Follow-up rapport OECD opsporing en vervolging corruptie in het buitenland

Nederland heeft stappen gezet in de implementatie en handhaving van de OECD Anti-Bribery Convention en de 2009 Anti-Bribery Recommendations. In december 2012 ontving Nederland het derde fase evaluatierapport van de OECD Working Group on Bribery met hierin aanbevelingen over de implementatie en handhaving van de anti-omkoop verdragen. In maart 2015 heeft de Nederlandse staat een update overgelegd aan de OESO over de stand van zaken omtrent de aanbevelingen uit 2012. Naar aanleiding van dit verslag heeft de OESO in een follow-up rapport geconcludeerd dat 11 van de 22 aanbevelingen volledig zijn geïmplementeerd, 6 aanbevelingen zijn gedeeltelijk geïmplementeerd en 5 aanbevelingen zijn niet geïmplementeerd. De OECD Anti-Bribery Convention is opgericht door de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD/OESO) met als doel het verminderen van corruptie in ontwikkelingslanden. Dit wordt gedaan door sancties op te leggen wanneer er sprake is van omkoping tijdens internationale zakelijke transacties, uitgevoerd door bedrijven die gevestigd zijn in de landen die partij zijn bij het verdrag. In totaal hebben 41 landen het verdrag geratificeerd, waaronder Nederland.

De OECD Working Group on Bribery kent een peer review systeem van toezicht die bestaat uit verschillende fasen. Volgens Transparency International kan dit systeem van toezicht gezien worden als de ‘gouden standaard’ voor het toezicht houden op de implementatie en handhaving van verdragen. De aanbevelingen aan Nederland van december 2012 kwamen voort uit het derde fase evaluatierapport.

Op 12 mei 2015 werd het follow-up rapport gepubliceerd waarin de OESO conclusies trekt over de voortgang van de implementatie van de aanbevelingen van dit derde fase evaluatierapport. Hieronder worden de belangrijkste punten weergegeven.

Wat heeft Nederland met de aanbevelingen gedaan? 

Na de publicatie van het evaluatierapport in december 2012 stelde Transparency International-NL dat de OECD in zijn rapport terecht bezorgd was over de inspanningen van Nederland met betrekking tot de actieve opsporing en vervolging van corruptie door Nederlanders of Nederlandse bedrijven in het buitenland. Het aantal onderzoeken en veroordelingen was op dat moment opvallend laag. Het follow-up rapport van de OESO van mei jl. stelt dat Nederland flinke vooruitgang heeft geboekt op het gebied van handhaving. Sinds december 2012 zijn er 7 nieuwe onderzoeken met betrekking tot buitenlandse omkoping gestart, wat het totaal op 16 onderzoeken brengt sinds het inwerking treden van het verdrag. Van deze onderzoeken lopen er nog 10 en zijn er 4 afgesloten. De andere twee onderzoeken, die betrekking hebben op de Nederlandse bedrijven SBM Offshore en Ballast Nedam, zijn afgedaan met buitenrechtelijke schikkingen. Toch kan gesteld worden dat er andere landen zijn die vele malen meer onderzoeken starten en afsluiten dan Nederland. Tevens stelt de OESO dat 24 andere aantijgingen van buitenlandse omkoping niet lijken te zijn onderzocht. Hierin ligt dus nog ruimte voor verbetering.

Nederland heeft zich volgens de OESO ingespannen om de capaciteiten op het gebied van onderzoek en vervolging te verbeteren. Een aantal van deze maatregelen kunnen verder worden ontwikkeld om handhaving verder te verbeteren. De OESO constateert een stijging in de middelen voor het Bureau van de Landelijke Officier van Justitie voor corruptie en de multidisciplinaire teams die onderzoek doen naar buitenlandse omkoping. Daarnaast is op initiatief van het Openbaar Ministerie een forum opgezet waarin alle relevante overheidspartijen informatie kunnen delen en overleggen. Het forum heeft tot nu toe maar één keer de mogelijkheid gehad om bijeen te komen, namelijk in november 2014. En omdat geen van de 7 nieuwe onderzoeken van buitenlandse omkoping een resultaat is van deze proactieve opsporingsinspanningen, wordt deze aanbeveling in deze fase beschouwd als gedeeltelijk geïmplementeerd.

Op het gebied van internationale samenwerking in internationale corruptiezaken is de OESO tevreden over de inspanningen van Nederland om proactieve samenwerking te bevorderen. Dit geldt ook voor de nieuwe instructie voor de opsporing en vervolging van corruptie van ambtenaren in het buitenland, waarin wordt aanbevolen om contact te zoeken met de buitenlandse wetshandhavingsautoriteiten. TI-NL stelde al eerder dat in het tekort aan internationale samenwerking het kernprobleem zit van de talmende opsporing en vervolging.

Op 1 januari 2015 is er in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht een aantal relevante wijzigingen in werking getreden dat betrekking heeft op een aantal van de aanbevelingen uit het evaluatierapport. Deze wijzigingen vereenvoudigen en harmoniseren de strafbare feiten van buitenlandse omkoping; daarbij is het onderscheid tussen verschillende soorten omkopingen weggenomen. Ook worden met deze wijzigingen de maximale straffen verhoogd voor buitenlandse omkoping en valse boekhouding. In de volgende evaluatie fase zal de OESO de gewijzigde wet evalueren.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen is volgens de OESO in het algemeen verbeterd, maar sommige kwesties blijven onopgelost. Nederland heeft opsporingsambtenaren van trainingen voorzien over aansprakelijkheid van rechtspersonen. Daarnaast houdt Nederland gedetailleerde statistieken bij over het aantal vervolgingen van rechtspersonen. Ook de inspanning van de Nederlandse handhavingsautoriteiten om postbusvennootschappen onder de loep te nemen die betrokken zijn bij buitenlandse corruptie wordt door de OESO gewaardeerd, hoewel ook daar nog enkele verbeterpunten zijn geïdentificeerd.

Daarnaast heeft Nederland niet alle aanbevelingen overgenomen die betrekking hebben op bewustmaking en training. De OESO verwelkomt de activiteiten om bewustwording in de publieke sector te vergroten, maar zegt dat er meer gedaan moet worden voor de private sector. TI-NL onderschreef deze aanbeveling om meer te doen aan training en bewustwording binnen de overheid en het bedrijfsleven op het gebied van opsporing van buitenlandse corruptie. Nederland zal zich dus op dit terrein meer moeten inspannen.

De OESO vindt het jammer dat Nederland haar wetgeving nog niet heeft aangepast om de bescherming van klokkenluiders, met betrekking tot buitenlandse omkoping in de publieke en private sector, te vergroten. Het initiatiefwetsvoorstel Huis voor Klokkenluiders is momenteel aanhangig en indien deze wordt aangenomen, kan de OESO deze in de volgende evaluatie beoordelen. Wel heeft Nederland de verplichting opgenomen voor ambtenaren om buitenlandse omkoping te rapporteren.

Tot slot heeft Nederland zich niet voldoende ingespannen om bedrijven op een systematische manier te controleren. Dit om te voorkomen dat bedrijven die veroordeeld zijn voor omkoping in aanmerking komen voor de uitvoering van openbare aanbestedingen.

De Working Group zal in fase 4 de aanbevelingen die niet of maar gedeeltelijk zijn geïmplementeerd opnieuw monitoren.

Bron: Transparency International

 

Voor meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

‘Accountant moet hete aardappel corruptie vastpakken’

Momenteel ontwikkelt de (internationale) wet- en regelgeving op het gebied van corruptie zich sterk. De maatschappij verwacht van organisaties niet alleen dat ze zich conformeren aan de nieuwe kaders, maar ook dat ze zich actief inzetten voor het uitbannen van corruptie. De accountant speelt een belangrijke rol in dit proces. Deze dient zich niet alleen bewust te zijn van zijn (formele) rol, maar tegelijkertijd actief bij te dragen aan het terugdringen van corruptie door een professioneel-kritische instelling en een goed ontwikkelde signaalfunctie. Stapje voor stapje wordt de lat hoger gelegd waar het gaat om het voorkomen van corruptie. Wereldwijd staat er al jarenlang druk op organisaties om hun beleid op dit punt te verbeteren. Ook in Nederland staat het onderwerp nadrukkelijk op de agenda, zeker na geruchtmakende zaken waarin sprake was van omvangrijke schikkingen

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Verdere oprekking begrip ‘ambtenaar’

Gerechtshof Amsterdam 3 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2753 Het hof veroordeelt de directeur van een rechtspersoon (waarvan de gemeente enig aandeelhouder is) die tot taak heeft exploitatie van schouwburg en concertgebouw als ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht tot een werkstraf van 180 uren en een geldboete van €20.000.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping (art. 362 Sr) door van een contractspartij ten behoeve van de exploitatie van de horeca activiteiten een geldbedrag te vragen in ruil voor contractverlenging.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft gesteld dat de verdachte niet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de aan de tenlastelegging ten grondslag liggende artikelen van het Wetboek van Strafrecht, nu de rechtspersoon waarvan de verdachte directeur was - N.V. bedrijf 1 - met het exploiteren van horecagelegenheden geen overheidstaak uitvoerde en voorts geen sprake was van het vereiste toezicht door en verantwoording aan de overheid. In het geval dat de verdachte wel als ambtenaar in genoemde zin is aan te merken, komt de verdachte een beroep toe op afwezigheid van alle schuld vanwege een verontschuldigbare rechtsdwaling en/of feitelijke dwaling omdat het voor de verdachte en voor derden niet kenbaar was dat hij ambtenaar was.

Beoordeling hof

De verdachte is in de periode van 1 oktober 2001 tot begin 2009 werkzaam geweest als directeur van de naamloze vennootschap Maatschappij tot Exploitatie van de bedrijf 4 en bedrijf 9 (hierna: bedrijf 1). De gemeente Nijmegen is enig aandeelhouder van bedrijf 1. De aanstelling was materieel een voortzetting van een eerdere aanstelling van de verdachte als gedelegeerd commissaris bij bedrijf 1 met ingang van 16 januari 2001. Deze aanstelling werd verlengd door middel van een overeenkomst van opdracht inzake interim management tussen bedrijf 1 enerzijds en bedrijf 3 B.V. anderzijds. De verdachte was enig aandeelhouder van bedrijf 3 B.V. Bij het ondertekenen van de overeenkomst was bedrijf 1 rechtsgeldig vertegenwoordigd door betrokkene 1, wethouder van de gemeente Nijmegen, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente Nijmegen als honderd procent aandeelhouder van bedrijf 1, en betrokkene 2, voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van bedrijf 1. bedrijf 3 was rechtsgeldig vertegenwoordigd door de verdachte als haar statutair directeur.

De statutaire doelstelling van bedrijf 1 luidt: “het instandhouden, exploiteren of doen exploiteren van de bedrijf 4 c.a. en het bedrijf 9 ‘bedrijf 9’ c.a., alsmede het bevorderen van culturele activiteiten in de ruimste zin. Zij biedt daarbij zoveel mogelijk een dwarsdoorsnede van podiumkunsten tegen een betaalbare prijs voor een zo breed mogelijk publiek en richt zich daarbij op het bewaren en doorgeven van het cultureel erfgoed, het inspelen op vernieuwende tendensen en het zogenaamde avondje-uit”.

Bedrijf 1 heeft (via haar dochteronderneming bedrijf 9 B.V.) in 2002 een overeenkomst gesloten met bedrijf 2, waardoor de exploitatie van de horeca-activiteiten in het bedrijf 9 en de bedrijf 4 voor rekening en risico van bedrijf 2 kwam. Bij aangetekende brief van 2 januari 2006 is de overeenkomst met bedrijf 2 per 31 maart 2007 formeel beëindigd. In deze brief wordt door de verdachte de intentie uitgesproken om met ingang van 1 april 2007 een nieuwe periode van samenwerking met bedrijf 2 aan te gaan. De brief is ondertekend door de verdachte, als directeur van bedrijf 9. Op 1 november 2006 heeft de verdachte op briefpapier van bedrijf 3, als onderdeel van bedrijf 3, vertrouwelijk een factuur gestuurd aan bedrijf 7, ter attentie van de heer getuige en ten bedrage van €10.799,97, met als omschrijving: “zoals overeengekomen doen wij u hierbij, onze nota ten behoeve van management ondersteuning, volgens onze overeenkomst toekomen.” Deze nota is door bedrijf 2 niet betaald.

Tijdens de vergadering van de RvC op 13 november 2006 is door de verdachte gemeld dat het contract met getuige inmiddels mondeling was verlengd en dat verdachte dacht dat dit een goede zet was, omdat de prestaties goed en de afspraken over de afdracht gunstig waren.

Medio december 2006 heeft verdachte betrokkene 3 van bedrijf 8 benaderd met de vraag of belangstelling bestond om de horeca in bedrijf 9 en de bedrijf 4 te gaan exploiteren per 1 april 2007. Eind december 2006 heeft hij bedrijf 8 een kopie van de overeenkomst met getuige verstrekt en vervolgens heeft de verdachte in diverse gesprekken met betrokkene 3 de nodige toelichting gegeven en inzage gegeven in de omzetgegevens. Op 29 januari 2007 is door de verdachte, namens bedrijf 9, vervolgens een intentieverklaring getekend, onder meer inhoudende dat bedrijf 9 bereid is de lopende overeenkomst met bedrijf 2 welke per 31 maart 2007 afloopt, te beëindigen en een nieuwe overeenkomst te sluiten met bedrijf 8. Op 1 februari 2007 heeft de verdachte op briefpapier van bedrijf 3, als onderdeel van de bedrijf 3, een declaratie gestuurd aan bedrijf 8, ter attentie van betrokkene 3 en ten bedrage van €23.800,00, met als omschrijving: “Zoals overeengekomen doen wij u hierbij, onze nota ten behoeve van management werkzaamheden bij uw onderneming toekomen.” Op 9 februari 2007 heeft de verdachte de exploitatieovereenkomst ter ondertekening aan betrokkene 3 toegezonden. Op 13 februari 2007 heeft de verdachte per e-mail het contract met bedrijf 2 beëindigd. Op 14 februari 2007 heeft betrokkene 3 aan de verdachte laten weten met de inhoud van de exploitatieovereenkomst te kunnen instemmen, maar deze nog niet te kunnen tekenen omdat nog een aantal zaken met getuige diende te worden afgestemd, zoals het over te nemen personeel, de voorraden en eventuele inventaris. Op 15 februari 2007 is het aan bedrijf 8 in rekening gebrachte bedrag van €23.800,00 op de rekening van bedrijf 3 bijgeschreven. Op 27 juli 2007 is bedrijf 1/bedrijf 9 uiteindelijk een cateringcontract met bedrijf 8 aangegaan.

Ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht

Het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van het Wetboek van Strafrecht moet op grond van de geldende jurisprudentie aldus worden uitgelegd dat daaronder tevens is begrepen: degene die onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarmee vallen onder omstandigheden ook medewerkers van geprivatiseerde organisaties met een publieke taak onder het bereik van dit begrip.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte in de ten laste gelegde periode kan worden aangemerkt als ambtenaar in de hiervoor bedoelde zin, dient als eerste te worden vastgesteld of aan de functie die de verdachte vervulde een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarbij is het volgende van belang.

Met ingang van 1 oktober 2001 is bedrijf 1 met bedrijf 3 een overeenkomst aangegaan tot voorzetting van het interim-management van de verdachte, waarbij de verdachte in opdracht van bedrijf 1 is belast met het voeren van de directie in de onderneming van bedrijf 1 en bedrijf 9.

Volgens haar statutaire doelstelling, zoals hiervoor als citaat weergegeven, hield bedrijf 1 zich bezig met het bevorderen van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen. De verdachte was in het bijzonder belast met de uitvoering van het Plan van aanpak N.V. bedrijf 1 2005 en de afspraken zoals vastgelegd in de Budgetovereenkomst 2002-2005 tussen de gemeente Nijmegen en bedrijf 1. De verdachte diende daarbij jaarlijks 250 culturele voorstellingen met een minimum aantal bezoekers per jaar te verzorgen. Tevens was overeengekomen dat de verdachte een reorganisatie zou realiseren conform de geformuleerde doelstellingen in het ‘plan van aanpak 2002-2005’ (onder meer door de reductie van personele lasten en het financieel rendabel maken van het bedrijfsonderdeel Horeca) en dat aanvullende subsidievoorwaarden zouden worden gerealiseerd, voortkomend uit de Cultuurvisie van de gemeente Nijmegen. Een en ander diende te leiden tot een financieel en bedrijfsmatig gezond cultureel bedrijf dat een podium biedt aan professionele kunstdisciplines in Nijmegen.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is het hof van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde uiterlijke kenmerken, sprake is van een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. De verdachte was in de uitoefening van zijn taken gebonden aan de statutaire doelstelling van bedrijf 1, de Budgetovereenkomst 2002-2005 van de gemeente Nijmegen en de Cultuurvisie van de gemeente Nijmegen. De verdachte was niet alleen verantwoordelijk voor de catering van de bedrijf 4 en het bedrijf 9 maar voor de totale exploitatie, ter bevordering van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen en ter realisering van het gemeentelijk cultuurbeleid.

Voorts dient te worden beoordeeld of de verdachte zijn werkzaamheden als directeur van bedrijf 1 onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid heeft verricht. Hierbij gaat het hof uit van het volgende. De gemeente Nijmegen was enig aandeelhouder van bedrijf 1. Bij het aangaan van genoemde managementovereenkomst met de (holding) van de verdachte werd bedrijf 1 vertegenwoordigd door de wethouder van de gemeente Nijmegen en de voorzitter van de RvC van bedrijf 1. Op grond van de overeenkomst diende de verdachte de RvC en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van bedrijf 1 nauwkeurig op de hoogte te houden van alle werkzaamheden en diende hij de RvC en de AVA tijdig de verlangde gegevens en informatie te verstrekken met betrekking tot deze werkzaamheden. Daarnaast was de verdachte aan de RvC en de AVA verantwoording verschuldigd over de wijze waarop hij de werkzaamheden verrichtte.

De verdachte kon als directeur door de AVA worden geschorst en ontslagen. Ook de RvC was bevoegd de verdachte in zijn functie als directeur te schorsen. De leden van de RvC van bedrijf 1 werden door de AVA benoemd, geschorst en ontslagen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, buiten de reguliere vergaderingen om, in het kader van zijn taken regelmatig overleg had met ambtenaren van de gemeente.

Op grond hiervan is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verdachte in de uitvoering van zijn werkzaamheden als directeur van bedrijf 1 onder toezicht en controle van de (gemeentelijke) overheid stond.

Voorgaande vaststellingen omtrent het openbare karakter van en het publieke toezicht en controle op de door de verdachte als directeur van bedrijf 1 verrichtte werkzaamheden leiden tot het oordeel van het hof dat de verdachte in de tenlastegelegde periode kon worden aangemerkt als ambtenaar i.d.z.v. de artikelen 366, 362 en 363 Sr.

Dwaling

Het betoog van de raadsvrouw dat het de verdachte niet bekend was dat hij ambtenaar was, kan niet leiden tot vrijspraak, dan wel ontslag van rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, nu het bestanddeel ‘als ambtenaar’ in de tenlastelegging is geobjectiveerd en derhalve is onttrokken aan enig opzetvereiste.

Bewezenverklaring

Als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf  van 180 uren en een geldboete van €20.000. Het hof bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 4 termijnen van 3 maanden, elke termijn groot €5.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Oprekking begrip ‘ambtenaar’

In 2009 oordeelde de Hoge Raad nog dat een aspirant-hoofdconducteur van de NS niet onder het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van art. 267 Sr en 304 Sr viel. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat de aspirant-hoofdconducteurs kunnen worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat de aspirant-hoofdconducteurs ten tijde van de feiten in dienst waren bij de privaatrechtelijke rechtspersoon N.V. Nederlandse Spoorwegen, niet de hoedanigheid hadden van buitengewoon opsporingsambtenaar en niet waren aangesteld “onder (direct) toezicht en verantwoording van de overheid”.

 

Print Friendly and PDF ^

'Anti-corruptieregelgeving: ook relevant voor de kleine praktijk'

Interview met Arjen Tillema en Marrit Verveld-Suijkerbuijk. Arjen Tillema en Marrit Verveld-Suijkerbuijk zijn als geen ander op de hoogte van anticorruptie-, sanctie- en witwasregelgeving. Als zowel grote als kleinere Nederlandse ondernemingen hiermee te maken hebben, dan zeker ook hun advocaten. Die doen er dus goed aan zich te verdiepen in de bijbehorende wetten en regels, betogen beide advocaten op donderdag 18 juni tijdens een workshop op de eerste Dag van de Ondernemende Advocaat. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

OM vervolgt ambtenaren voor corruptie bij aanbesteding dienstvoertuigen

In het onderzoek naar mogelijke corruptie bij het wagenparkbeheer en de aanbesteding van dienstauto’s voor de politie en defensie zal het Openbaar Ministerie twee politieambtenaren en vier ambtenaren van defensie strafrechtelijk vervolgen. De zaken tegen twee andere politieambtenaren en een defensieambtenaar zijn geseponeerd. De strafrechtelijke onderzoeken tegen hen hebben onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opgeleverd. Op sommige onderdelen kon de verdenking aantoonbaar worden weerlegd en ontkracht. Alle betrokkenen zijn vandaag via hun advocaten op de hoogte gebracht van deze beslissingen.

Giften

Het onderzoek door de rijksrecherche heeft geleid tot een strafdossier over ambtenaren, automobielbedrijven en medewerkers van deze bedrijven. Het gaat in totaal om 47 verdachten. De rijksrecherche onderzocht onder leiding van het Landelijk Parket van het OM verdenkingen van het aannemen van giften, die de ambtenaren opzettelijk gedaan zouden zijn vanwege hun functie en positie.

Goedkoop

Het gaat daarbij om  het goedkoop leasen en huren van  auto’s, korting op onderhoud, het gebruik van tankpassen, aannemen van winterbanden en (verre) buitenlandse reizen, waaronder geheel verzorgde meerdaagse cruises op de Middellandse Zee.

De verdachten hadden soms grote invloed op de aanbesteding van dienstvoertuigen en onderhielden nauwe banden met de autoleveranciers. De aanbestedingen vertegenwoordigen een waarde van honderden miljoenen euro’s.

De bedrijven en hun medewerkers, onder wie directieleden en accountmanagers,  worden verdacht van het verstrekken van giften aan ambtenaren. De vervolgingsbeslissingen over de zaken tegen de bedrijven en medewerkers volgt naar verwachting binnen afzienbare tijd.

De onderzochte aanbestedingen hadden betrekking op de aanschaf van 1667 VW Amaroks met bijbehorend onderhoud voor defensie en 1330 personen- en bedrijfsauto’s per jaar voor de politie.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^