Vooronderzoek evaluatie van automatische nummerherkenning geheimhoudergesprekken advocatuur

In opdracht van het WODC, daartoe verzocht door de Directie Rechtsbestel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, heeft Dialogic een vooronderzoek uitgevoerd voor de evaluatie van het stelsel van automatische nummerherkenning voor de advocatuur. Het doel van dit stelsel is te voorkomen dat vertrouwelijke communicatie (telefoongesprek, SMS-bericht of fax) tussen een advocaat en zijn cliënt die onder een tap is geplaatst, wordt af- en uitgeluisterd door de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Binnen dit stelsel herkent en filtert het nummerherkenningssysteem dergelijke gesprekken automatisch bij binnenkomst bij de tapfaciliteit van de Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD), Unit Landelijke Interceptie (ULI), waarna deze gesprekken niet meer ter beschikking komen voor de tapkamers van de politie.

Tijdens het vooronderzoek is onderzocht wat de eerste ervaringen met automatische nummerherkenning zijn. Degenen die menen dat het glas half leeg is, onderbouwen dat vooral met de (technische) knelpunten die een effectieve werking van automatische nummerherkenning belemmeren. Daarbij gaat het om:

  1. Problemen rond de gebruikte beveiligingscertificaten belemmeren het beveiligd aanleveren van geheimhoudernummers door geheimhouders (Diginotar, eind 2011);
  2. Een groot aantal (4.000) door de NOvA aangeleverde geheimhoudernummers die onterecht niet toegevoegd zijn aan het filter (begin 2012);
  3. Het real-time uitluisteren van geheimhoudergesprekken bleek door het systeem niet onmiddellijk geblokkeerd te worden (zomer 2012).

Er bestaat verder een interpretatieverschil over het moment waarop een opname vernietigd wordt na herkenning. In de praktijk worden geheimhoudergesprekken wel opgenomen, maar direct ontoegankelijk gemaakt. De vernietiging vindt vervolgens plaats na afloop van het gesprek (door overschrijving). De term ‘blokkeren’ is in het convenant weliswaar bedoeld als ‘niet opnemen’, maar in het systeem geïmplementeerd als ‘voorkomen van kennisneming van het geheimhoudergesprek met een advocaat’.

Degenen die vinden dat het glas halfvol is, wijzen er ondermeer op dat alle convenant- partijen zich probleemeigenaar voelen en dat zij – ondanks de geconstateerde knelpunten – gezamenlijk werken aan een succesvolle implementatie van het stelsel en het systeem. Verder wordt opgemerkt dat het systeem stapsgewijs verbetert en dat daardoor het filteren van geheimhoudergesprekken met advocaten steeds beter gebeurt.

Betrokkenen zien graag de volgende onderwerpen belicht worden in het hoofdonderzoek:

  1. De technische werking en effectiviteit van het systeem van automatische nummer- herkenning, waarbij overlap met eerdere audits voorkomen moet worden.
  2. Het vertrouwen van convenantpartijen in elkaar, in de werking van het systeem, en in het nakomen van afspraken.
  3. De mate waarin het systeem van automatische nummerherkenning de gesprekken die onder het verschoningsrecht vallen daadwerkelijk filtert en vernietigt.
  4. De dekkingsgraad en actualiteit van de geregistreerde en aangeleverde geheim- houdernummers van de advocatuur.
  5. De efficiëntiewinsten die met het stelsel zijn behaald, bijvoorbeeld een verminde- ring van administratieve lasten voor tapmedewerkers.
  6. De kosten en baten van het stelsel, o.a. op het niveau van de advocatenkantoren;
  7. De toekomstvastheid van het stelsel en het systeem, bijvoorbeeld met het oog op nieuwe technologische ontwikkelingen, en de afspraken in het convenant en de verordening.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF