Maatregelen ter bestrijding van fraude met toeslagen

Afgelopen 10 mei heeft Weekers de Tweede Kamer de verdere maatregelen voorgelegd die het kabinet voornemens is te nemen bij de aanpak van fraude met toeslagen.

Extra maatregelen die op de korte termijn kunnen worden gerealiseerd:

  1. Geen verlening voorschot aan een voor de Belastingdienst onbekende aanvrager. Een toeslagenvoorschot wordt in beginsel niet toegekend indien de aanvrager bij de Belastingdienst nog niet bekend is. Dergelijke aanvragen worden in beginsel na afloop van het toeslagjaar uitbetaald, nadat de Belastingdienst de aanvraag aan de hand van de dan bekende en veelal vaststaande informatie heeft gevalideerd. Aanvragers die zich eerder met de vereiste informatie bij de Belastingdienst melden, kunnen zoveel eerder een voorschot krijgen als de aanvrager bij de Belastingdienst bekend is geworden. Het gaat dan bijvoorbeeld om burgers die 18 jaar zijn geworden of om een buitenlandse kenniswerker die bij een voor de Belastingdienst betrouwbare werkgever werkt. Deze maatregel vergt een wijziging van de Awir.
  2. Geen verlening voorschot bij verhoogd frauderisico. Recentelijk heeft de B/Toeslagen risicoprofielen geïntroduceerd, waarmee aanvragen met een mogelijk verhoogd frauderisico worden gedetecteerd. Deze aanvragen worden extra gecontroleerd. Deze maatregel heeft tot gevolg dat de betrokken aanvragers langer op een voorschot moeten wachten, omdat de Belastingdienst moet wachten op gegevens van derden (bijvoorbeeld van kinderopvanginstellingen) en/of aanvragers naar de balie moeten komen om te bewijzen dat de verstrekte gegevens kloppen (bijvoorbeeld met werkgeversgegevens, die de Belastingdienst dan kan verifiëren). Hier geldt het adagium: ‘No show, no money’. Deze maatregel legt een aanzienlijk beslag op de controlecapaciteit van de Belastingdienst. Deze maatregel vergt een aanpassing van art. 16 Awir.
  3. Vervallen recht op voorschot bij ontbreken van een actueel adresgegeven. Een belangrijke prikkel voor betrokkenen om hun gegevens op orde te brengen en te houden is als de Belastingdienst geen voorschot meer uitbetaalt. Daar komt bij dat het ontbreken van een actueel adresgegeven een frauderisico oplevert. Nu al keert de Belastingdienst geen voorschotten uit aan personen die als Vertrokken onbekend waarheen (VOW) staan geregistreerd. De Belastingdienst moet het geld echter nu vasthouden totdat betrokkene zich weer heeft geregistreerd. Als aanvullende maatregel zal wettelijk worden geregeld dat het recht op een voorschot in die situatie vervalt.
  4. Niet langer een toeslagenvoorschot bij signaal gemeente. Bij een gemeente kan op basis van ontwikkelde risicoprofielen het vermoeden bestaan dat er sprake is van een risico rond de inschrijving op een bepaald adres. In dat geval zet de gemeente het adresgegeven in de GBA in onderzoek. De verwerking door de Belastingdienst geschiedt thans niet op een systematische manier, maar op een ad hoc basis. De systemen van de Belastingdienst zullen zodanig worden aangepast dat het signaal uit de GBA automatisch kan worden verwerkt en geen voorschot meer wordt uitgekeerd totdat het gegeven in de GBA na onderzoek weer een actuele status heeft. Ook daarvan krijgt de Belastingdienst automatisch bericht, waarna de verstrekking van voorschotten wel of niet wordt hervat. De Belastingdienst en andere afnemers van gegevens uit de GBA kunnen bijdragen aan het onderzoek van de gemeente door het doen van terugmeldingen van informatie die zij hebben over de betreffende persoon en het betreffende adres. Ook de burger zelf heeft hierbij een rol: hij moet indien er een risico is gesignaleerd omtrent de inschrijving op verzoek van de gemeente alle informatie overleggen die nodig is voor het bijhouden van de GBA. Zij kunnen van de gemeente een huisbezoek verwachten en zij kunnen ook zelf naar de gemeente gaan, of langskomen bij een van de balies van de Belastingdienst om aan te tonen dat de situatie wel klopt.
  5. Versterking inzet risicoprofielen door gemeenten. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voert een uitgebreide kwaliteitsagenda GBA uit. In dat kader heeft BZK dit jaar risicoprofielen ontwikkeld op woonadressen, aan de hand waarvan gemeenten gericht huisbezoeken uitvoeren. De signalen worden actief met gemeenten gedeeld om effectieve controles mogelijk te maken. De kwaliteitsagenda wordt naar aanleiding van de huidige signalen verder versterkt en specifiek op de onderhavige problematiek toegesneden. Zo zullen op landelijk niveau in de verstrekkingsvoorziening GBA maatregelen worden getroffen om patronen te herkennen die een signaal zijn voor gemeenten om hun inschrijfproces verder aan te scherpen. De wet Basisregistratie Personen (BRP) is in april jl. door de Tweede Kamer goedgekeurd. Onderdeel van de Wet BRP is dat ook registratie plaatsvindt van niet-ingezetenen (RNI) – waaronder arbeidsmigranten. Ook wordt de mogelijkheid geïntroduceerd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit zal leiden tot een nog meer sluitende registratie van personen die een relatie hebben met de Nederlandse overheid.
  6. Onderzoek en afspraken gemeenten, Belastingdienst en BZK naar risico’s in de keten. De hiervoor beschreven maatregel wordt ondersteund met een uitbreiding van de samenwerking tussen gemeenten en de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft in 2011 een anti-fraudebox ingericht waar signalen van systeemfraude worden onderzocht, fraudepatronen worden opgespoord en acties worden uitgezet over de verschillende onderdelen van de Belastingdienst om de fraude te stoppen. De Belastingdienst zal afspraken gaan maken met BZK (Agentschap BPR) en ook met een aantal gemeenten over samenwerking rond de anti-fraudebox. Met LOGIUS (ook onderdeel van BZK) is er al een samenwerkingsverband. Onderzocht zal worden hoe deze samenwerking verder geïntensiveerd kan worden.

    Ter ondersteuning van de maatregelen 1 t/m 4 moet de Awir worden aangepast. Deze schrijft nu nog voor dat over de aanvraag van een toeslagenvoorschot binnen acht weken moet worden beslist. Het effectief uitvoeren van de hierboven beschreven controles zal meer tijd in beslag gaan nemen. Zoals hiervoor al is aangegeven is het aantal aanvragen en mutaties dat B/Toeslagen jaarlijks moet verwerken, groot. Het vooraf handmatig opvragen en controleren van gegevens, waar gegevens niet altijd geautomatiseerd aanwezig zijn, en het eventueel uitnodigen aan de balie van aanvragers, is zeer arbeidsintensief. Binnen een termijn van acht weken is dit niet te verwezenlijken.

    Het kabinet stelt daarom voor de mogelijkheid om – onder voorwaarden – geen voorschot te verlenen aan een voor de Belastingdienst onbekende aanvrager, tot de aanvrager voldoende informatie heeft geleverd of de aanvraag na afloop van het jaar in behandeling te nemen (maatregel 1). Verder zal de behandeltermijn voor het beslissen op een aanvraag voor een voorschot worden verlengd (maatregelen 2 en 4). Tevens moet de Belastingdienst de mogelijkheid geen voorschot vast te stellen in geval van vertrokken onbekend waarheen (maatregel 3).

    Het kabinet streeft er naar de maatregelen 1 t/m 4 per 1 januari 2014 te implementeren. Het kabinet zal daarom met voorstellen komen in het Belastingplan 2014, om de maatregelen in de Awir mogelijk te maken. Na het debat met uw Kamer zal de Belastingdienst starten met de voorbereidingen om de maatregelen te kunnen implementeren. De uitwerking van de verschillende maatregelen, inclusief maatregelen 5 en 6, zal in nauw overleg tussen de betrokken departementen plaatsvinden. Dit zal ook nader overleg vergen met medeoverheden. Voorts is de financiering van de meerkosten van deze maatregelen voor de verschillende organisaties te bezien. Deze maatregelen zullen ertoe leiden dat toeslaggerechtigden langer op een toeslag wachten omdat B/Toeslagen extra controles uitvoert. Ook zullen zij vooraf vaker bewijsstukken moeten overleggen waarmee zij aannemelijk kunnen maken dat zij recht op een toeslag hebben.

    Voorts zal het kabinet een drietal maatregelen verkennen die weliswaar het vigerende toeslagensysteem niet ten principale aantasten, maar nader onderzoek vergen alvorens er toe besloten kan worden.

  1. Beperking terugwerkende kracht. Voor de kinderopvangtoeslag is eerder een aantal maatregelen getroffen om fraude en oneigenlijk gebruik aan te pakken en wordt er gewerkt aan een traject waarbij eerder dan na afloop van het toeslagjaar informatie over de opvang wordt verkregen. Een van de getroffen maatregelen was van het beperken van de aanvraag met terugwerkende kracht. Zoals bekend, wordt per 1 januari 2014 de mogelijkheid met terugwerkende kracht kinderopvangtoeslag aan te vragen beperkt tot de lopende maand en de drie voorafgaande maanden. Een vergelijkbare beperking zou geïntroduceerd kunnen worden voor de zorg- en huurtoeslag en voor het kindgebonden budget. Het kabinet wil eerst onderzoeken wat hiervan de effecten per toeslagsoort zijn. Ook wordt onderzocht of de hiervóór beschreven maatregelen, kunnen worden toegepast op aanvragen met terugwerkende kracht.
  2. Vooraf toetsen verzekeringsstatus zorgtoeslag. Op dit moment wordt door B/Toeslagen groepsgewijs per kwartaal ex post, getoetst wat de verzekeringsstatus van de zorgtoeslagaanvrager is. In het (online toegankelijke) zgn. RBVZ bestand is van iedere inwoner op enig moment bekend of hij een zorgverzekering heeft. Het kabinet gaat onderzoeken of de ex post toets vervangen kan worden door een individuele ex ante toets. Het invoeren van deze maatregel kan niet op korte termijn worden ingevoerd. Bedacht moet worden dat er altijd een tijdsfrictie zal zijn tussen het aanvragen van een zorgtoeslag en het vermelden van een verzekerde in het RBVZ-bestand. Het gevolg daarvan kan zijn dat aanvragers langer moeten wachten. En gezien de omvang van het aantal zorgtoeslagontvangers, is het de vraag of dat te beheersen is. Ten slotte geldt dat het gegeven “verzekerd zijn” niet wil zeggen dat de verzekerde ook daadwerkelijk zijn verzekering heeft betaald.
  3. Europese gegevens uitwisseling. Omdat Nederland niet het enige land is waar dit type fraude plaatsvindt, onderzoekt het kabinet de mogelijkheden om op Europees niveau de uitwisseling van informatie, fraudesignalen en risico-analyses te intensiveren, om dit soort praktijken aan banden te leggen. Door uitwisseling en samenwerking met de lidstaten kunnen nieuwe vormen van frauduleus handelen sneller bekend worden en kan over en weer geleerd worden over een effectieve aanpak ervan.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF