Overnameconflict tussen strafrechtadvocaten

Beslissing van de Raad van Discipline van 20 augustus 2013 in de zaak 13-010A 

Klaagster staat vanaf medio september 2010 de heer B bij in een strafzaak. Deze zaak is op 30 en 31 januari 2012 voor de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam behandeld. De officier van justitie heeft aan het slot van die behandeling een gevangenisstraf van 18 jaar geëist.

Op 7 februari 2012 om 15:53 uur heeft een secretaresse van het kantoor van verweerder een e-mail met als onderwerp “tel notitie B” aan verweerder gestuurd. In die e-mail heeft zij geschreven: “Deze meneer belde vanmorgen. Zit vast in PI X. Is een zaak uit 2010 was gisteren in de media vanwege de inh. behandeling. (…) Hij wordt nu bijgestaan door klaagster. (…) Hij is niet helemaal tevreden met zijn huidige advo. Hij wil de uitspraak afwachten en indien hij besluit in hb te gaan, vraagt hij of je hem pro deo wil bijstaan. (…) Hij probeert vanmiddag terug te bellen, maar hij vraagt of er misschien ook een terugbelverzoek voor hem geplaatst kan worden.” De naam van de secretaresse heeft verweerder in  de print van de e-mail die hij in het kader van zijn verweer aan de deken heeft gestuurd onleesbaar gemaakt.

Op 7 februari 2012 heeft verweerder B telefonisch gesproken.

Op 14 februari 2012 heeft de rechtbank Amsterdam aan B een gevangenisstraf van 10 jaar opgelegd.

B heeft een, ongedateerde, schriftelijke verklaring opgesteld waarin hij – samengevat weergegeven – schrijft dat hij op 14 februari 2012 van een medewerker van de PI opdracht heeft gekregen het telefoonnummer van verweerder te bellen. Klager heeft verweerder toen opgebeld. Verweerder heeft hem gezegd dat hij de zaak wilde overnemen, ook omdat het een mediazaak was, waarop B verweerder heeft gezegd dat hij zijn eigen advocaat wilde houden waarop hij de telefoon heeft gegeven aan een medegedetineerde, R, aldus nog steeds de verklaring van B.

Op 17 februari 2012 heeft R een schriftelijke verklaring opgesteld waarin hij schrijft dat terwijl B aan de telefoon zat met verweerder, B hem riep en hij (R) het gesprek heeft overgenomen. Verweerder heeft R gezegd de zaak van B graag te willen overnemen, ook omdat het een mediazaak is. R heeft dit verzoek aan B voorgelegd, waarop B heeft gezegd dat hij bij klaagster blijft, ze is een topadvocaat. R heeft dit doorgegeven aan verweerder, waarna verweerder de verbinding heeft verbroken, aldus de verklaring van R.

Bij brief met bijlagen van 22 februari 2012 heeft klaagster zich bij de deken beklaagd over verweerder.

Klaagster heeft verweerder bij brief van 11 juni 2012 verzocht aan de PI waar B verblijft toestemming te geven om de registratie van inkomende en uitgaande telefoongesprekken aan haar en aan verweerder ter beschikking te stellen. Verweerder heeft zijn medewerking aan dit verzoek onthouden.

De deken heeft verweerder bij brief van 26 juli 2012 het volgende geschreven: “klaagster verzoekt verweerder zijn toestemming te verlenen aan de PI om telefoongegevens aan hem en klaagster te verstrekken, aan de hand waarvan kan worden nagegaan wat nu precies de gang zaken is geweest op 7 februari 2012. Ik verzoek verweerder mij te berichten of hij bereid is bedoelde toestemming te verlenen. Mocht hij daartoe niet bereid zijn, dan verneem ik graag wat zijn bezwaren zijn. (…)”.

Verweerder heeft bij brief van 14 september 2012 gereageerd op de brief van de deken van 26 juli 2012. Als reden voor zijn weigering heeft verweerder gegeven: “Het beroepsgeheim van advocaten is absoluut. De advocaat dient nimmer en onder geen enkel beding medewerking te verlenen aan schending van dat beroepsgeheim. Het is een ieder en uiteraard ook de justitiële autoriteiten verboden om inbreuk te maken op het absolute beroepsgeheim van advocaten. Dit geldt ook voor Penitentiaire Inrichtingen. Ook die dienen te waarborgen dat het contact tussen een advocaat en een gedetineerde vertrouwelijk blijft en derhalve dienen dergelijke gesprekken niet te worden opgenomen, indien toch opgenomen onmiddellijk te worden vernietigd, en zeker niet te worden bewaard of opgeslagen. Ik acht dan ook het opnemen en bewaren van telefoongesprekken tussen een gedetineerde en een advocaat, in casu ondergetekende, contra legem.”

De deken heeft klaagster vervolgens bij brief van 25 september 2012 verzocht of zij – kennisnemend van de inhoud van de brief van verweerder – nog steeds staat op doorzending van haar klacht aan de raad. Klaagster heeft bij brief van 17 oktober 2012 de deken bericht dat zij haar verzoek om doorzending van de klacht handhaaft.

B was ten tijde van de mondelinge behandeling van de klacht nog steeds cliënt van klaagster.

Klacht

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) hij B in de PI heeft benaderd zonder haar voorafgaande toestemming met als doel de behandeling van de strafzaak van B van haar over te nemen;

b) hij ten onrechte – met een beroep op zijn beroepsgeheim – zijn medewerking heeft geweigerd aan het opvragen bij de PI van een overzicht met data en tijstippen van binnenkomende en uitgaande telefoongesprekken in de periode 31 januari – 14 februari 2012.

Verzoek klaagster getuigen te horen

Klaagster heeft de raad ter zitting verzocht de zaak aan te houden teneinde haar cliënte B, medegedetineerde R en de secretaresse van verweerder te horen.

Beoordeling

Verzoek klaagster getuigen te horen

Het verzoek van klaagster getuigen te horen wijst de raad af. Van de getuigen die klaagster wenst te horen zijn verklaringen overgelegd. Daarbij merkt de raad op dat hij de e-mail van de secretaresse van verweerder van 7 februari 2012 als een verklaring van hem/haar aanmerkt, nu hij/zij daarin het telefoongesprek met B weergeeft. Gelet op deze reeds overgelegde verklaringen ziet de raad geen aanleiding hen nader te horen. Klaagster heeft ook niet aangevoerd wat deze getuigen nader zouden kunnen verklaren dan dat zij al in hun schriftelijke verklaringen hebben verklaard. Het verzoek van klaagster is daarbij te algemeen en onvoldoende gespecificeerd.   De raad zal de schriftelijke verklaringen hierna in zijn oordeel betrekken.

Ad klachtonderdeel a)

Ten aanzien van eerste klachtonderdeel, inhoudend dat verweerder een poging heeft gedaan B ertoe te bewegen afscheid te nemen van klaagster en zich verder door hem te laten bijstaan, oordeelt de raad als volgt. De juistheid van de feiten waarop dit klachtonderdeel berust zijn niet komen vast te staan. De verklaringen van B en R zijn gemotiveerd weersproken door verweerder en staan lijnrecht tegenover de weergave van het telefoongesprek dat de secretaresse van verweerder met B heeft gehad in de e-mail van 7 februari 2012. De raad ziet geen aanleiding meer gewicht toe te kennen aan de verklaringen van de gedetineerden B en R dan aan de verklaringen van verweerder en zijn secretaresse.

Klachtonderdeel a is ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

De raad overweegt het volgende ten aanzien van het tweede klachtonderdeel, dat ziet op de weigering van verweerder zijn medewerking te verlenen aan het opvragen bij de PI van een overzicht van binnenkomende en uitgaande telefoongesprekken. Ingevolge gedragsregel 37 geldt dat, bij een tuchtrechtelijk onderzoek of een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek of een aan de deken opgedragen controle verband houdt, de advocaat tegen wie het onderzoek of de controle gericht is, verplicht is alle gevraagde inlichtingen aanstonds te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen. De raad stelt voorop dat de deken verweerder niet heeft verzocht zijn medewerking te verlenen aan het formuleren van een verzoek aan de PI de telefoongegevens uit de betreffende periode vrij te geven. Verweerder heeft dus niet in strijd met gedragsregel 37 gehandeld door zijn medewerking aan het verzoek van klaagster te onthouden omdat gedragsregel 37 ziet op verzoeken om medewerking gedaan door de deken.

De raad dient vervolgens te beoordelen of verweerder anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn medewerking te weigeren aan het opvragen van de telefoongegevens van 7 februari 2012 bij de PI. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat de PI geen gegevens had mogen registreren van telefonische contacten tussen gedetineerden en geprivilegieerden, zoals hijzelf, en dat hij daarom zijn medewerking aan het verzoek van klaagster heeft onthouden. De raad oordeelt dat deze opstelling van verweerder niet onredelijk en daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

De raad van discipline verklaart de klachtonderdelen ongegrond.

Lees hier de volledige beslissing.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF