Vrijspraak van de tenlastegelegde valsheid in geschrift en nalaten van verstrekken van gegevens nu het (voorwaardelijk) opzet niet bewezen kan worden

Rechtbank Arnhem 30 mei 2013, LJN CA1466

Aan verdachte is ten laste gelegd

Feit 1 

dat zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2000 t/m 26 oktober 2012 te Nijmegen althans in Nederland, (telkens) een controle- en/of mutatieformulier, althans een schriftelijke verklaring aan de Gemeente Nijmegen, dan wel aan het bestuur van die gemeente, zijnde een geschrift dat bestemd om tot bewijs te dienen van het op die/dat formulier(en) vermelde te dienen, althans om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, (telkens) met het oogmerk om die/dat formulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bedoeld valselijk opmaken (telkens) hierin heeft bestaan dat verdachte (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op die/dat formulier(en) heeft ingevuld en/of vermeld, althans te kennen heeft gegeven, dat in de periode waarop dat/die formulier(en) betrekking had(den): er geen wijzingen geweest zijn die van belang (kunnen) zijn voor recht, hoogte en/of duur van de uitkering en/of verdachte het formulier naar waarheid heeft ingevuld, terwijl in werkelijkheid verdachte in de periode waarop die/dat formulier(en) betrekking had(den) een economische eenheid heeft gevormd met en/of een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met en/of heeft samengewoond met medeverdachte en/of (vervolgens) genoemd(e)formulier(en) heeft ondertekend;

Feit 2 

dat zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2000 t/m 26 oktober 2012 te Nijmegen in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Wet Werk en Bijstand (WWB), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegeven(s)aan de Gemeente Nijmegen, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld dat verdachte vanaf 1 augustus 2000 t/m 26 oktober 2012 een economische eenheid heeft gevormd met en/of een (duurzame) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met en/of heeft samengewoond met medeverdachte op de adres(sen), terwijl dit/deze feit(en) kan/kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat/die gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, danwel voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Zij hebben daartoe gemotiveerd aangevoerd dat het (voorwaardelijke) opzet van verdachte ontbreekt.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende volgt dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om valsheid in geschrift te plegen. Tevens kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte opzettelijk (ook niet in voorwaardelijke vorm) heeft nagelaten de benodigde gegevens aan de bevoegde instanties te verstrekken. Zij is meerdere malen door de Sociale Recherche gecontroleerd en heeft (enig) inzicht gegeven in de gevraagde gegevens. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de tenlastegelegde feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF