Vervolg alcoholslotprogramma

Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2474

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 26 april 2013 te Wageningen als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar onder meer aangevoerd door de verdachte:

"Het rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR en er is een alcoholslotprogramma opgelegd. Doordat ik geen auto heb, kan ik daaraan niet deelnemen. Bovendien kan ik deelname niet betalen. Ik moet in elk geval 5 jaar wachten voordat ik aanmerking kan komen om mijn rijbewijs terug te krijgen.

(...)

De gevolgen zijn erg groot voor mij. Ik heb hard moeten werken voor mijn rijbewijs en nu raak ik hem kwijt voor de komende jaren. Het CBR geeft aan dat het alcoholslotprogramma is bedoeld om mensen alsnog eerder te kunnen laten deelnemen aan het verkeer."

- door de raadsman van de verdachte:

"De gevolgen van dit incident zijn voor verdachte groot. Het CBR heeft beslist dat hij moet deelnemen aan een alcoholslotprogramma. Hij zit klem en heeft geen enkel zicht wanneer hij zijn rijbewijs terugkrijgt. Subsidiair verzoek ik u daarom een lagere straf op te leggen."

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden. Het Hof heeft ter motivering van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:

"In de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten "Art. 8 WVW 1994 rijden onder invloed auto's en motoren", wordt in de toelichting vermeld dat weigering van de ademanalyse (artikel 163 WVW 1994) in beginsel overeenkomstig schaal IX van de tabel in genoemde oriëntatiepunten wordt afgedaan. Dat komt neer op een geldboete van € 1000,- alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden.

Gelet op het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - acht het hof de in eerste aanleg opgelegde en thans gevorderde straf passend en geboden. Anders dan de raadsman is de voorzitter van oordeel dat reeds in voldoende mate rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte door af te wijken van het hiervoor genoemde oriëntatiepunt."

Middel

Het middel klaagt dat te dezen sprake is van een dubbele vervolging aangezien ter zake van hetzelfde feit én de verdachte de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma (hierna: asp) én tegen hem de onderhavige strafvervolging is ingesteld.

Beoordeling Hoge Raad

HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"4.4. Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen - en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee - dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.

Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure."

Hetgeen de Hoge Raad in dit arrest heeft overwogen met betrekking tot de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, geldt eveneens in zaken als de onderhavige betreffende de weigering van de verdachte mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

Voormeld arrest betreft een onderwerp waarover de feitenrechters in strafzaken - wellicht mede beïnvloed door beslissingen van de bestuursrechter over dit onderwerp -divergerende opvattingen huldigden en dienvolgens tot uiteenlopende beslissingen zijn gekomen. Het arrest van 3 maart 2015 beoogt op dat punt duidelijkheid te verschaffen wat betreft de strafrechtelijke kant van het onderwerp (de strafvervolging). Daags na dit arrest heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak duidelijkheid geschapen wat betreft de bestuursrechtelijke kant van het onderwerp (ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622).

De Hoge Raad realiseert zich dat de uitkomst van deze beslissingen niet zodanig voorzienbaar was dat de procesdeelnemers in reeds aanhangige strafzaken daarmee rekening hadden behoren te houden en daarom in feitelijke aanleg hadden moeten klagen over, kort gezegd, dubbele vervolging. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding om in zaken als de onderhavige waarin vóór 3 maart 2015 uitspraak is gedaan die nog niet onherroepelijk is geworden, te doen wat het hof had behoren te doen, mits (i) tegen de uitspraak tijdig beroep in cassatie is ingesteld, (ii) in de cassatieschriftuur is aangevoerd dat sprake is dubbele vervolging in die zin dat de verdachte ter zake van hetzelfde feit de verplichting is opgelegd tot deelname aan het asp, en (iii) die stelling door de raadsman is gestaafd met bescheiden aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. De onder (iii) genoemde voorwaarde geldt niet indien op grond van 's hofs vaststellingen dan wel op grond van de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het dossier de feitelijke grondslag van het verweer als vaststaand kan worden aangenomen.

Gelet op het weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en op 's Hofs hiervoor onder weergegeven strafmotivering kan in cassatie als vaststaand worden aangenomen dat in de onderhavige zaak aan de verdachte ter zake van hetzelfde strafbare feit de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging van de verdachte ter zake van dat feit niet-ontvankelijk is.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF