Wetsvoorstel implementatie EU-richtlijn aanvallen op informatiesystemen ingediend bij parlement

Het Wetsvoorstel dat strekt tot implementatie van de richtlijn 2013/40/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvullen op informatiesystemen is gisteren ingediend bij het parlement. De implementatie van de richtlijn leidt tot enkele aanscherpingen van strafbaarstellingen van computercriminaliteit in het Wetboek van Strafrecht. De wijzigingen betreffen enkele verhogingen van strafmaxima en de toevoeging van een aantal strafverzwarende omstandigheden aan de computerdelicten.

Het kabinet onderkent de toenemende risico’s van cybercriminaliteit en wil dit fenomeen krachtig aanpakken. Zie bijvoorbeeld ook het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van cybercrime (computercriminaliteit III), waarover de Afdeling advisering van de Raad van State advies heeft uitgebracht. De aanpak wordt door de bepalingen uit de richtlijn versterkt.

Hoofdlijnen wetsvoorstel

Voor een groot deel voldoet Nederland al aan hetgeen waartoe de richtlijn verplicht.

In de jaren negentig van de vorige eeuw is het Wetboek van Strafrecht uitgebreid met bepalingen die specifiek zijn toegespitst op strafbare feiten gepleegd door middel van of met betrekking tot geautomatiseerde werken (Wet computercriminaliteit). De Wet computercriminaliteit II bouwde hierop voort. Met die wet werden het Cybercrimeverdrag en het kaderbesluit uit 2005 geïmplementeerd.

Anders dan in het Cybercrimeverdrag, het kaderbesluit en de richtlijn, waar de strafbare gedragingen bij elkaar zijn geplaatst, zijn de strafbaarstellingen van de verschillende vormen van computercriminaliteit verspreid over het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Het betreft in de eerste plaats de computervre- debreuk (artikel 138ab Sr) en de strafbaarstelling van ernstige spam of bom- bing (artikel 138b Sr), die staan opgenomen in de Titel over de misdrijven tegen de openbare orde (Boek II, Titel V). Ook de bepalingen uit die Titel over het aftappen of opnemen van gegevens (artikelen 139ba tot en met 139e Sr) zijn relevant, voor zover het gaat om het aftappen en opnemen van computer- gegevens. Daarnaast gaat het om de artikelen 161sexies en 161septies Sr, waarin de vernieling etc. van geautomatiseerde werken en werken voor tele- communicatie is strafbaar gesteld. Deze bepalingen zijn opgenomen in Boek II, Titel VII, misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht. Verder kan nog gewezen worden op artikel 326c Sr, het listiglijk gebruikmaken van telecommunicatiediensten, ondergebracht in Titel XXV van Boek II over bedrog. Ook Boek II, Titel XXVII, over vernieling, bevat enkele computermisdrijven. Het betreft de artikelen 350a en 350b (beschadi- ging van computergegevens), en 351 en 351bis Sr (beschadiging van werken ten algemenen nutte), voor zover betrekking hebbend op geautomatiseerde werken.

Tot slot valt een aantal gedragingen ook binnen de termen van commune delicten, zoals valsheid in geschrift (artikelen 225 en 226 Sr) en vernieling (artikel 350 Sr).

Met bovengenoemde bepalingen is het grootste deel van de gedragingen, omschreven in de richtlijn, reeds strafbaar gesteld. Alleen artikel 9 van de richtlijn behoeft nog in wetgeving geïmplementeerd te worden. Dat artikel bevat enkele bepalingen over de minimale maximumstraffen die op de ver- schillende gedragingen moeten worden gesteld. Implementatie van dit artikel leidt tot een verhoging van de strafmaat van enkele in het Wetboek van Strafrecht opgenomen computermisdrijven naar een maximale gevangenisstraf van twee jaar. Daarnaast worden ten behoeve van de implementatie van artikel 9 van de richtlijn drie strafverzwarende omstandigheden geïntroduceerd. De maximaal op te leggen gevangenisstraf zal worden verhoogd naar drie jaar wanneer gebruik wordt gemaakt van een botnet, en naar vijf jaar wanneer het strafbare feit ernstige schade ten gevolge heeft of wanneer het feit is gepleegd tegen een geautomatiseerd werk van een vitale infrastructuur.

De implementatietermijn van de richtlijn loopt af op 4 september 2015 (artikel 16 van de richtlijn). Vóór die datum dient de richtlijn door de lidstaten op nationaal niveau te zijn omgezet.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF