Wetgevingsoverleg Wetsvoorstel financieel-economische criminaliteit

Gisteren vond een Wetsgevingsoverleg plaats over het Wetsvoorstel financieel-economische criminaliteit. Met het wetsvoorstel komen er meer mogelijkheden voor de opsporing, vervolging en bestraffing van fraude, omkoping, corruptie en witwassen. Terecht, vinden Van Oosten (VVD) en Recourt (PvdA). Een stap in de goede richting, maar onvoldoende, zegt Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren). De pakkans en de straffen blijven volgens hem te laag. Met Helder (PVV) is hij voor de invoering van minimumstraffen. Niet strenger, maar effectiever straffen, bepleit Berndsen (D66). De minister benadrukt het belang van de afschrikkende werking van een verhoogde pakkans en de dreiging van een zwaardere straf.

De pakkans moet omhoog 

De Kamer en minister onderstrepen het belang van een verhoging van de pakkans. Helder vraagt de minister hoe hij die verhoging wil bereiken. Verbeter in ieder geval de samenwerking tussen de verschillende instanties, zegt Gesthuizen (SP). Berndsen en Van Oosten pleiten daarnaast voor een betere informatievoorziening: het is goed om de pakkans te verhogen, maar daarover moeten dan wel gegevens voorhanden zijn. Opstelten noemt drie instrumenten om de pakkans te verhogen: eenvoudiger delictsom- schrijvingen, langere verjaringstermijnen en een betere inzet van opspo- ringsinstrumenten. Daarnaast breidt hij de capaciteit bij politie en justitie voor fraudebestrijding verder uit.

Flexibel boeteplafond 

De boete voor bedrijven die strafbare feiten plegen wordt maximaal 10% van hun jaaromzet. Een grote stap voorwaarts, vindt Recourt, want de huidige boetemaxima zijn te laag in verhouding tot de soms grote bedragen die met de fraude worden binnengehaald. De verhoudingen waren soms totaal zoek, zegt ook Helder. Berndsen erkent dat, maar vraagt waarom de strafmaxima dan niet gewoon worden verhoogd. De draagkracht van het bedrijf staat voorop, reageert Opstelten. Bij het bepalen van de boete zal worden uitgegaan van de nettojaaromzet in het voorafgaande jaar.

Aandacht voor de bestrijding van witwassen 

Het feit dat iemand over crimineel vermogen beschikt, is volgens de Hoge Raad onvoldoende reden voor een veroordeling. Van Oosten vraagt de minister wat dit betekent voor de bestrijding van witwaspraktijken. De minister vindt het ongewenst dat met de uitspraak van de Hoge Raad veroordelingen onmogelijk worden en criminele winsten ongemoeid moeten worden gelaten. Daarom werkt hij in overleg met het Openbaar Ministerie aan een oplossing, opdat ernstige misdrijven niet onbestraft blijven.

Moties

Tijdens het Wetgevingsoverleg zijn een drietal moties ingediend:

  1. Helder verzoekt de regering om de strafverzwarende grond (recidive) ook te realiseren voor de misdrijven genoemd in art. 1 sub 1 of art. la sub 1 Wet op de economische delicten (Wed) en de overtredingen;
  2. Bontes verzoekt minimumstraffen voor financieel-economische criminaliteit in te voeren;
  3. Berndsen-Jansen verzoekt de verruimde mogelijkheden voor de bestrijding van financieel-economische criminaliteit na drie jaar te evalueren op effectiviteit, uitvoerbaarheid en behaalde resultaten en de Kamer over de uitkomsten te informeren.

Vervolg

De Kamer stemt op 24 juni over het wetsvoorstel en de ingediende moties.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF