Veroordeling wegens het doen van ruim 8.000 valse belastingaangiften voor anderen

Rechtbank Overijssel 13 april 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1837 Verdachte heeft over de jaren 2008 tot en met 2011 ruim achtduizend aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ingediend waarin onjuiste bedragen aan zorgkosten en buitengewone uitgaven waren vermeld. Ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten was verdachte werkzaam bij een financieel adviesbureau en hield hij zich bezig met het verstrekken van adviezen op het gebied van verzekeringen en het doen van belastingaangiftes. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende die periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. De door hem ontvangen vergoedingen heeft verdachte niet opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting over die jaren. Het ontstane belastingnadeel is door de Belastingdienst becijferd op circa € 1.800.000.

Verdenking

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • feit 1: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd door aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te vervalsen of vals op te maken, dan wel al dan niet samen met anderen belastingfraude heeft gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in te dienen;
  • feit 2: al dan niet samen met anderen de Belastingdienst heeft opgelicht door onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in te dienen;
  • feit 3: een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van € 400.000,- dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van dat bedrag;
  • feit 4: zonder vergunning van De Nederlandsche Bank het bankbedrijf heeft uitgeoefend.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie voor de feiten 1 primair, 2 en 4 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Voor feit 1 geldt dat in dit geval niet de strafwetgeving maar dat de belastingwetgeving van toepassing is. De tenlastegelegde gedraging is een actieve handeling; de aangiften die foutief zouden zijn opgemaakt zijn daadwerkelijk ingediend. De feitelijke handeling die verdachte derhalve ten laste wordt gelegd ziet dan ook op artikel 225, lid 2 Sr en niet op artikel 225, lid 1 Sr hetgeen verdachte juist ten laste is gelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 69, lid 2 AWR dient de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een vervolging ter zake van hetzelfde feit. De delictsomschrijving van feit 1 komt in grote lijnen overeen met die van feit 2 en de juridische aard van beide feiten is dezelfde nu beide feiten strekken tot bescherming van het economisch verkeer, terwijl er sprake is van gelijkwaardige straffen en de feitelijke handelingen zien op dezelfde gedragingen.

Ter zake van feit 4 heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het gaat om een verdenking die niet ziet op opzettelijk handelen van verdachte, zodat volgens de wetsgeschiedenis bestuursrechtelijke handhaving van dit feit het uitgangspunt dient te zijn.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Onder 1 primair is verdachte een gedraging zoals bedoeld in artikel 225, lid 1 Sr ten laste gelegd. Artikel 69, lid 4 AWR spreekt over uitsluiting van strafvervolging als de feitelijke handelingen onder art. 69, lid 1 en lid 2 AWR tevens vallen onder de bepaling van artikel 225, lid 2 Sr. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging derhalve wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.

Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat het door de verdediging gevoerde betoog niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Van een vervolging ter zake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr is immers geen sprake, nu met de – gelijktijdig – ten laste gelegde feiten 1 en 2 kort gezegd geen sprake is van een herhaalde vervolging na een onherroepelijke rechterlijke beslissing.

Ten aanzien van feit 4 is de rechtbank eveneens van oordeel dat het verweer van de verdediging geen doel treft. Aan verdachte is onder 4 een opzettelijke gedraging tenlastegelegd.

Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet op het financieel toezicht1 en het boetestelsel financiële wetgeving blijkt dat in een dergelijk geval de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging voorop staat. De versterking van het bestuurlijke boete-instrumentarium is volgens de wetgever ingegeven door overwegingen van efficiency en slagvaardigheid. Geenszins is beoogd de strafrechtelijke weg af te sluiten; evenmin voor niet-doleuze delicten. De strafrechtelijke route blijft openstaan naast de bestuurlijke weg, zoals ook blijkt uit het feit dat met invoering van de betreffende bestuurlijke sancties, de overeenkomstige strafbaarstellingen en strafrechtelijke sancties hun plaats in de Wet op de economische delicten hebben behouden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat mede op basis van de verklaring van verdachte, bewezen kan worden dat verdachte de feiten 1 subsidiair, 2, 3 primair en 4 heeft begaan. Van het onder 1 primair ten laste gelegde dient verdachte te worden vrijgesproken. Verdachte had in alle gevallen een opdracht van de belastingplichtige om een aangifte in te dienen en heeft de aangifte niet buiten hun medeweten om gedaan.

Verdachte heeft gedurende de ten laste gelegde periode bewust onjuist belastingaangiftes van derden ingevuld. In de meeste gevallen heeft verdachte hiervoor een vergoeding ontvangen. Daarnaast heeft verdachte zijn eigen belastingaangiftes onjuist ingevuld.

