'European anti-corruption and police oversight bodies call for the stepping up of the fight against corruption'

On 20 November, OLAF together with 52 other European anti-corruption and police oversight bodies adopted the Paris Declaration. The Declaration calls on European decision-makers to strengthen the fight against corruption. It was adopted by the general assembly of EPAC/EACN and signed by its President, Giovanni Kessler, and by the Director of the French General Inspectorate of the National Police (IGPN). The Paris Declaration calls for:

  • deterrent punishment of crimes of corruption through both custodial and financial punishments and effective systems of recovery of assets;
  • the introduction of a cross-border automatic exchange of financial information for the investigations of crimes of corruption by the law enforcement agencies;
  • the establishment of an appropriate tool at both national and transnational level for the protection of threatened key witnesses and disclosers of crimes of corruption;
  • further intensified co-operation and information sharing between anti-corruption authorities and police oversight bodies in Europe through the newly launched EPAC/EACN communication tool within the Europol Platform for Experts.

Background

The European Partners Against Corruption and the European Contact-point Network against corruption (EPAC/EACN) is a high-level European network of anti-corruption practitioners, composed of more than 70 organisations. EPAC was initiated in 2001 under the auspices of the Belgian Presidency of the European Union and subsequently established in 2004. EACN was formally established in 2008 based on the existing structures of EPAC. OLAF is a member of both EPAC/EACN and its Director-General, Mr Giovanni Kessler, has been its President since 2012.

The signature of the Paris Declaration is taking place within the context of the15th Annual Professional Conference of the EPAC/EACN being held from 18 to 20 November in Paris.

Print Friendly and PDF ^

'Yates Memo: Individual responsibility for corporate fraud'

Begin september publiceerde de U.S. Department of Justice (DOJ) een nieuwe richtlijn voor federale aanklagers die uiteenzet hoe bij corruptie-onderzoeken, waarbij veelal rechtspersonen als verdachte worden aangemerkt, omgegaan zal (moeten) worden met betrokken natuurlijke personen. De DOJ is de laatste jaren zwaar onder vuur komen te liggen voor het uitblijven van de strafrechtelijke vervolging van leidinggevenden en werknemers voor corrumperend gedrag binnen hun bedrijven. Zo ontstond er hevige kritiek op de net voor Kerst 2012 aangekondigde schikking met HSBC. Hoewel aan de bank een boete van USD 1,9 miljard (ongeveer gelijk aan vijf weken winst van de bank) werd opgelegd, zijn in deze zeer omvangrijke witwaszaak geen natuurlijke personen bestraft. Koppen als ‘Gangster Bankers: Too Big to Jail’ prijkten de voorpagina’s. De indruk zou gewekt worden dat de natuurlijke personen die feitelijk het strafbare gedrag plegen of hiervoor verantwoordelijk zijn, hier al te gemakkelijk mee weg komen. Het Yates Memo onderkent de geuite kritiek en roept aanklagers op om (ook) verantwoordelijke natuurlijke personen aan te pakken. In de kern is het in het memo uiteengezette beleid een antwoord op beschuldigingen van klassenjustitie.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'Corruptie: status quo en de toekomst'

De auteurs noemen een aantal recente zaken die passen binnen de trend van een nieuw type financieel-economische strafzaken. Dit type zaken onderscheidt zich door een aantal kenmerken van de klassieke financieel-economische strafzaak. Het betreft zaken waarin – al dan niet naast individuen – (grote) ondernemingen onderwerp van onderzoek zijn, die veelal een internationaal karakter hebben, althans in ieder geval internationale elementen omvatten, waarbij de potentiele financiële gevolgen voor de verdachte rechtspersoon aanzienlijk zijn en waarbij het strafproces – inclusief het voortraject – verschilt van het traditionele vooronderzoek. Voor omkopingszaken geldt bovendien dat de focus van de handhavers in toenemende mate ligt op de actieve zijde, oftewel de omkopers – veelal bedrijven.

 

Deze bijdrage stelt in een high level outline een aantal trends aan de orde dat in dit verband aandacht verdient. Hoewel deze trends zonder meer van betekenis zijn op het terrein van anti-corruptie, overstijgen zij deze focus en verdienen zij aandacht in breder verband. Tevens wordt in deze bijdrage een aantal te verwachten ontwikkelingen beschreven. Bij het schrijven dit artikel is met een schuin oog gekeken naar de praktijk aan gene zijde van de oceaan.

Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op TBS&H.

 

Print Friendly and PDF ^

'Strafrecht als probleemgerichte aanpak van corruptie? Studies naar de responsiviteit van anticorruptiebeleid in Nederland en Roemenië'

Concreet ten aanzien de strafrechtelijke aanpak is de vraag of corrupt gedrag inderdaad het gevolg van een kosten en baten analyse is. In dit artikel proberen de auteurs deze vraag te beantwoorden door een vergelijking te maken tussen twee landen binnen de Europese Unie die zowel wat betreft de omvang van corruptie als het gevoerde anti-corruptiebeleid sterk verschillen: Nederland en Roemenië. Eerst worden kort de verschillen in anti-corruptie beleid tussen de twee landen beschreven. Dat wordt gedaan op basis studies en evaluaties van GRECO (Group of States against Corruption), OESO, de Europese commissie en Transparency International. Vervolgens kijken de auteurs naar de uitkomsten van een studie naar mogelijke oorzaken van corruptie in Nederland en naar mogelijke oorzaken van corruptie in Roemenië. Bij de studies in Nederland en Roemenië waren de auteurs van dit artikel betrokken. Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op TBS&H.
Print Friendly and PDF ^

'Nieuwe wetgeving niet-ambtelijke omkoping: een stap voorwaarts?'

Op 1 januari 2015 is het wetsvoorstel ‘Verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit’ in werking getreden. Volgens oud-minister Opstelten van Veiligheid en Justitie zorgt de combinatie van hoge winsten en verhoudingsgewijs lage straffen ervoor dat het plegen van financieel-economische fraude aantrekkelijk is. Het kabinet wil dat dit tot het verleden gaat behoren en heeft daarom de wettelijke sancties voor financieel-economische criminaliteit aangescherpt en de bevoegdheden voor opsporing en vervolging van dit soort feiten verruimd.

Het is goed om te zien dat de wetgever een einde heeft gemaakt aan de (on)gelijktijdigheidsproblematiek. De giften, diensten of beloften die zijn verleend, aangeboden, aangenomen of gevraagd vallen sinds 1 januari 2015 onder het niet-ambtelijke omkopingsartikel. Ook is een strafverhoging van twee naar vier jaar gevangenisstraf voor het delict actieve en passieve niet-ambtelijke omkoping verdedigbaar. Daarbij zou het de wetgever sieren in het kader van de aanvang van de verjaringstermijnen nader aandacht te besteden aan de ongelijke behandeling van de omkoper en de omgekochte.

Het is verder onduidelijk hoe het nieuwe bestanddeel ‘in strijd met zijn plicht’ zich in de rechtspraak zal ontwikkelen. Bezien moet worden of dit bestanddeel op termijn – net als in de ambtelijke omkopingsbepalingen – een arbitrair karakter krijgt. Ook kan men zich afvragen of het in de toekomst wenselijk is om enkel het aannemen of verlenen van een gift, dienst of belofte strafbaar te stellen. Deze stelling kan worden ingenomen in navolging van onder andere de huidige Deense strafbepaling en met een beroep op enkele commentaren uit de parlementaire geschiedenis. Voor nu volstaat de opmerking dat de nieuwe wetgeving een stap voorwaarts is. Beter een stap in de goede richting dan met grote stappen gauw thuis komen!

Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op TBS&H.

 

 

Print Friendly and PDF ^