UN Guide for National Anticorruption Strategies

The United Nations Office of Drugs and Crime recently published National Anti-Corruption Strategies: A Practical Guide for Development and Implementation, designed to assist countries considering the drafting (or revision) of a “National Anticorruption Strategy” document as part of an effort to comply with their obligations under the UN Convention Against Corruption (UNCAC). Although the Guide will be formally presented/unveiled at the upcoming UNCAC Conference of States Parties meeting in St. Petersburg, the online version is already available.

 

Print Friendly and PDF ^

'De vage grenzen van het misdrijf corruptie: Overpeinzingen bij een fles wijn'

Soms krijgt een universitair docent een fles wijn cadeau van een student, meestal als dank voor de begeleiding van diens scriptie. Gevoelsmatig zullen velen een dergelijke attentie beschouwen als een volslagen aanvaardbare (en misschien zelfs prijzenswaardige) uitdrukking van waardering voor een prettige samenwerking. Maar gelet op de omschrijving van het delict omkoping (corruptie) in het Wetboek van Strafrecht kan men zich afvragen of strafrechtelijke aansprakelijkheid hier niet op de loer ligt. Daarmee is meer in algemene zin de vraag aan de orde of de grenzen van de strafbaarheid van corruptie in de wet voldoende duidelijk zijn afgebakend en of deze niet te ruim zijn getrokken. Onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de strafbaarstelling zou op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel, dat eist dat het strafbare gedrag in de wet zo duidelijk wordt omschreven dat de burger (in dit geval de docent) zijn gedrag daarop kan afstemmen. De meeste docenten zullen zich echter niet realiseren dat ze zich door het aannemen van de wijn mogelijk schuldig maken aan een misdrijf, waarop ook nog eens een maximale gevangenisstraf van zes jaar is gesteld. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG: OM blijft niet ontvankelijk in vervolging oud-politici Booi en El Hage

Parket bij de Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1794 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft verdachte bij vonnis van 21 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, en de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 december 2013 bevestigd inclusief de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ter zake van de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten.

Middel

In het middel wordt geklaagd over de bevestiging door het hof van de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard ter zake van het onder 8 en 9 tenlastegelegde, nadat het hof aanvankelijk op 13 september 2012 in het kader van een beklagprocedure ex art. 15 Sv de vervolging van verdachte en zijn medeverdachte had bevolen. Waar het in de procedure om draait is of de daarop onder 8 en 9 tenlastegelegde feiten, ten aanzien waarvan het openbaar ministerie door het Gerecht in eerste aanleg op 9 december 2013 niet-ontvankelijk werd verklaard, binnen of buiten de grenzen van het bevel tot vervolging van het hof van 13 september 2012 vallen.

Conclusie AG

 Het openbaar ministerie stelt in de toelichting op het middel dat het de door het hof gegeven vervolgingsopdracht te goeder trouw heeft uitgevoerd, nader onderzoek heeft verricht in het dossier Woning ElHage en op basis daarvan de verdachte heeft gedagvaard voor een aantal feiten welke alle afkomstig zijn uit genoemd dossier. Nu het openbaar ministerie, ook na een opdracht tot vervolging, uiteindelijk de instantie is die een tenlastelegging formuleert, is het met de geformuleerde tenlastelegging niet buiten de vervolgingsopdracht getreden en heeft het terecht niet zijn ogen gesloten voor mogelijke strafbare feiten. Het Gerecht in eerste aanleg zou hebben miskend dat nu een klacht wegens niet-vervolging ertoe dient om onterechte passiviteit van het openbaar ministerie te kunnen corrigeren, het openbaar ministerie een dergelijke vervolgingsopdracht te goeder trouw moet uitvoeren, zeker als het gaat om de bescherming van het algemeen belang. De beslissing van het Gerecht zou daarom ten onrechte, althans niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bevestigd door het Gemeenschappelijke Hof.

Mul en Schalken schrijven dat volgens de tot 10 oktober 2010 geldende Antilliaanse beklagregeling (welke inhoudelijk overeenkomt met de huidige beklagregeling voor de BES-eilanden), het openbaar ministerie de exclusieve bevoegdheid heeft om strafbare feiten aan de rechter voor te leggen. Daarnaast heeft het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel en met name de positieve interpretatie daarvan, de mogelijkheid om beleid te voeren. De wetgever heeft de beslissing omtrent al dan niet te vervolgen echter niet helemaal in handen van het openbaar ministerie gelegd. Er kan ingevolge de hiervoor genoemde beklagregeling worden opgekomen tegen de beslissing van de officier van justitie om een strafbaar feit niet of niet verder te vervolgen en de rechter die een dergelijke beslissing tot niet-vervolging toetst is bevoegd om naast de haalbaarheid ook de opportuniteit van de vervolging te beoordelen. In een uitspraak van 26 juni 1996 overwoog Hoge Raad daaromtrent dat het het openbaar ministerie in beginsel vrij staat om al dan niet tot vervolging over te gaan en om te bepalen welk strafbaar gesteld handelen ten laste zal worden gelegd, maar dat teneinde aan mogelijke bezwaren van belanghebbenden tegemoet te komen in art. 12 Sv (AG: het Nederlandse equivalent van art. 15 Sv BES) aan de belanghebbenden de bevoegdheid is toegekend om, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet, daarover beklag te doen bij een hof. Art. 12 Sv strekt er volgens de Hoge Raad dus toe, om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie aan rechterlijke controle te onderwerpen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat het mede tot de taak van het hof behoort te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld, nu aan het hof een ‘volle beleidstoetsing’ toekomt welke zich volgens de Hoge Raad ook dient uit te strekken tot de wettelijke strafbaarstellingen waarop de vervolging dan moet zien. 

Uit die uitspraak leidt Van der Leij af dat het redigeren van de tenlastelegging en dus het formuleren van de dagvaarding weliswaar moet worden overgelaten aan het openbaar ministerie maar dat recht moet worden gedaan aan het door het hof gegeven vervolgingsbevel en het hof daarin de vervolging dient te bevelen ter zake van het bepaaldelijk, door de klager bedoelde ‘feit waarop het beklag betrekking heeft’. Het hof kan het openbaar ministerie bijvoorbeeld de keuze laten uit een aantal mogelijk in aanmerking komende delicten, maar van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat het van de hem gelaten beoordelingsruimte geen misbruik maakt en dat bij de keuze van het te vervolgen delict de loyale uitvoering van het vervolgingsbevel voorop staat. 

Uit het voorgaande volgt dat in het geval het openbaar ministerie heeft besloten niet tot vervolging over te gaan maar het hof naar aanleiding van een klacht als bedoeld in art. 15 Sv BES alsnog de vervolging van bepaalde feiten heeft bevolen, het in beginsel niet meer aan het openbaar ministerie is om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld. Daaruit vloeit ook voort dat het openbaar ministerie de vervolging niet wegens andere feiten, ten aanzien waarvan het eerder heeft besloten niet tot vervolging over te gaan, in kan stellen. Weliswaar kan de verdachte aan een kennisgeving van niet verdere vervolging door het openbaar ministerie niet zonder meer een rechtens te respecteren vertrouwen kan ontlenen dat hij niet zal worden vervolgd, vanwege het bestaan van de beklagprocedure en de mogelijkheid om bij nieuw bekend geworden bezwaren alsnog tot vervolging over te gaan. Staan blijft echter dat het openbaar ministerie met een dergelijke kennisgeving zijn vervolgingsbevoegdheid prijsgeeft, waarna alleen de rechter nog de bevoegdheid heeft om die beslissing te herzien. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen in volle omvang toetsen en het openbaar ministerie opdragen datgene te doen wat het naar het oordeel van de rechter (en de klager) ten onrechte achterwege heeft gelaten. Het zou in strijd zijn met die rechterlijke bevoegdheid en het bij de verdachte opgewekte vertrouwen, als het openbaar ministerie vervolgens kan beslissen om alsnog toch ook vervolging in te stellen wegens feiten die niet vallen onder het vervolgingsbevel van de rechter en waarvan het openbaar ministerie eerder, door middel van een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft aangegeven niet voor die feiten te gaan vervolgen. 

Voor zover het middel berust op de stelling dat het openbaar ministerie na een beslissing van het hof in de beklagprocedure ex art. 15 Sv BES nog steeds volledige vervolgingsvrijheid heeft teneinde zijn eerdere onterechte passiviteit te kunnen corrigeren ter bescherming van het algemeen belang, faalt het nu het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Die vervolgingsvrijheid wordt wel degelijk beperkt door de eigen beslissing van het openbaar ministerie om niet (verder) te vervolgen en de eventueel daarop volgende beslissing van de rechter in die beklagprocedure. De vervolgingsbeslissing ten aanzien van de desbetreffende feiten ligt dan immers bij de rechter. Dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval zich gedwongen voelde de vervolging te staken en dus ‘ongewild’ de kennisgeving van niet verdere vervolging heeft doen uitgaan, maakt dat niet anders. Gelet daarop geeft het oordeel van het hof dat nu in de beschikking in de beklagprocedure ex art 15 Sv BES door het hof uitsluitend de vervolging is bevolen van de verdenking van hypotheekfraude, het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de onder 8 en 9 op de tenlastelegging vermelde feiten, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft uit de verwijzing in bedoelde beschikking naar rechtsoverweging 2.4 van diezelfde beschikking kunnen afleiden dat uitsluitend de vervolging is bevolen ter zake van de verdenking van hypotheekfraude en het daarmee samenhangende witwassen, hetgeen overigens in cassatie ook niet lijkt te worden betwist.

Het openbaar ministerie had, zoals hiervoor aangeven, wel nog de mogelijkheid om alsnog tot vervolging over te gaan bij nieuw bekend geworden bezwaren (of feiten). Het door het hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg houdt echter in dat van dergelijke nieuwe feiten niet is gebleken, waarbij erop is gewezen dat het openbaar ministerie zelf ook heeft aangegeven dat alle feiten zoals ten laste zijn gelegd in de onderhavige procedure, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren geweest. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk terwijl het in cassatie ook niet (direct) wordt betwist, zodat ik deze eventuele grond voor de betwisting van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verder buiten bespreking laat.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Ambtenaren Stadsbeheer Den Haag verklaren over gesjoemel

Bij de dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag heeft jarenlang een cultuur geheerst waar ambtenaren zich niet aan de regels hielden. Dat beeld komt naar voren uit verklaringen die (oud-)ambtenaren hebben afgelegd in de corruptiezaak van een collega dit jaar. Het was volgens hen onder meer normaal om giften aan te nemen van aannemers die voor de gemeente werkten. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

September belangrijke maand voor corruptie

September 2015 markeert een belangrijke maand in de wereldwijde strijd tegen corruptie, stelt medeoprichter van Transparency International Frank Vogl. Wereldwijd is op nationaal niveau een vergrote aandacht te zien voor de strijd tegen corruptie. Zo begint China aankomend jaar aan het derde jaar van Xi Jinping’s anti-corruptiebeleid, is in Brazilië het onderzoek naar corruptie rondom het nationale oliebedrijf Petrobras begonnen, en gingen vele mensen de straat op in Baghdad om politieke hervorming van het corrupte systeem te forceren. Ook wereldleiders hebben recent aandacht geschonken aan het tegengaan van corruptie. Zo sprak president Obama van de Verenigde Staten op bezoek in Kenia uit dat “nothing will unlock Africa’s economic potential more than ending the cancer of corruption.” Verder schonk premier Cameron van het Verenigd Koninkrijk op bezoek in Singapore aandacht aan corruptie door te stellen dat “the international community has looked the other way for too long. We simply cannot afford to side-step this issue or make excuses for corruption any more. We need to step up and tackle it.” Dit momentum voor corruptie leidt deze maand waarschijnlijk ook tot actie op internationaal niveau.

Op 25 september zullen vele wereldleiders elkaar ontmoeten in New York tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De kans is groot dat ze tijdens deze bijeenkomst de 17 “Sustainable Development Goals” (SDG’s) zullen aannemen. Vele van deze doelstellingen waren al opgenomen in de “Millennium Development Goals” in 2000, maar in de hernieuwde doelstellingen is ook een plaats weggelegd voor de strijd tegen corruptie, iets wat eerder niet het geval was.

Doelstelling 16 bestaat uit meerdere targets, waarvan één is om duurzaam corruptie en omkoping in alle vormen te verminderen. Transparency International zal er wereldwijd alles aan doen om ervoor te zorgen dat deze doelstelling geen lege huls zal worden. Het beëindigen van straffeloosheid bij maatschappelijke misstanden met betrekking tot corruptie is één van de voornaamste toekomstige strategieën van Transparency International op internationaal niveau. Het toevoegen van de strijd tegen corruptie aan de “Sustainable Development Goals” van de Verenigde Naties kan daarvoor een goede stap in de richting zijn.

Het gehele artikel van Frank Vogl uit The Globalist is hier te lezen.

Bron: Transparency International

 

Print Friendly and PDF ^

‘Lessons from the OECD Foreign Bribery Report: The Dark Horse, the Paper Tiger and Chicken Littl’

The OECD Foreign Bribery Report was launched on 2 December 2014 and is a first attempt to measure the crime of bribery of foreign public officials in international business, based on confirmed cases. The Report analyses data emerging from the 427 foreign bribery cases that have resulted in definitive sanctions since the entry into force of the OECD Anti-Bribery Convention in 1999. One of the more startling findings in the report is that some level of corporate management was involved in 41% of cases and in 12% of cases the company’s President or CEO was implicated. From a corporate governance and compliance perspective, this begs the question as to what went wrong and why. In this paper, Leah Ambler draws on specific case studies to examine the failures that led to the company being sanctioned for bribery in international business and how this could have been avoided through strengthened corporate governance and compliance frameworks. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Raad van Europa: Nederland doet te weinig tegen corruptie. Stevige kritiek op Eerste en Tweede Kamer.

Op 18 juni jl. besprak de Groep Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa de mate van uitvoering van de aanbevelingen die GRECO aan Nederland deed ter preventie van corruptie bij het parlement, de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. GRECO heeft in het evaluatierapport (2013) in totaal zeven aanbevelingen gedaan: vier aanbevelingen aan de Nederlandse Staten-Generaal, twee aanbevelingen aan de Rechtspraak en één aanbeveling aan het Openbaar Ministerie. Op basis van de voortgangsrapportage concludeert GRECO dat Nederland inmiddels twee van de aanbevelingen geheel naar tevredenheid heeft geïmplementeerd. Verder zijn twee aanbevelingen gedeeltelijk en drie aanbevelingen nog niet geïmplementeerd. Het eindoordeel van GRECO is daarmee voor dit moment globaal onvoldoende.

GRECO heeft waardering geuit voor de uitvoerige en zorgvuldige wijze waarmee Nederland de aanbevelingen oppakt. Toch wordt in enkele gevallen ruimte voor verdere verbetering gezien. Sommige aanbevelingen beschouwt GRECO daarom nog niet als volledig geïmplementeerd (aanbevelingen 1 en 6). Voor de overige aanbevelingen geldt dat, hoewel sprake is van voortgang, er volgens GRECO nog geen sprake is van zichtbare veranderingen (aanbevelingen 3, 4 en 5). Deze aanbevelingen worden daarom als niet geïmplementeerd beschouwd.

Hieronder een overzicht van de aanbeveling aan het Nederlandse parlement en aan de rechterlijke macht en het oordeel cq de observaties van GRECO daarover. Allereerst inzake het parlement:

  1. 
Opstellen van een gedragscode voor beide Kamers (gedeeltelijk geïmplementeerd);
Met de wijzigingen in de Reglementen van Orde van beide Kamers wordt geconcludeerd dat voor een belangrijk deel wordt voorzien in de implementatie van deze aanbeveling. GRECO merkt echter op dat de beide Kamers (dan wel de politieke partijen) geen regels of richtlijnen hebben rond de omgang van Kamerleden met lobbyisten. Zijn conclusie is daarom dat de aanbeveling slechts gedeeltelijk is geïmplementeerd.
  2. 
Heroverwegen van de regels t.a.v. opgeven van bezit van aandelen/belangen + heroverwegen kring van personen voor wie deze regels gelden (geïmplementeerd); 
GRECO stelt dat met uitbreiding van op te geven belangen door wijzigingen in de Reglementen van Orde en het instellen van registratieverplichtingen naar tevredenheid invulling is gegeven aan deze aanbeveling door de beide Kamers.
  3. 
Toezicht en handhaving bij overtreding van integriteitregels (niet geïmplementeerd);
GRECO is van mening dat de beide Kamers geen substantiële acties hebben ondernomen op het terrein van toezicht en handhaving die bijdragen aan de invulling van deze aanbeveling.
  4. 
Instellen van vertrouwenspersonen + aanbieden van periodieke training op integriteitsbewustzijn (niet geïmplementeerd);
GRECO betreurt dat de Eerste Kamer heeft besloten om geen formele vertrouwenspersoon aan te stellen en stelt tevens vast dat beide Kamers hebben besloten niet te voorzien in periodieke trainingen. Tot slot heeft GRECO kennis genomen van het voornemen tot benoeming van een vertrouwenspersoon voor de Tweede Kamer, maar moest worden geconstateerd dat de benoeming op de dag van behandeling van het rapport nog niet was geformaliseerd. Deze aanbeveling blijft daarmee vooralsnog niet geïmplementeerd.

Ten aanzien van de rechtspraak:

  1. 
Opnemen van een beperking in de wet die voorkomt dat mensen tegelijkertijd het ambt van rechter en Kamerlid kunnen vervullen (niet geïmplementeerd);
GRECO heeft kennis genomen van het feit dat de rechtspraak een werkgroep heeft ingesteld die nader kijkt naar de aanbeveling. Aangezien dit nog niet heeft geleid tot concrete acties, beschouwt GRECO deze aanbeveling als niet geïmplementeerd.
  2. 
Opstellen van richtlijnen op het terrein van integriteit voor rechterplaatsvervangers (gedeeltelijk geïmplementeerd);
GRECO is tevreden met het feit dat veel bestaande regels en richtlijnen voor rechters momenteel ook voor rechter-plaatsvervangers gelden en neemt kennis van het feit dat een werkgroep is ingesteld die evalueert of aanvullende richtlijnen noodzakelijk zijn. GRECO is benieuwd naar de uitkomsten van deze evaluatie en beoordeelt de implementatie daarmee als gedeeltelijk geïmplementeerd.

Ten aanzien van het Openbaar Ministerie:

  1. 
Evalueren van het bestaande integriteitsbeleid bij het Openbaar Ministerie (geïmplementeerd).
GRECO is tevreden over de wijze waarop het Openbaar Ministerie uitvoering heeft gegeven aan deze aanbeveling.

Het eindoordeel globaal onvoldoende brengt met zich mee dat Nederland reeds vóór 31 december van dit jaar opnieuw verslag moet doen van de voortgang van de uitvoering van de nog openstaande aanbevelingen.

Bron: Kamerbrief

 

Print Friendly and PDF ^

'De grens tussen handelen in invloed en corruptie: lobbycratie'

Waar ligt de grens tussen corruptie en het handelen in invloed? Wanneer is er sprake van ontoelaatbare belangenvermenging? Deze vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden. Transparency International Nederland (TI-NL) concludeerde daarom in het rapport “Lifting the Lid on Lobbying – Enhancing Trust in Public Decision-making in the Netherlands” al dat betere regelgeving omtrent lobbyen noodzakelijk is. Ook Dijsselbloem wilde een afkoelperiode voor politici die overstapte naar de bankensector om zo de schijn op belangenverstrengeling te voorkomen.

Lobbyen

Lobbyen is het door gesprekken proberen belangrijke beslissingen te beïnvloeden. Voor belanghebbenden kan lobbyen een rechtmatige manier zijn om invloed uit te oefenen op publieke beleidsvorming en beleidsimplementatie, mits dat integer en transparant gebeurt. Maar het Nederlandse lobbyproces is juist ondoorzichtig, bij gebrek aan noemenswaardige regelgeving. De Nederlandse samenleving heeft weinig inzicht in wie bij wie lobbyt, welke middelen daarbij worden ingezet en wat het doel daarvan is. Omdat zelfs een definitie van lobbyen ontbreekt, blijft de discussie over de wenselijkheid of de regulering ervan steken in algemeenheden.

Daarmee is niet gezegd dat lobbyen steeds in de schaduw plaatsvindt, noch dat de lobbysector klein of stil is. Integendeel: het is een actieve en groeiende sector. De groei van de sector wordt gevoed door het karakter van de Nederlandse politiek, die voortdurend streeft naar brede steun en consensus (het poldermodel). Nieuwe vormen van samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven versterken deze tendens. Deze publiek-private samenwerking stelt nieuwe uitdagingen aan objectieve beleids- en besluitvorming door openbare ambtsdragers en politici. Gevoegd bij het feit dat burgers in het maatschappelijk verkeer verschillende rollen spelen en verschillende petten dragen, ontstaat daarmee een potentieel precaire combinatie, met risico’s voor overmatige of onevenredige invloed op de besluitvorming.

Belangenverstrengeling en nevenfuncties

Draaideurpolitici wekken de schijn van belangenverstrengeling, maar hoe zit het met politici die stemmen over een wetsvoorstel maar tegelijkertijd ook door hun nevenfunctie belang hebben bij dit wetsvoorstel? Jean Wanningen van Follow the Money schreef gisteren het artikel “wanneer gaat de ‘handel in invloed’ over in corruptie?”, over de grens tussen handelen voor het algemene belang en het handelen voor een specifiek belang. Want waarom wordt er geen aandacht besteed aan de belangenverstrengeling in de Eerste Kamer? Hoe kan het dat er in de Eerste Kamer veel lobbyisten te vinden zijn en dat niemand daar van wakker ligt?

In 2013 kreeg Nederland van de Group of States against Corruption (GRECO) aanbevelingen over het verbeteren van integriteit en het voorkomen van belangenverstrengeling binnen het parlement: “There are few rules pertaining to the integrity of Members of Parliament and this topic has traditionally been left to political parties and fractions to deal with, according to their own systems of values and beliefs. The system is reactive, relying mainly on the media to expose misconduct and on the parliamentarian concerned to step down, on his/her own initiative or at the request of his/her political party or fraction. GRECO believes that there is room for improvement and that the Parliament, as an institution, could take on a more proactive role to increase the awareness of its members – many of whom do not have much experience of parliamentary work – towards ethics, integrity and exposure to possible conflicts of interest. It is recommended to develop codes of conduct for Members of both Chambers of Parliament, with their participation, to review current registration requirements as regards interests, assets and liabilities, to ensure supervision and enforcement of the existing and yet-to-be established rules and to extend the guidance and training on ethical matters available to parliamentarians.” Het grootste deel van deze aanbevelingen heeft de Eerste Kamer naast zich neergelegd.

Leden van de Eerste Kamer stemmen over wetsvoorstellen, maar kan dit eigenlijk wel als ze door hun nevenfunctie ook betrokken zijn bij ditzelfde wetsvoorstel? Columnist en journalist Syp Wynia deed onderzoek naar het lobbyen door (ex) politici een artikel over in Elsevier. Hoe kan onafhankelijkheid worden gewaarborgd bij de toetsing van wetgeving op uitvoerbaarheid en consistentie als de fractievoorzitters van de meeste grote partijen ook bepaalde belangen vertegenwoordigen?

Lobbycratie

Niet alleen in Nederland is de invloed van lobbyisten op wetgeving groot, ook in Brussel waar veel voor Nederland relevante wetgeving wordt gemaakt is er volgens politicologe Melissa Dammekens sprake van een grote invloed van lobbyisten. Dagelijks zijn er meer dan 25.000 mannen en vrouwen op pad om de Europese beleidsvoerders te beïnvloeden en zo de Europese wetgeving naar hun hand te zetten. Dit maakt Brussel, na Washington, de hoofdstad met het grootste aantal lobbyisten ter wereld.

Bron: Transparency International Nederland 

 

Print Friendly and PDF ^

Due diligence handleiding ICC: anti-corruptie voor MKB

De International Chamber of Commerce (ICC) heeft een handleiding geschreven voor het MKB om hem te helpen hun due dilligence procedures op orde te krijgen. Zij krijgen immers vaak via grote bedrijven en multinationals ingewikkelde en omvangrijke regels en verplichtingen voor hun kiezen.  Die regels en verplichtingen zijn soms zo omvangrijk dat het MKB onvoldoende kennis en/of resources in huis heeft om hiermee daadwerkelijk uit de voeten te kunnen. Hiermee wordt niet alleen de relatie tussen de bedrijven in de keten op scherp gezet, ook worden mogelijke corruptierisico’s niet daadwerkelijk voorkomen of verminderd.

Om het MKB te ondersteunen heeft de ICC de handleiding ‘Anti-corruption third party due diligence: a guide for small and medium size entities‘ gepubliceerd. Deze legt uit wat due diligence inhoudt, waarom en wanneer het nodig is en hoe het geïmplementeerd kan worden. Ook geeft de handleiding tips en tricks, praktische richtlijnen en een risicocheck en aanbevelingen voor vervolgstappen.

Corruptiebestrijding door het MKB

Het is hoog tijd dat er meer aandacht komt voor corruptiebestrijding en het verkleinen van corruptierisico’s door het MKB. Ons handelsverkeer verplaatst zich immers steeds meer naar regio’s met een hoog corruptierisico. Uit het tweejaarlijkse Global Economic Crime Survey (2014) van PwC blijkt dat de helft van alle ondervraagde ondernemingen zaken doet in landen die door Transparency International als extra gevoelig voor passieve of actieve omkoping worden gekwalificeerd. Dit percentage zal nog stijgen. De Wereldbank schat dat in 2025 de grootste groei van de wereldeconomie zal worden gegenereerd in dat deel van de wereld waar corruptie en vormen hiervan, zoals excessive gifts and hospitality, facilitating payments, etc. (nog) niet zijn weg te denken uit de business omgeving.

Daarnaast heeft het terugdringen van omkopingspraktijken de aandacht van internationale wet- en regelgevers en vormen de strenge sancties vormen een continuïteitsrisico voor ondernemingen. Zoals de ICC ook constateert: “de risico’s bij overtreding [nemen] toe; de Amerikaanse justitie heeft aangekondigd dat zij zich nu zullen richten op internationaal opererende MKB-bedrijven die overtredingen begaan.”

De handleiding

Het MKB kan door middel van deze handleiding:

  • kennis van en vertrouwen hebben in business partners;
  • met deze kennis en vertrouwen verantwoorde investeringen doen;
  • voorkomen dat er vervolging, reputatieschade en/of financiële schade optreedt door betrokkenheid bij mogelijke gevallen van corruptie;
  • een ethisch verantwoord merk ontwikkelen (licence to operate);
  • zekerheid geven aan business partners, met name MNEs, dat het bedrijf ethisch verantwoord opereert.

Sinds 2014 is TI-NL actief bezig geweest met vergroting van de bewustwording van het Nederlandse bedrijfsleven over corruptierisico’s die zij lopen als zij in het buitenland opereren; met name geldt dit voor het MKB. Er valt op dit punt echter nog veel winst te behalen. TI-NL hoopt dat het MKB deze handleiding zal gebruiken, waardoor een bijdrage geleverd wordt aan het creëren van een level playing field.

Hier kunt u de handleiding ‘Anti-corruption third party due diligence: a guide for small and medium size entities’ downloaden.

Bron: Transparency International Nederland

 

Print Friendly and PDF ^

'DOJ Quietly Revises FCPA Resource Guide'

In June, the US Department of Justice (DOJ) and Securities and Exchange Commission (SEC) quietly revised its manual, A Resource Guide to the U.S. Foreign Corrupt Practices Act (the Resource Guide), for the first time. Originally published in November 2012, the Resource Guide provides consolidated guidance on the DOJ’s and SEC’s enforcement policies and their interpretation of the Foreign Corrupt Practices Act (FCPA). Although the changes are more technical than substantive in nature, they do offer some further clarity for the chapters that discuss accounting provisions and criminal penalties.

Changes to Chapter 3, “The FCPA: Accounting Provisions”

  • In reference to an issuer’s responsibility for the books and records of affiliated entities, the revisedResource Guide now refers only to “joint ventures” under the issuer’s control. The prior version made reference to issuers’ liability for the books and records of their “joint venture partners” (p. 43).
  • Under the FCPA, issuers are required to use their influence to causeminority-owned affiliates to devise and maintain a system of internal accounting controls consistent with the issuers’ obligations, which contrasts with the vicarious liability that issuers face for accounting provision violations committed by majority-owned subsidiaries. The revised Resource Guide now better tracks the statute itself to make clear that issuers should use “good faith efforts” to cause their minority-owned subsidiaries or affiliates to implement adequate accounting systems. The prior version required issuers to use “best efforts” (p. 43), which exceeded the requirements of the FCPA’s statutory language.
  • The revisedResource Guide now defines a “minority-owned subsidiary or affiliate” of an issuer as a company where the parent owns “50% or less of [the] subsidiary or affiliate.” The prior version of the Resource Guide defined such a company as one where the parent “owns less than 50% of a subsidiary or affiliate” (p. 43).

These latter two changes modify the Resource Guide’s language to align with the 1988 amendments to the FCPA.

Changers to Chapter 6, “FCPA Penalties, Sanctions, and Remedies”

  • The revised Resource Guide notes that individuals are subject to a maximum fine of $250,000, an increase from the maximum of $100,000 discussed in the prior version. Although the FCPA imposes a statutory maximum of $100,000, individuals may be fined up to $250,000 under the Alternative Fines Act, 18 U.S.C. §3571 (p. 68).
  • The revised Resource Guide notes that, when calculating pecuniary gain under the Alternative Fines Act, a fine of up to twice “the benefit that the defendant obtained” may be imposed. The prior version stated that the maximum penalty under the Alternative Fines Act was twice the benefit “the defendant sought to obtain” (p. 68).

As with the prior version, the revised Resource Guide remains “non-binding, informal, and summary in nature” and is offered to provide information to individuals and businesses seeking to comply with the law. Accordingly, although these technical fixes may help align the Resource Guide more closely with the FCPA’s statutory language, the Resource Guide merely offers the DOJ’s and SEC’s interpretation of the law and their respective mandates for enforcement. Until such time as the courts have an opportunity to weigh in, the FCPA—and the obligations imposed on those that seek to comply—will remain open to interpretation.

Bron: Morgan Lewis

 

Meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^