Verdachte heeft zijn inkomsten verhuld door deels deze in contanten in huis te bewaren en deels als een geldlening uit te zetten onder derden. Er zijn 23 schuldbekentenissen bij verdachte aangetroffen tot een totaal bedrag van € 289.150,-. De verhulling vond daarnaast plaats door het overmaken van vergoedingen die hij voor het doen van de aangiften ontving, op een bankrekening die op naam stond van zijn broer.

Door het uitlenen van gelden aan derden heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan het uitoefenen van een bankbedrijf zonder vergunning.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Samengevat gesteld heeft verdachte volgens de verdediging geen enkele vorm van opzet gehad op het vals dan wel onjuist invullen van belastingaangiften. Verdachte is telkens afgegaan op de aan hem verstrekte informatie over de op te geven buitengewone uitgaven en specifieke zorgkosten. De aangevers hebben daarbij tegen verdachte gezegd dat zij van de gemaakte kosten betalingsbewijzen hadden. Verdachte heeft daarbij vertrouwd op de informatie die hem is gegeven. Verdachte had geen enkel belang bij het doen van een onjuiste aangifte, terwijl de personen die de onjuiste informatie verstrekten, dat juist wel hadden. Uit de van enkele getuigen ontvangen onkostenvergoeding kan bovendien evenmin worden afgeleid dat verdachte enig belang had bij het doen van de onjuiste aangiften, nu de onkostenvergoedingen werden betaald na het doen van de aangiften en de vaststelling door de belastingdienst veel later kwam. Voorwaardelijk verzoekt de verdediging, in het geval de rechtbank tot de conclusie komt dat verdachte met opzet heeft gehandeld, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om ontlastende getuigen te horen.

Wat betreft het tenlastegelegde witwassen heeft de verdediging gesteld dat het in beslag genomen geldbedrag van € 122.330,- diende als inkoop in een horecapand van een vriend van verdachte en dat de herkomst van het bedrag volledig is na te gaan. Het door het Openbaar Ministerie berekende bedrag van € 400.000,- kan niet worden gebaseerd op de verklaringen van een aantal getuigen dat heeft verklaard verdachte een vergoeding te hebben betaald voor het verzorgen van hun belastingaangifte.

Met betrekking tot feit 4 heeft de verdediging tot slot gesteld dat geen sprake is van een bank als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht (Wft). Verdachte had niet als hoofdactiviteit het aantrekken van kapitaal teneinde dit in de vorm van leningen uit te zetten, hetgeen op grond van de Wet op het financieel toezicht wordt vereist. Dat verdachte in een periode van ruim vier jaren negen leningen zou hebben verstrekt, past daar bovendien niet bij. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet een "zetel" heeft zoals bedoeld in de wet.

Oordeel rechtbank

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vier jaren voor mensen uit zijn omgeving elektronische aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bij de Belastingdienst ingediend. In deze aangiften zijn te hoge bedragen aan zorgkosten opgevoerd. Een aantal van de belastingplichtigen – onder wie de in de tenlastelegging genoemde personen – heeft niet alleen verklaard dat de in de aangiften vermelde bedragen niet juist zijn omdat ze niet ziek zijn geweest, maar ook dat zij de in de aangifte vermelde bedragen aan zorgkosten niet aan verdachte hebben opgegeven. Een aantal van de gehoorde personen heeft tevens verklaard aan verdachte een bedrag te hebben betaald voor het invullen van de aangifte.

De teruggaven als gevolg van de negatieve belastingaanslagen zijn telkens uitbetaald op de bankrekeningen van de belastingplichtigen.

Voor het inzenden van aangiften heeft verdachte gebruik gemaakt van de Digi-D-codes van de belastingplichtigen en hij verzond de aangiften zowel vanaf zijn eigen computer als vanaf de computer van zijn werkgever.

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte elektronische aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, waaronder de aangiften op naam van de in de tenlastelegging onder feit 1 primair genoemde personen, valselijk heeft opgemaakt door onjuiste bedragen aan buitengewone uitgaven en specifieke zorgkosten in die aangifte op te nemen.

Het verweer van de verdediging dat verdachte geen opzet had op het vals dan wel onjuist invullen van de belastingaangiften, wordt door de rechtbank verworpen. De in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen hebben consistente verklaringen afgelegd over de in de aangiften vermelde bedragen aan zorgkosten en uitgaven. De rechtbank acht de door de getuigen afgelegde verklaringen consistent, betrouwbaar en redengevend voor het bewijs. De personen verklaren niet alleen ten overstaan van de FIOD maar ook tijdens de verhoren door de rechter-commissaris over de in hun aangiften vermelde bedragen aan zorgkosten dat zij niet ziek zijn, geen dieet volgen en gezond zijn. Zij hebben dan ook geen ziektekosten.

Zij hadden bij het invullen van de aangiften hulp nodig en hebben de hulp van verdachte daarvoor ingeroepen. Verdachte daarentegen heeft enkel ter zitting van 9 februari 2015 verklaard dat hij andere informatie van deze personen kreeg en dat hij het vreemd vind dat zij later verklaren zoals ze hebben gedaan.

Nu niet ter discussie staat dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode van ruim vier jaren de elektronische aangiften van de gehoorde personen heeft ingevuld en bij de Belastingdienst heeft ingeleverd, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op het moment van invullen en toezenden van de belastingaangiften opzet had op het onjuist invullen van de belastingaangiften. De rechtbank acht de verklaringen van de in de tenlastelegging genoemde individuele gevallen ook redengevend voor het bewijs ten aanzien van andere belastingplichtigen.

Het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek om alsnog ontlastende getuigen te horen die de verklaring van verdachte kunnen onderschrijven, wijst de rechtbank als niet noodzakelijk af.

Op basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte dit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan, zodat de rechtbank hem in zoverre zal vrijspreken.

Feit 2

Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij gedurende een periode van ruim vier jaren de Belastingdienst heeft opgelicht. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd, nu de rechtbank niet vermag in te zien waar de in de tenlastelegging beschreven oplichtingsmiddelen uit bestaan. Het feitelijk aan verdachte gemaakte verwijt betreft het bewegen van de Belastingdienst tot afgifte van een of meer geldbedragen door via geautomatiseerde weg elektronische aangiftebiljetten in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat deze feitelijkheid geen oplichtingsmiddel in de zin van de wet oplevert zodat de essentie van het delict niet bewezen kan worden.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geldbedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij wist dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.

Verdachte heeft ten behoeve van diverse personen circa achtduizend belastingaangiften verzorgd. Voor het verzorgen van deze aangiften kreeg verdachte een vergoeding van, naar zeggen van zijn klanten, een bedrag van circa € 50 per aangifte. De door hem ontvangen vergoedingen heeft verdachte niet aangegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering.

Daarnaast zijn bij verdachte drieëntwintig schuldbekentenissen aangetroffen tot totaal van € 289.150. Verdachte heeft derhalve gelden uitgeleend en omgezet. Verdachte rekende voor het uitgeleende bedrag een rentevergoeding van 7% en liet de aflossingen contant betalen of naar een rekening op naam van zijn broer overmaken.

Tevens is onder verdachte een bedrag van € 122.330,- aangetroffen. De verdediging heeft daarover betoogd dat verdachte dit bedrag voorhanden had voor de inkoop in een horecaonderneming van een vriend van verdachte en dat de herkomst van het bedrag volledig kan worden nagegaan nu verdachte een administratie heeft bijgehouden van de bedragen die hij van vele personen in de Syrische gemeenschap heeft gekregen. De rechtbank acht dit geen plausibele verklaring voor het aanwezig hebben van een geldbedrag van deze omvang, temeer nu verdachte eerst ter zitting van 30 maart 2015 deze verklaring geeft.

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte geldbedragen tot in totaal ongeveer € 400.000,- heeft verworven, voorhanden gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat die bedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover het verwerven en voorhanden krijgen van die gelden is aan te merken als afkomstig uit eigen misdrijf, constateert de rechtbank dat door verdachte vervolgens verhullingshandelingen zijn verricht in die zin dat verdachte de door hem ontvangen bedragen meermalen in de vorm van geldleningen aan anderen heeft overgedragen.

Ten aanzien van feit 4

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 april 2011 het bankbedrijf heeft uitgeoefend zonder de daartoe vereiste vergunning. In de tenlastelegging worden daaraan negen geldleningen variërend van € 2.000,- tot

€ 50.000,- ten grondslag gelegd.

Bij de beoordeling van het ten laste gelegde stelt de rechtbank het volgende voorop.

Volgens de definitie van artikel 1:1 van de Wft is een bank “een kredietinstelling als bedoeld in artikel 4 van de verordening kapitaalvereisten met dien verstande dat, tenzij anders bepaald, met een bank wordt gelijkgesteld de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4 ”.

De rechtbank merkt op dat van deze gelijkstelling in casu geen sprake is nu artikel 3:4 Wft slechts betrekking heeft op zogenaamde opt-in banken en beleggingsondernemingen.

Krachtens artikel 4, eerste lid van de verordening kapitaalvereisten wordt onder een kredietinstelling verstaan “een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening”.

Uit de bewoordingen van artikel 4 van de verordening leidt de rechtbank af dat sprake moet zijn van het bedrijfsmatig aantrekken van kapitaal en het vervolgens uitzetten van leningen. Daarvan is volgens de rechtbank op basis van het dossier niet gebleken. Nog daargelaten dat niet vaststaat dat er sprake is van bij het publiek aantrekken van gelden is, met de negen in de tenlastelegging genoemde leningen in een periode van ruim vier jaar, nog geen sprake van een zodanige bestendigheid en frequentie die (moeten worden geacht te) zijn vereist, wil er sprake zijn van een bankbedrijf, zodat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

    • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
    • feit 3 primair: gewoontewitwassen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF