Veroordeling wegens uitkeringsfraude: beroep op niet-ontvankelijkheid wegens lager benadelingsbedrag verworpen

Gerechtshof Amsterdam 22 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5413

De verdachte heeft gedurende een lange periode rechtmatigheidsonderzoeksformulieren van de gemeentelijke afdeling Sociale Zaken willens en wetens onjuist ingevuld en zich zo schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. De verdachte heeft verzwegen dat zij samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte. 

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit in de vervolging van de verdachte. Het hof begrijpt de stelling van de raadsman aldus. De verdachte heeft in het kader van de aanvraag van een uitkering voor een alleenstaande onjuiste informatie verstrekt over haar leefsituatie. De verdediging stelt dat de gemeente ondanks deze onjuiste informatie had moeten overgaan tot het verstrekken van een uitkering voor gehuwden of samenwonenden, gebaseerd op de feitelijke samenwoning van de verdachte en haar medeverdachte. Indien de gemeente dit zou hebben gedaan zou het benadelingsbedrag onder de vervolgingsgrens die volgt uit de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude zijn gekomen, aldus de raadsman.

Het hof volgt de verdediging hierin niet. De gemeente baseert zich bij het verstrekken van een uitkering op de ten behoeve van de aanvragen, in dit geval door de verdachte, ingevulde, ondertekende en aan de gemeente verstrekte formulieren en de daarin vervatte informatie met betrekking tot haar leefsituatie.

De stelling van de raadsman dat bij een vermoeden van de gemeente dat sprake is van een andere situatie dan wordt opgegeven het zonder meer op de weg van de gemeente ligt om daarnaar nader onderzoek te verrichten en op basis daarvan een ander uitkeringsbedrag vast te stellen, in dit geval een uitkering voor gehuwden of samenwonenden, vindt geen steun in het recht. Immers, de wet verplicht de ontvanger van een uitkering om de verstrekker hiervan van de juiste gegevens te voorzien. Dat het benadelingsbedrag uiteindelijk – na het voeren van een procedure bij de enkelvoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland (afdeling bestuursrecht) – onder de schadegrens van categorie I als bedoeld in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude is uitgekomen was niet te voorzien. Uitgangspunt voor strafvorderlijk optreden is het benadelingsbedrag zoals in eerste instantie is vastgesteld door de uitkeringsinstantie ten tijde van de vervolgingsbeslissing door het Openbaar Ministerie. Er is dan ook geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Het hof verwerpt het verweer.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof weegt mee dat het netto benadelingsbedrag zoals dat op dit moment is vastgesteld (na verrekening met de uitkering waar de verdachte recht op bleek te hebben) aanzienlijk lager is dan aanvankelijk werd vermoed en laat het zich aanzien dat dat bedrag inmiddels grotendeels is terugbetaald uit de door de verdachte en haar medeverdachte gezamenlijk ontvangen uitkering.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF