Rvdr: Niet alleen juridisch kader faillissementsfraude herzien

Voor een versterking van de aanpak van faillissementsfraude is het niet genoeg het juridisch kader te herzien. Minstens zo belangrijk is de prioriteit die wordt gegeven aan opsporing en vervolging van faillissementsfraude.

Dat staat in het Wetgevingsadvies herziening strafbaarstelling faillissementsfraude van de Raad voor de rechtspraak naar aanleiding van het wetsvoorstel dat de strafbaarstelling van faillissementsfraude herziet. Het wetsvoorstel beoogt enerzijds de aanpak van faillissementsfraude eenvoudiger te maken en anderzijds het wettelijk instrumentarium uit te breiden.

Groot belang

De Raad onderschrijft de doelstellingen van het wetsvoorstel. Versterking van de aanpak van dergelijke fraude is van groot belang voor het vertrouwen in het handelsverkeer en voor zuivere concurrentieverhoudingen. In het advies wijst de Raad er wel op dat voor een dergelijke versterking niet kan worden volstaan met alleen een herziening van het juridische kader. Ook de feitelijke aanpak van faillissementsfraude dient te worden versterkt. Naar waarneming van de rechters-commissarissen die met het toezicht op insolventies zijn belast, heeft dit onderwerp momenteel overwegend lage prioriteit bij politie en openbaar ministerie.

Eenvoudiger wetgeving

Voor een voortvarende strafrechtelijke aanpak van faillissementsfraude is van belang dat de wetgeving voor de professionals in de praktijk zo helder en duidelijk mogelijk is. De Raad vraagt zich in dit verband af of het wetsvoorstel daadwerkelijk leidt tot eenvoudiger en betere bruikbare wetgeving. Zo worden bepaalde onderdelen en normen uit de huidige wet die nu al kunnen leiden tot bewijsproblemen (typeringen als ‘verdichten van lasten’ en ‘buitensporige uitgaven’), in het wetsvoorstel gehandhaafd. Ook denkt de Raad dat de introductie in het strafrecht van abstracte normen als ‘zorgvuldig handelen van bestuur’ en ‘vereisten van behoorlijk bestuur’ het bewijzen van faillissementsfraude alleen maar moeilijker maakt.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

'De curator als veredelde opsporingsambtenaar'

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft op 27 november 2012 de Tweede Kamer bericht over zijn voornemen om faillissementsfraude verder aan te pakken. Dit heeft geleid tot het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht op basis waarvan het faillissementsrecht grondig zal worden gemoderniseerd. Het wetgevingsprogramma bestaat onder meer uit een versterking van de rol van de curator, de invoering van de mogelijkheid van een civiel bestuursverbod en de verbetering van het toezicht teneinde misbruik van rechtspersonen te voorkomen. Daarnaast is inmiddels een wetsvoorstel ingediend ter verbetering van de wettelijke mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen faillissementsfraude. Hoewel het wetsvoorstel voor de versterking van de rol van de curator nog niet is ingediend, is wel bekend dat de minister van plan is de curator verplicht te stellen om reële vermoedens van fraude bij de rechter-commissaris te melden. De vraag die dit voornemen oproept, is of de curator met zijn vergaande ‘opsporingsbevoegdheden’ daarmee in wezen een veredelde opsporingsambtenaar wordt die de grenzen van het Wetboek van Strafvordering omzeilt.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude & de rol van de Belastingdienst

Het kabinet staat voor een integrale aanpak van faillissementsfraude waarbij tussen alle betrokken organisaties wordt samengewerkt. Allen dan kan optimaal gebruik worden gemaakt van elkaars capaciteit, informatie, deskundigheid en bevoegdheden. Over de rol van de Belastingdienst bij de bestrijding van faillissementsfraude is veel te zeggen. Voordat Hilverda daartoe overgaat, gaat zij eerst kort in op de omvang en ernst van faillissementsfraude en de verschillende verschijningsvormen. Vervolgens komt de vraag aan de orde hoe het staat met de politieke wil om deze vorm van fraude te bestrijden. De rol en de intrinsieke motivatie van de bij de aanpak van faillissementsfraude betrokken personen en organisaties worden daarna belicht. In dat kader worden de mogelijkheden besproken die de curator, de Belastingdienst en de politie/justitie hebben om deze fraude effectief aan te pakken. Ook de bestaande knelpunten daarbij en maatregelen om die te verminderen, passeren de revue. De maatregelen die moeten worden genomen om de positie van de Belastingdienst bij de bestrijding van faillissementsfraude te versterken worden tevens belicht.

  • Faillissementsfraude en de rol van de Belastingdienst door mevrouw prof. mr. C.M. Hilverda in WFR 2013/1156

Print Friendly and PDF ^

Verdachten faillissementsfraude opgepakt

De FIOD heeft gisteren vier verdachten aangehouden op verdenking van faillissementsfraude. Het gaat om een 46-jarige vrouw en een 56-jarige man uit Helden, een 50-jarige man uit St. Michielsgestel en een 22-jarige man uit Helmond. Zij worden verdacht van het ontvreemden van ongeveer 700.000 euro uit de boedel van een failliet bedrijf dat handelde in teakmeubelen.

De FIOD heeft dinsdag doorzoekingen uitgevoerd in twee bedrijfspanden en drie woningen. Daarbij is beslag gelegd op administratie. Het strafrechtelijk onderzoek, onder leiding van het Functioneel Parket, ging van start nadat de curator aangifte had gedaan. Er is tevens beslag gelegd op banktegoeden en contant geld van verdachten om zoveel mogelijk onrechtmatig verkregen voordeel te kunnen afpakken. Ook zijn op twee locaties hennepplantages aangetroffen. De afhandeling hiervan is overgedragen aan de politie.

Het handelsverkeer berust in belangrijke mate op vertrouwen. Faillissementsfraude ondermijnt dat vertrouwen en brengt de maatschappij schade toe. Daarom treedt de overheid hier tegen op.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude; Inbewaringstelling oud bestuurder gefailleerde vennootschap

Gerechtshof Den Haag 21 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2593

Achtergrond

Artikel 87 lid 1 Fw geeft de rechtbank de (discretionaire) bevoegdheid de inbewaringstelling van de gefailleerde te bevelen “wegens het niet nakomen van verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt, dan wel wegens gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen”. Een van die in de wet genoemde op de gefailleerde rustende verplichtingen is de in artikel 105 Fw neergelegde verplichting van de gefailleerde om zo dikwijls als hij daartoe wordt opgeroepen voor (onder andere) de curator te verschijnen en hem alle inlichtingen te verschaffen. Deze verplichting geldt ingevolge artikel 106 Fw bij het faillissement van een rechtspersoon voor de bestuurders en commissarissen.

Feiten

Bij vonnis van 9 oktober 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage Steel Trading (Rotterdam) B.V. in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R. Kruisdijk tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. R. Wijn, advocaat te Rotterdam, als curator.

Op 25 januari 2013 heeft de rechter-commissaris een voordracht tot het in een huis van bewaring in verzekerde bewaring stellen van geïntimeerde, voormalig bestuurder van Steel Trading, gedaan. Bij beschikking van 13 februari 2013 heeft de rechtbank deze voordracht afgewezen. Tegen laatstgenoemde beschikking heeft de curator hoger beroep ingesteld bij het op 2 april 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift met producties. De curator verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en alsnog de in verzekerde bewaringstelling van geïntimeerde te bevelen. Hij verzoekt voorts de duur van de geldigheid van het bevel te bepalen op één jaar.

Inhoudelijke beoordeling

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat nu geïntimeerde zich op 1 augustus 2012 uit het handelsregister heeft laten uitschrijven als bestuurder van Steel Trading en niet gebleken is van concrete feiten waaruit volgt dat hij nadien nog als bestuurder van de vennootschap is opgetreden, hij niet kan worden aangemerkt als bestuurder in de zin van artikel 106 Fw. De rechtbank overweegt voorts dat het in strijd met de strekking van de Faillissementswet is om bij aanwezigheid van een bestuurder van de failliete vennootschap, zoals in het onderhavige geval, een ander als bestuurder te horen en ingeval van weigering tot het verstrekken van inlichtingen, in verzekerde bewaring te stellen. Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank de voordacht van de rechter-commissaris afgewezen.

De curator kan zich niet met dit oordeel van de rechtbank verenigen. Hij voert aan dat hij geen administratie en/of activa op het vestigingsadres van Steel Trading heeft aangetroffen. De middellijk bestuurder, X, is eerst na de bedrijfsbeëindiging als bestuurder in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven en kan niet verklaren over de gang van zaken binnen Steel Trading voor zijn aantreden, waaronder het verdwijnen van de activa en de administratie van het bedrijf. geïntimeerde, die bestuurder was toen in juli 2011 het pand van Steel Trading werd leeggehaald, beschikt wel over deze informatie. Daarom meent de curator dat hij een rechtens te respecteren belang heeft bij de in verzekerde bewaringstelling van geïntimeerde. Hij wijst erop dat in de rechtspraak en literatuur voldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor zijn standpunt dat iedere persoon die bestuurder is geweest en voor de curator relevante informatie heeft onder artikel 106 Fw moet (kunnen) vallen. Verder stelt hij dat ook omdat mogelijk sprake is van faillissementsfraude het van belang is dat hij in contact komt met geïntimeerde.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt.

De wetgever heeft in artikel 106 Fw het oog gehad op de personen die ten tijde van de faillietverklaring bestuurder of commissaris waren (HR 17 november 1972, NJ 1973,133). Gelet op het doel en de strekking van het artikel dient naar het oordeel van het hof de toepasselijkheid daarvan echter niet te worden beperkt tot deze personen. Het is voor de curator in een faillissement van een rechtspersoon van belang dat hij een aanspreekpunt heeft dat hem inlichtingen kan verschaffen die van belang zijn voor een goede afwikkeling van het faillissement. In beginsel zal dit degene zijn die ten tijde van het faillissement bestuurder was, maar in gevallen als het onderhavige waarbij een bestuurder zich in het zicht van het, al dan niet beoogde, faillissement, heeft doen uitschrijven uit het handelsregister moet het mogelijk zijn om ook die gewezen bestuurder te kunnen oproepen voor het verkrijgen van inlichtingen. Hij zal mogelijk over informatie beschikken die dienstig kan zijn voor de afwikkeling van het faillissement.

Het hof stelt aan de hand van het door de curator overgelegde uittreksel uit het handelsregister vast dat geïntimeerde vanaf 20 juli 2010, althans vanaf 1 juni 2011 tot 1 augustus 2012, bestuurder van Steel Trading is geweest. Per 1 augustus 2012 is Stichting Auto Incasso als bestuurder ingeschreven. X is bestuurder van deze stichting en was daarmee de middellijk bestuurder van Steel Trading. Aan de curator is gebleken dat de bedrijfsactiviteiten van Steel Trading ten tijde van deze bestuurswisseling reeds waren beëindigd en dat er na het leeghalen van het pand in juli 2011, hetgeen onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van geïntimeerde heeft plaatsgevonden, geen activa (en administratie) meer in het bedrijfspand aanwezig waren. Gelet hierop zal de voor de afwikkeling van belang zijnde informatie over de periode dat Steel Trading nog operationeel was – die thans grotendeels ontbreekt – vooral van geïntimeerde en niet, althans slechts in mindere mate, van X kunnen worden verkregen. Daarnaast is mede met inachtneming van hetgeen de curator verder nog heeft aangevoerd - o.a. de (mogelijk paulianeuze) betalingen per bank van Steel Trading aan geïntimeerde en/of aan hem gelieerde vennootschappen, het onderzoek van de FIOD - niet onaannemelijk dat geïntimeerde ook na zijn uitschrijving nog als feitelijke bestuurder van Steel Trading heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat (ook) geïntimeerde dient te worden aangemerkt als bestuurder in de zin van artikel 106 Fw. Op hem rust derhalve de verplichting om alle inlichtingen te verschaffen die voor de afwikkeling van het faillissement van belang zijn. Dit heeft hij, ondanks de herhaalde verzoeken van de curator, tot op heden nagelaten. Om de nakoming van deze verplichting af te dwingen acht het hof het middel van in verzekerde bewaringstelling passend en geboden. Het bevel tot de inbewaringstelling van geïntimeerde zal dan ook alsnog worden gegeven.

Beslissing

Het hof vernietigt de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 13 maart 2013, en opnieuw rechtdoende: beveelt de verzekerde inbewaringstelling in een huis van bewaring van geïntimeerde, bepaalt de termijn van verzekerde inbewaringstelling op ten hoogste dertig dagen; gelast dat geïntimeerde na de tenuitvoerlegging van dit bevel, onverwijld wordt voorgeleid voor de rechtbank, teneinde te worden gehoord; bepaalt de geldigheidsduur van dit bevel op één jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^