'Omkering van de bewijslast: de bal ligt eerst bij de inspecteur'

In een uitspraak van Hof Den Bosch in een KB-Lux zaak had de inspecteur op grond van saldo-informatie op 31 januari 1994 aanslagen opgelegd over diverse voorafgaande en latere jaren. Omdat de zwartspaarder in kwestie de inkomsten uit vermogen niet had opgegeven, keert de inspecteur de bewijslast om. Het Hof overweegt dat dat niet voor alle jaren opgaat: voor de jaren ná 1995 staat immers helemaal niet vast dat het geld nog steeds op de rekening stond en deze belastingplichtige (dus) ten onrechte geen vermogensinkomsten had opgegeven.

Als dat niet vaststaat, is niet zeker of de belastingplichtige ‘niet de vereiste aangifte’ heeft gedaan, de reden voor de omgekeerde bewijslast. De bewijslast over de latere jaren blijft dus bij de inspecteur liggen, die dat bewijs vervolgens niet kan leveren.

Bijzonderheid in deze zaak was wel dat het om een spaarder ging met een saldo van slechts fl. 20.000 in 1994, terwijl de rekening in 1995 was opgeheven. De hoofdregel blijft echter staan: als de inspecteur niet aannemelijk maakt dát er (aanzienlijk) meer inkomsten zijn genoten en dus niet de vereiste aangifte is gedaan, kan de bewijslast niet worden omgekeerd.

Ook de Hoge Raad heeft deze regel recentelijk nog eens bevestigd. De feiten in die casus liggen als volgt: een belastingplichtige handelt in auto’s en belegt in onroerend goed. Naar aanleiding van een storting in 2002 van € 650.000 in contanten wordt een opsporingsonderzoek ingesteld naar witwassen, en legt de inspecteur een navorderingsaanslag op waarin hij het volledige bedrag als box 1-inkomsten belast. Ter betwisting hiervan stelt de belastingplichtige dat hij in 1998 een hotel heeft gekocht en in 2002 verkocht aan een Rus, met een winst van € 650.000. Het hof komt echter op basis van afgelegde getuigenverklaringen tot de conclusie dat de transactie is gefingeerd. En dus, overweegt het hof, is het bedrag als belaste inkomsten genoten, en wel in 2002.

De Hoge Raad gaat nog mee in de conclusie dat het bedrag als inkomsten moet zijn genoten. De plaatsing van die inkomsten in 2002 is echter zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De zaak wordt daarom naar een ander hof verwezen om de zaak opnieuw te behandelen. Expliciet merkt de Hoge Raad vervolgens nog op dat in die verwijzingszaak ook de vraag aan de orde kan komen of de bewijslast kan worden omgekeerd. Omkering op grond van de omstandigheid dat de vereiste aangifte over 2002 niet zou zijn gedaan, kan echter pas worden toegepast wanneer de inspecteur aannemelijk maakt (a) dat belanghebbende een aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet heeft opgegeven en (b) dat belanghebbende zich daarvan bewust moet zijn geweest ten tijde van het doen van die aangifte, aldus de Hoge Raad.

Het hof zal na verwijzing moeten uitmaken of de inspecteur aannemelijk kan maken dat belastingplichtige over 2002 een (aanzienlijk) deel van de gefingeerde verkoopopbrengst als inkomen heeft genoten, dat dit relatief en absoluut een groot bedrag is ten opzichte van de wel aangegeven inkomsten én dat hij zich van de onjuistheid van zijn aangifte bewust moet zijn geweest. Kan de inspecteur daaraan voldoen, dan kan de bewijslast alsnog worden omgekeerd en een deel van het bedrag over 2002 worden belast. Het resterende deel zal vermoedelijk aan oudere jaren worden toegerekend, waarover geen navorderingsaanslagen zullen zijn opgelegd en inmiddels ook niet meer kunnen worden opgelegd.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF