Kennisneming processtukken door benadeelde partij: bestaat recht op kennisneming / afschrift als de OvJ heeft besloten (nog) niet tot vervolging over te gaan

Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:179

Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 februari 2014, waarbij het bezwaarschrift tegen de beslissing van de officier van justitie dat aan de nabestaande van het slachtoffer/de benadeelde partij geen afschrift of inzage van de stukken wordt verstrekt, ongegrond is verklaard.


De beschikking

De beschikking van de rechter-commissaris houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

‘Beoordeling

De vader van [betrokkene], [betrokkene 1], is op 17 april 2012 te Tilburg als gevolg van een misdrijf overleden. Naar aanleiding daarvan is destijds een (grootschalig) opsporingsonderzoek gestart. Dit onderzoek heeft niet geleid tot oplossing van de strafzaak.

Thans verzoekt [betrokkene] – onder meer onder verwijzing naar art. 51b lid 1 Sv juncto art. 51d Sv – om verstrekking van, dan wel inzage in de processtukken.

Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn (art. 149a lid 2 Sv).

Uit de door de officier van justitie verstrekte informatie valt af te leiden dat er geen verdachte(n) bekend is/zijn geworden tijdens het grootschalige opsporingsonderzoek, zodat de officier van justitie niet tot vervolging heeft kunnen overgaan.

De rechter-commissaris is van oordeel dat [betrokkene] – als nabestaande en als benadeelde partij – in beginsel recht heeft op verstrekking van of inzage in de voor hem relevante processtukken. Nu echter in het onderhavige geval de officier van justitie niet tot vervolging heeft kunnen overgaan, is naar het oordeel van de rechter-commissaris geen sprake van processtukken waarvan de verstrekking of inzage kan worden verzocht.

De rechter-commissaris zal het namens [betrokkene] ingediende bezwaarschrift dan ook ongegrond verklaren.’

Doel en actualiteitswaarde van de vordering

Deze vordering beoogt duidelijkheid te verkrijgen over het recht van een slachtoffer op kennisneming van processtukken zoals bedoeld in art. 51b Sv als (nog) geen vervolging wordt ingesteld. Daarbij is van ondergeschikt belang of de kennisneming kan geschieden door middel van verkrijging van een afschrift van stukken of door inzage. De toegang tot informatie over strafrechtelijk onderzoek voor slachtoffers van strafbare feiten is in recente wetgeving onmiskenbaar aanzienlijk versterkt. Maar het belang van duidelijkheid over het recht van slachtoffers op kennisneming van processtukken is, zoals ik hierna met een beroep op de wetsgeschiedenis zal betogen, niet helemaal weggenomen door de invoering van art. 51ac Sv waarin minimum informatierechten voor het slachtoffer zijn neergelegd. Verheldering verdient het recht op kennisneming van processtukken door slachtoffers met het oog op en gedurende de beklagprocedure ex art. 12 Sv bij het uitblijven van een vervolging. Ook in de plannen ter modernisering van het Wetboek van strafvordering is de hier opgeworpen vraag niet zonder meer opgelost. De reikwijdte van kennisneming van processtukken door slachtoffers op grond van art. 51b Sv is van belang voor de toepassing van de aangrenzende verstrekking van strafvorderlijke en justitiële gegevens aan slachtoffers voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelstellingen. Volgens de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens worden ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens verstrekt aan degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51b Sv betrekking heeft.

In de rechtspraak is, zoals hierna zal blijken, enige verdeeldheid aanwijsbaar aangaande het recht op kennisneming van stukken door slachtoffers op grond van art. 51b Sv bij het uitblijven van een vervolging, maar het aantal gepubliceerde uitspraken daaromtrent is zeer beperkt. Buiten de gepubliceerde rechtspraak komt naar voren dat in de rechtspraktijk onduidelijkheid bestaat over de juiste uitleg van art. 51b Sv. De kernvraag is volgens welke maatstaf een verzoek van een slachtoffer tot kennisneming van (proces)stukken in het kader van art. 51b Sv beoordeeld dient te worden.

Artikel 51b Sv

Artikel 51b Sv luidt als volgt:

‘1 Op verzoek van het slachtoffer wordt door de officier van justitie toestemming verleend om kennis te nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting wordt deze toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd en overigens door de officier van justitie.

2 Het slachtoffer kan aan de officier van justitie verzoeken stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen.

3 De officier van justitie kan het voegen van stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen.

4 Voor de toepassing van het derde lid behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De officier van justitie doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan het slachtoffer.

5 De wijze waarop de kennisneming van de processtukken geschiedt, kan worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

6 Het slachtoffer kan van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift krijgen overeenkomstig het bij of krachtens artikel 17 van de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Artikel 32, tweede tot met het vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.’

Het in art. 51b Sv geregelde recht op kennisneming door het slachtoffer van de processtukken kwam tot 1 januari 2011 alleen de benadeelde partij toe (art. 51d Sv (oud)):

‘Inzage en verstrekking van processtukken

(…)

Met de voorgestelde bepaling van artikel 51b wordt inderdaad de huidige praktijk voortgezet die is gebaseerd op artikel 51d, dat aan de benadeelde partij een recht toekent op het kennisnemen van de processtukken waarbij zij belang heeft. (…). Het slachtoffer dat geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend of de indiening daarvan overweegt, kan op grond van artikel 39f, eerste lid, sub f, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna Wjsg) verzoeken om kennisneming van de gegevens uit het dossier van de verdachte. Dit is uitgewerkt in de aanwijzing van het College van procureurs-generaal over de uitvoering van de Wjsg (Staatscourant 2004, 223). Ook hierin bestaat reeds een langdurige praktijk, waarbij slachtoffers als regel een afschrift kunnen krijgen van het proces-verbaal dat tegen de verdachte is opgemaakt.

Uit de praktijk is niet gebleken dat het verstrekken van afschriften aan het slachtoffer of de benadeelde partij tot een ander gebruik heeft geleid dan voor het doel waarvoor deze zijn verstrekt. Ik zie dan ook geen aanleiding over te gaan tot een nadere beperking van het recht op kennisneming en verstrekking. Ik wijs er voorts op dat de desbetreffende bepaling in het Kaderbesluit van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure van de EU (artikel 4) daar ook in zijn algemeenheid niet van uit gaat.’

Art. 51b Sv kende aanvankelijk stevige weigeringsgronden: in het belang van het onderzoek, dan wel in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, kon de officier van justitie de kennisneming van bepaalde processtukken of het toevoegen van documenten weigeren. Bij de herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken, die op 1 januari 2013 in werking trad, zijn de weigeringsgronden voor verstrekking in art. 51b Sv teruggebracht. Vanaf dat moment kan de officier van justitie de verstrekking van stukken nog wel weigeren omdat die niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, Sv vermelde belangen.

Een voorbeeld van toepassing van de weigeringsgronden van artikel. 187d lid 1 Sv is te vinden in een beslissing ex art. 51b lid 4 Sv van de Rechtbank Amsterdam, 13 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:9467:

