Verdachte heeft, tezamen met zijn medeverdachte, als feitelijk leidinggevende van hun vennootschap bijgedragen aan een grootschalig fraudeverband

Rechtbank Midden-Nederland 30 juni 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2627

Verdenking

De verdenking komt neer op het volgende:

  • Feit 1 primair: dat bedrijf 1 BV in de periode van 21 februari 2000 tot en met 30 december 2002 tezamen en in vereniging met een ander of anderen een samenwerkingsovereenkomst en twee allonges (D-01, D-02 en D-03) valselijk heeft opgemaakt, aan het plegen van welke feiten verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven;
  • Feit 1 subsidiair: dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de periode van 21 februari 2000 tot en met 30 december 2002 een samenwerkingsovereenkomst en twee allonges (D-01, D-02 en D-03) valselijk heeft opgemaakt;
  • Feit 2 primair: dat bedrijf 1 BV in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2011 een bedrijfsadministratie en/of projectadministratie valselijk heeft opgemaakt, aan het plegen van welke feiten verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven;
  • Feit 2 subsidiair: dat bedrijf 1 BV in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2011 tezamen en in vereniging met een ander of anderen een valse winstdelingsovereenkomst (D-04) en 13 valse facturen voorhanden heeft gehad door deze op te nemen in de bedrijfsadministratie, aan het plegen van welke feiten verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven;
  • Feit 3 primair: dat bedrijf 1 BV in de periode van 14 december 2001 tot en met 31 december 2004 een geldbedrag van €34.809.649, althans €8.812.639 en €3.217.788 heeft witgewassen, aan het plegen van welke feiten verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven;
  • Feit 3 subsidiair: dat verdachte in de periode van 14 december 2001 tot en met 31 december 2004 tezamen en in vereniging met een ander of anderen een geldbedrag van €34.809.649, althans €8.812.639 en €3.217.788 heeft witgewassen.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, in eerste instantie omdat bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij niet (verder) zou worden vervolgd. Dit komt door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen, aldus de raadsman. De overschrijding van de redelijke termijn in samenhang met voornoemd op- gewekt vertrouwen, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een duidelijke en ondub- belzinnige beslissing van het Openbaar Ministerie dat er niet tot vervolging zal worden overgegaan.

De vraag dient derhalve beantwoord te worden of er op enige andere wijze bij verdachte een aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, opgewerkt vertrouwen is gewekt dat er geen verdere vervolging zou plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat op generlei wijze is gebleken of voldoende concreet gesteld dat de uitlatingen in de pers en in het boek “De Vast- goedfraude” zijn toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie, zodat daarin geen basis voor dat vertrouwen kan worden gevonden. De brief van 18 april 2008, verzonden door officier van justitie mr. Zweers is naar het oordeel van de rechtbank onhandig geformuleerd (misschien zelfs wel feitelijk onjuist), maar een te honoreren vertrouwen dat niet verder vervolgd zou worden kan hieruit niet worden afgeleid. Van niet-ontvankelijkheid om deze redenen kan dan ook geen sprake zijn.

De overschrijding van de redelijke termijn kan evenmin, ook niet in com- binatie met het vorenstaande, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden.

Vervolgens heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit, omdat hij vraagtekens plaatst bij de authenticiteit van een document dat in het dossier is gevoegd, te weten D-171. De raadsman wijst er daarbij specifiek op dat enkele delen tekst van dit (gekopieerde) document voorzien zijn van een gestippelde achtergrond waardoor hij zich afvraagt of delen van het (originele) document zijn ‘geknipt en geplakt’.

De rechtbank ziet evenwel geen enkel aanknopingspunt om aan de juistheid van dit document te twijfelen. Zij merkt daartoe op dat ook zij heeft waar- genomen dat enkele delen tekst van dit document zijn voorzien van een gestippelde achtergrond maar dat dat niet geldt voor andere delen, waaronder het registratienummer van de Kamer van Koophandel, genoemd op het document. Dat nummer komt overeen met het registratienummer van de in het document genoemde BV. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanleiding te veronderstelling dat dit document niet authentiek zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweer dient te worden ver- worpen.

Ten slotte heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit ten aanzien van feit 2 subsidiair, gelet op de vervolgingsuitsluitingsgrond ex artikel 69 lid 4 AWR. De rechtbank komt niet aan bespreking van dit verweer toe, omdat dit betrekking heeft op het subsidiair ten laste gelegde en hierna reeds het primair onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Feitelijk leidinggeven

Verdachte was directeur van bedrijf 1 BV en bedrijf 2 BV gedurende de in de bewezenverklaring genoemde periodes. Verdachte heeft namens bedrijf 1 BV ook diverse overeenkomsten, waaronder de samenwerkingsovereenkomst met maatschappij 1, de winstdelingsovereenkomst met onderneming en de eerste allonge ondertekend. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 BV gedurende de periode dat hij directeur was.

Medeverdachte is per 1 juni 2000 directeur geworden van bedrijf 1 BV, maar werkte daarvoor, in ieder geval vanaf het moment van zijn groot- aandeelhouderschap al nauw en bewust samen met verdachte in het feitelijk leidinggeven aan bedrijf 1 BV. Zowel verdachte als medeverdachte heeft verklaard dat zij elkaar op de hoogte hielden van wat er gebeurde en medeverdachte is ook bij besprekingen waarbij bedrijf 1 was betrokken aanwezig geweest. Daarnaast was medeverdachte aandeelhouder van bedrijf 1 BV en had hij in die hoedanigheid invloed op de beslissingen die werden genomen. Ook was reeds voor aanvang van de ten laste gelegde periodes bekend dat medeverdachte de beoogd opvolger was van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat medeverdachte en verdachte als medeplegers van feitelijk leidinggeven kunnen worden aangemerkt voor de ten laste gelegde periodes tot aan het moment dat zij hun functie als directeur hebben neergelegd, te weten 29 december 2006.

Valsheid in geschrifte

Bedrijf 1 BV heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met maat- schappij 1 voor de gezamenlijke ontwikkeling in drie fasen van een drietal percelen, waaronder het terrein. In deze samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat bedrijf 1 BV 50% van het ontwikkelingsresultaat zou genieten.

Daarnaast sloot bedrijf 1 BV een winstdelingsovereenkomst met onderneming BV, een BV van B. bedrijf 1 BV deelde op basis daarvan de door haar gemaakte winsten voor 1/3 met onderneming BV.

Onderneming BV had met betrekking tot deze betalingen van bedrijf 1 BV op haar beurt een winstdelingsovereenkomst met bedrijf 4 BV, een BV van C. onderneming zond 75% van het door haar ontvangen bedrag door aan bedrijf 4 BV, terwijl ook daartegenover geen aantoonbare of gebleken tegenprestatie of schuld bestond.

C was namens maatschappij 1 de contractpartner met bedrijf 1 BV en vertegenwoordigde maatschappij 1 als directeur. Hij onderhandelde met bedrijf 1 BV over de samenwerkingsovereenkomst en de daarop volgende allonges.

De rechtbank stelt verder vast dat de hiervoor genoemde machtiging van bedrijf 1 BV aan de notaris (D-171) op dezelfde dag is opgesteld als de samenwerkingsovereenkomst met maatschappij 1 (D-01), te weten 21 februari 2000.

De rechtbank is van oordeel dat de samenwerkingsovereenkomst en de twee bijbehorende allonges vals zijn. Hetgeen in de samenwerkingsovereenkomst staat is onjuist, omdat -gelet op de hierboven omschreven constructie tussen genoemde BV’s c.q. personen- bedrijf 1 BV niet 50% van de winst toekwam. Daarnaast werd een wezenlijk onderdeel van de totale overeenkomst voor maatschappij 1 verzwegen; namelijk het onderdeel dat een groot deel van de door maatschappij 1 aan bedrijf 1 BV te betalen gelden terecht zouden komen bij C, een werknemer van maatschappij 1. Ook de twee allonges zijn om deze reden vals.

De verklaring van verdachte dat hij tot het aangaan van deze winstdelingsovereenkomst met B is overgegaan omdat hij een enorme dreiging van B voelde bij de ontwikkeling van het project project, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Waarom B voor bedrijf 1 BV een dreiging vormde is op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk geworden.

De stelling van verdachte dat het hem niet bekend was dat de door bedrijf 1 BV aan onderneming BV betaalde gelden, werden doorbetaald aan bedrijf 4 BV acht de rechtbank eveneens volstrekt onaannemelijk. In het dossier bevindt zich een getekende machtiging van bedrijf 1 BV aan notaris (D-171) alsmede een concept winstdelingsovereenkomst tussen bedrijf 1 en bedrijf 4 BV (D197). Daaruit volgt dat (in eerste instantie) een intentie bestond de door bedrijf 1 BV te behalen winst in het project project te verdelen tussen bedrijf 1 BV en bedrijf 4 BV (van C) maar dat later is besloten dat deze betalingen via onderneming BV zouden gaan lopen. Aan de stelling van verdachte dat hij van deze (uiteindelijke) doorbetaling aan bedrijf 4 BV niet op de hoogte was, kan de rechtbank dan ook geen geloof hechten.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachten bewust essentiële informatie voor maatschappij 1 hebben achtergehouden en in de overeenkomsten bewust een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven. Zij komt dan ook tot het oordeel dat verdachten het oogmerk hebben gehad deze valse overeenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken.

Witwassen

Het delict witwassen is bij wet strafbaar gesteld per 14 december 2001. De rechtbank zal in de bewezenverklaring daarom alleen de facturen betrekken die na 14 december 2001 zijn betaald door bedrijf 1 BV.

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat de geldbedragen die maatschappij 1 heeft betaald aan bedrijf 1 BV (deels) van misdrijf afkomstig zijn door de gepleegde valsheid in geschrifte. bedrijf 1 BV heeft verschillende bedragen door middel van valse facturen doorbetaald aan BV’s op basis van afspraken die met maatschappij 1 zijn gemaakt. De rechtbank begrijpt dat de afspraken ten grondslag liggend aan deze betalingen met C zijn gemaakt.

Door valse facturen te betalen, wordt de herkomst van het geld verhuld en wordt beoogd dit geld in het financieel verkeer te brengen als zijnde eerlijk verkregen geld. De rechtbank is van oordeel dat bedrijf 1 BV het volgende geldbedrag heeft witgewassen, te weten het totaal van de geldbedragen betaald na 14 december 2001 aan bedrijf 6 BV,bedrijf 9 BV, bedrijf 7 BV, bedrijf 8 BV en notariskantoor notaris. Dit betreft een bedrag van €4.034.632. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook tot dat bedrag wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 primair

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de zinsnede betrekking hebbend op de winstdelingsovereenkomst, omdat het de rechtbank niet duidelijk is geworden waar de (materiële en/of intellectuele) valsheid van deze overeenkomst uit bestaat.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair en feit 2 primair: telkens: valsheid in geschrift, terwijl de schuldige daaraan feitelijk leiding heeft gegeven;
  • Feit 3: witwassen, terwijl de schuldige daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Verdachte heeft, tezamen met zijn medeverdachte, als feitelijk leiding- gevende van hun vennootschap bijgedragen aan een grootschalig fraudeverband.

Op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen maatschappij 1 en deze vennootschap van verdachte en zijn medeverdachte werden door maatschappij 1 grote bedragen betaald aan deze vennootschap. Op basis van een bewust voor maatschappij 1 verzwegen winstdelingsovereenkomst kwam een deel van dit geld uiteindelijk terecht bij onderneming en bedrijf 4. Daarnaast is door verdachte en zijn medeverdachte op basis van valse facturen geld overgemaakt aan ondernemingen die zijn te herleiden tot de directeur, en andere werknemers van maatschappij 1. Ook dit is voor maatschappij 1 verzwegen. Al deze personen hebben zich wederrechtelijk en ten nadele van maatschappij 1 met gelden van maatschappij 1 verrijkt. maatschappij 1 is door voornoemde constructie dan ook ernstig benadeeld.

Strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een geheel voorwaardelijke straf dan wel een taakstraf op te leggen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Ook de medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Print Friendly and PDF