en de initiatieduik. Wat voorop staat bij de PADI Discover Scuba Diving voor beginnelingen is de onder begeleiding van een instructeur zorgvuldige voorbereiding van en het wennen aan het ademen onder water met perslucht, alvorens er wordt overgegaan tot een duik in open water. Deze voorbereiding geschiedt onder leiding van een instructeur in een zwembad gedurende een halve dag.

Het hof stelt met de verdediging vast dat een introductieduik direct in het open water niet gelijk gesteld kan worden met een dergelijke PADI Discover Scuba Diving cursus.

Wel gaat het hof ervan uit dat, nu er geen voorafgaande gewenning plaats vindt aan het duiken onder gecontroleerde omstandigheden zoals die zich in een zwembad voordoen, en de introductieduik enkel wordt voorafgegaan door een korte instructie op het droge waarna de introductie verder wordt opgebouwd in het open water en de instructeur het opblazen en leeglopen van de jackets bedient, dit van een instructeur vereist dat deze in het open water voortdurend de situatie waarin zijn cursisten zich bevinden onder controle heeft en dat hij zicht op hen heeft, en dat zijn communicatie met de cursisten over de te volgen stappen en de situatie ter plaatse aan geen enkel misverstand onderhevig is.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft, in de uitoefening van zijn beroep als duikinstructeur, op 29 juli 2009, een initiatieduik heeft willen maken in De Grevelingen met twee personen zonder enige duikervaring, te weten het latere slachtoffer en medecursist (getuige 1). Verdachte heeft hen op de kant een korte uitleg gegeven over de duikapparatuur en de te volgen duikprocedures aan de hand van een aantal sheets. Een herhaling daarvan en een nadere uitleg zou volgen wanneer zij zich in het water bevonden, voorafgaand aan de daadwerkelijke duik.

Verdachte heeft de cursisten vervolgens een duikuitrusting aangemeten en daarna zijn zij gedrieën De Grevelingen ingelopen. In het water heeft verdachte hen de vinnen aangedaan en heeft hij hen via de ademautomaat laten ademen met het hoofd onder water. Vervolgens heeft verdachte getest of slachtoffer voldoende zwaar was om te kunnen duiken.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat verdachte daartoe slachtoffer volgens vaste procedure op de buik op de bodem heeft geduwd en heeft vastgesteld dat slachtoffer te weinig gewicht had om bij een duik onder water te blijven. Daartoe heeft verdachte eerst de lucht uit het vest moeten laten. Hij heeft slachtoffer vervolgens overeind geholpen en daarna iemand aan de kant gevraagd om lood bij te halen ten einde slachtoffer te verzwaren. Volgens verdachte heeft hij vervolgens uit eigen voorraad twee kilo lood in de zakken van het vest van slachtoffer gestopt.

Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij daarna, teneinde te kunnen vaststellen of slachtoffer over voldoende gewicht beschikte, haar weer ter controle onder water heeft geduwd. Het hof volgt die verklaring echter niet, aangezien deze niet wordt ondersteund door de verklaringen van het slachtoffer, de medecursist en de vriend van het slachtoffer. Het hof gaat er dan ook vanuit dat verdachte dit heeft nagelaten.

Doordat verdachte na het bijloden van slachtoffer niet meer had gecheckt of zij voldoende bijgelood was, wist verdachte derhalve niet of slachtoffer na het bijloden nu te veel, nog steeds te weinig of precies voldoende lood in haar trimjacket had. Verdachte heeft daarmee nagelaten zich er van te vergewissen welk effect dit extra lood op het drijfvermogen of de stabiliteit van slachtoffer had.

Uit de verklaring van verdachte en van slachtoffer volgt dat verdachte zich daarop tot medecursist getuige 1 heeft gewend die zich nog niet zo comfortabel voelde en dat verdachte vervolgens met getuige 1 onder water is gegaan. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich – alvorens onder water te gaan – eerst uitdrukkelijk tot slachtoffer heeft gewend met de mededeling dat zij moest blijven staan en wachten.

Uit de verklaring van slachtoffer volgt weliswaar dat verdachte iets tegen haar heeft gezegd, namelijk: “verdachte zei, dat hij samen met getuige 1 onder water zou gaan en dicht bij hem zou blijven”, echter niet dat zij verstaan en begrepen heeft dat zij moest blijven staan en wachten. In tegendeel: zij merkt op dat verdachte niets tegen haar heeft gezegd en zij heeft vervolgens ook volstrekt op tegenovergestelde wijze gehandeld vanuit de gedachte dat ze moest zorgen dat zij toen onder water mee moest gaan. Dus wat er ook van zij van de verklaring van verdachte, zo hij al gezegd heeft dat slachtoffer moest blijven staan, hij heeft zich er in ieder geval niet van vergewist dat slachtoffer hem had verstaan en hem had begrepen, terwijl dat naar oordeel van het hof onder die omstandigheden wel geboden was. Daarbij neem het hof in overweging dat verdachte ook nog niet had vastgesteld welk effect de twee kilo extra gewicht op de stabiliteit van slachtoffer zou hebben. Door onder die omstandigheden alleen met getuige 1 onder water te gaan, heeft verdachte onvoldoende aandacht aan slachtoffer gegeven en daarbij zelfs slachtoffer uit het oog verloren. Voor verdachte was de hele gang van zaken weliswaar gesneden koek, maar dat gold niet voor slachtoffer, die voor het eerst van haar leven een initiatieduik maakte en derhalve volstrekt onwetend was van de gang der zaken. Zoals de deskundige heeft verklaard, is een initiatieduik een hele belevenis, zodat cursisten niet alles horen wat je zegt. Dat is de praktijk volgens de deskundige. Dat klemt naar het oordeel van het hof temeer nu de cursisten een cap dragen en het effect van een cap is dat het geluidremmend is, zoals bij het houden van je handen over je oren, zoals de deskundige heeft verklaard.

Uit de verklaring van slachtoffer blijkt tevens dat zij ook nog onvoldoende vertrouwd was met de ademautomaat, want eenmaal onder water had ze het gevoel dat ze water in het mondstuk kreeg en steeds meer water in de mond kreeg. Ze wilde naar de oppervlakte maar bemerkte dat ze op de plek waar ze zich bevond niet meer kon staan. Hieruit leidt het hof af dat zij onvoldoende vertrouwd was met de werking van de duikapparatuur en mitsdien de instructeur haar onvoldoende uitleg, waaronder ook wordt begrepen training, heeft gegeven en haar derhalve niet uit het zicht had mogen verliezen door met een andere cursist onder water te gaan, terwijl toezicht op haar door hem niet was gewaarborgd.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij de cursisten weliswaar op het droge een keer de lucht in en uit het vest laat blazen, maar dat hij vervolgens uitdrukkelijk de instructie geeft dat in het water de cursisten dat niet zelf mogen doen.

Het hof heeft niet kunnen vaststellen – nu verdachte hieromtrent wisselend heeft verklaard en slachtoffer daarover niets heeft verklaard – of het trimjacket van slachtoffer op het moment dat verdachte samen met getuige 1 onder water ging en zij aan de oppervlakte achterbleef, geheel dan wel deels dan wel niet was opgeblazen. Het hof is dienaangaande van oordeel dat, zelfs als ervan zou moeten worden uitgegaan dat slachtoffer uit eigener beweging en in strijd met de instructie van verdachte het trimjacket heeft ontlucht, zulks de nalatigheid van verdachte niet opheft. Immers, verdachte had deze beginnend cursist, van wie hij niet wilde dat zij het jacket bediende, continu in het oog moeten houden, dan wel het toezicht op haar moeten waarborgen en hij had zich ervan moeten vergewissen dat slachtoffer zijn instructies totdat hij met getuige 1 weer boven water zou komen had begrepen.

Gelet op de normstelling waarvan het hof bij zijn beoordeling uitgaat en gelet op de feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam is geweest als gediplomeerd duikinstructeur ten opzichte van slachtoffer die voor de eerste keer deelnam aan een duikinitiatie met perslucht in open water.

Ondanks de adequate reactie van verdachte en de succesvolle reanimatie door middel van beademing, heeft slachtoffer door te lang zonder voldoende luchttoevoer onder water te hebben verbleven vervuild water in haar longen gekregen, waardoor zij een zware longontsteking heeft opgelopen, waarvan zij nog steeds de gevolgen ondervindt. Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel, dat die klachten kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is slachtoffer (tijdelijk) verhinderd in de uitoefening van haar beroepsbezigheden.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Haagse hof legt gevangenisstraffen op voor lekken staatsgeheimen naar Telegraaf

Het gerechtshof in Den Haag heeft op 21 februari 2013 in hoger beroep twee voormalige ambtenaren van de AIVD, een vrouw en een man, tot gevangenisstraffen veroordeeld van zestien, respectievelijk acht maanden. Het hof acht bewezen dat beide verdachten zich in 2009 schuldig hebben gemaakt aan het doorspelen (lekken) van staatsgeheime informatie naar een journaliste van De Telegraaf. De vrouw wordt eveneens veroordeeld voor het thuis aanwezig hebben van staatsgeheime documenten. De Telegraaf heeft de betreffende informatie verwerkt in een artikel met de titel ‘Beveiliging fors opgeschroefd. Dalai Lama bedreigd’, dat op 4 juni 2009 is gepubliceerd. Vervolgens zijn bij de huiszoeking in de gezamenlijke woning van beide verdachten enkele eveneens staatsgeheime documenten aangetroffen. Dit is bij de wet verboden. Het hof acht de vrouw daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk, in de gevallen waarin die documenten rechtstreeks met haar in verband konden worden gebracht. Ten aanzien van de man acht het hof niet bewezen dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van de documenten. Ook is geoordeeld dat de vrouw haar ambtsplicht opzettelijk heeft geschonden door de man AIVD-informatie te verstrekken.

Ten aanzien van twee andere beschuldigingen van lekken van staatsgeheime informatie door beide verdachten heeft het hof geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is. De verdachten zijn hiervan vrijgesproken. Om die reden zijn de gevangenisstraffen lager uitgevallen dan de eis van het openbaar ministerie in hoger beroep. Het OM had gevangenisstraffen geëist van drie jaar, waarvan vijftien maanden voorwaardelijk, en twee jaar, waarvan elf maanden voorwaardelijk tegen de vrouw en de man.

De rechtbank had beide verdachten in juli 2010 vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank was van oordeel dat het bewijs tegen de verdachten onrechtmatig was verkregen, omdat zij als bron van het krantenartikel in beeld waren gekomen, nadat de telefoon van de Telegraaf-journaliste op onrechtmatige wijze was afgeluisterd door de AIVD. Het openbaar ministerie was het daarmee oneens en is in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat het bewijs door de Rijksrecherche op rechtmatige wijze is verkregen en acht de beginselen van een ‘fair trial’ niet geschonden.

 

Print Friendly and PDF ^

Verzoek ex. art. 591a Sv tot vergoeding van kosten rechtsbijstand à € 72.439,76 toegewezen

Gerechtshof 's-Gravenhage 29 december 2012, LJN BZ1168 Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij arrest van 17 februari 2011 het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 13 april 2007 in de strafzaak tegen de verzoeker vernietigd en hem vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

De verzoeker heeft hierop vergoeding gevraagd van € 72.439,76 ter zake van kosten voor rechtsbijstand in zijn strafzaak en van € 540 ter zake van kosten van het door zijn advocaat opstellen en in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat nadere onderbouwing van de stelling dat de onderhavige kosten ten laste van verzoeker zijn gekomen dan de advocaat tot nog toe heeft gegeven, niet kan worden gevergd en acht gronden aanwezig, zulks in afwijking van de schriftelijke conclusie van zijn ambtgenoot van 15 augustus 2011, voor toewijzing van het verzoek, zij het met toepassing van een matiging - daar zijns inziens ten aanzien van reistijd de helft van het uurtarief voor vergoeding in aanmerking komt - in die zin dat het verzoek tot een bedrag van € 63.075,89 wordt toegewezen, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Het hof acht gronden van billijkheid, zoals genoemd in art. 591a Sv, aanwezig. Voorts is het hof - anders dan de AG - van oordeel dat de declaraties van advocaten ten aanzien van reistijd gemaakt in het kader van de behandeling van strafzaken die zonder oplegging van straf of maatregel zijn geëindigd, integraal voor vergoeding in aanmerking komen tenzij deze onredelijk hoog voorkomen, hetgeen naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet het geval is.

Het hof wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 72.979,76.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak terzake van reinigingswerkzaamheden aan gevels: aannemelijk dat verdachte alle nodige maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat afvalstoffen op de bodem zouden komen

Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2013, LJN BZ1152 De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een geldboete van € 325.

Hof: Gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht het hof het aannemelijk dat verdachte alle nodige maatregelen heeft getroffen, zoals het gebruik van een zeil aan de voet van de te reinigen gevels, die redelijkerwijs van haar mochten worden verwacht om te voorkomen dat de afvalstoffen (afkomstig van reinigingswerkzaamheden aan de gevels) op de (onbeschermde) bodem terecht zouden komen.

Tevens neemt het hof daarbij in aanmerking de op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de getuigen-deskundigen H. Mulder en A. Marchant, inhoudende dat Olivine-zand, indien niet vermengd met afvalstoffen, niet schadelijk is voor het milieu.

Voorts is de door de verbalisanten bij en onder de compressor aangetroffen hoeveelheid Olivine-zand vermengd met leidingwater, die de verdachte bij de reinigingswerkzaamheden gebruikte, niet een stof, waarvan verdachte zich wilde ontdoen. Daarmee is de onder compressor aangetroffen hoeveelheid stof niet aan te merken als een afvalstof en kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Zwaardere straf voor flessentrekkerij

Een 40-jarige man is in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en het betalen van een schadevergoeding van bijna 21.000 euro. Het hof acht de man schuldig aan flessentrekkerij: het kopen van goederen op rekening met het oogmerk ze niet te betalen. Eén bedrijf werd hierdoor voor ongeveer 23.000 euro benadeeld. In totaal ging het om een bedrag van ruim 27.000 euro aan niet betaalde goederen. De man uit Rhenen kocht eind 2010 bij drie bedrijven een aanzienlijke hoeveelheid goederen op rekening. Hij beloofde telkens de rekeningen te zullen betalen, maar stelde dit keer op keer uit. De man is eerder ook al voor dezelfde praktijken veroordeeld. Het hof concludeert daarom dat de man al van plan moet zijn geweest om ook deze aankopen niet (volledig) te betalen.

De rechtbank veroordeelde de oplichter in 2011 tot vier maanden cel voor verduistering. Het hof vond dat niet zwaar genoeg. Het hof houdt er in zijn straf rekening mee dat de man handelde uit puur financieel gewin. Ook zijn strafblad voor vergelijkbare zaken heeft het hof bij bepalen van de straf meegewogen.

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^