‘Naar het oordeel van de rechter-commissaris heeft de officier van justitie zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het belang van het onderzoek vordert dat kennisneming van de verklaringen van betrokkene ook voor het overige vooralsnog wordt onthouden. Het belang van het onderzoek – dat in het onderhavige geval nog in volle gang is – vordert in deze zaak immers dat iedere getuige uit eigen wetenschap en op basis van zijn eigen geheugen verklaart en dat daarbij vervorming of beïnvloeding door kennis van eerdere verklaringen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dat de tijdelijke onthouding van de stukken mogelijk tot gevolg heeft dat betrokkene zich, als getuige opgeroepen, op advies van zijn raadsman op zijn verschoningsrecht beroept, doet hieraan niet af. Een vervormde of beïnvloede verklaring is voor het onderzoek mogelijk schadelijker dan een integraal beroep op het verschoningsrecht. De rechter-commissaris volgt de raadsman evenmin in zijn stelling dat door deze tijdelijke onthouding de procespositie van betrokkene ernstig wordt bemoeilijkt. Daarvoor is van belang dat de regeling van art. 51b Sv uitsluitend ziet op de behartiging van de belangen van het slachtoffer en dat de kennisneming van processtukken door het slachtoffer dan ook dient ter behartiging van die belangen. Daarbij gaat het met name om het kunnen uitoefenen van de hem toekomende rechten, zoals met name het uitoefenen van spreekrecht en het kunnen indienen en onderbouwen van een vordering als benadeelde partij. Dat betrokkene behalve als slachtoffer en getuige in [onderzoek A], ook in een ander, samenhangend, onderzoek als verdachte is aangemerkt, dient derhalve bij de beoordeling van de vordering van de officier van justitie buiten beschouwing te blijven.’

De officier van justitie moet bij de toepassing van art. 187d Sv op zijn hoede zijn, lichtvaardige verstrekking van stukken heeft (ook) schaduwkanten. In een vonnis van de rechtbank Den Haag, 14 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:12507, komt naar voren dat het toestaan van kennisneming van processtukken door slachtoffers vanwege de officier van justitie een vormverzuim kan opleveren in de zaak tegen de verdachte, omdat een slachtoffer als getuige daardoor minder onbevangen zou kunnen verklaren. Het betrof hier een familie die om veiligheidsredenen in een ‘safe house’ was ondergebracht maar die lange tijd in het ongewisse verkeerde omtrent de reden van deze onderbrenging. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie die het dossier van de zaak “[zaaksnaam 4]” in de zomer van 2013 aan de familie [slachtoffer 5] verstrekte daartoe, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan. Aan het volgens de rechtbank onherstelbare vormverzuim behoefde geen gevolg te worden verbonden aangezien de relevante afgelegde getuigenverklaringen niet voor het bewijs werden gebezigd. In een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2206, wordt de officier van justitie gekapitteld wegens verstrekking van stukken aan de advocaat van slachtoffers in de fase van inbewaringstelling van de verdachte in een zedenzaak, maar is er geen sprake van een vormverzuim. In appel bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2768, wordt door de verdediging gesteld dat er een vormverzuim is omdat getuigen tevoren dossierkennis hadden vanwege verstrekking van stukken door de officier van justitie. In deze zedenzaak hecht het hof betekenis aan het feit dat verstrekking van een afschrift van processtukken aan de benadeelden plaatsvond voordat zij als getuigen waren gevraagd door de verdediging. Daarom was er volgens het hof geen sprake van een vormverzuim in het voorbereidende onderzoek.

Bestrijkt art. 51b Sv stukken aangaande de executiefase?

De onderhavige vordering betreft de betekenis van art. 51b Sv in zoverre (nog) geen vervolging wordt ingesteld. In de rechtspraak is ook aan de orde gekomen of het slachtoffer aan art. 51b Sv recht op stukken kan ontlenen betreffende de executiefase van een veroordeelde. De beantwoording van deze vraag werpt een licht op de interpretatie van het begrip processtukken en het daarmee verbonden gevolg voor de toepasselijke procedure met het oog op kennisneming door slachtoffers. Het gerechtshof Arnhem is in een beschikking van 4 september 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BY0227) van oordeel dat art. 51b Sv geen recht geeft op stukken aangaande de executie van een vonnis of arrest, zoals een afschrift van het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde. Naar het oordeel van het hof is het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde geen processtuk als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof wijst in dit verband op het (dan) nog niet in werking getreden (tweede lid van) artikel 149a van het Wetboek van Strafvordering (Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken, Stb. 2011, 601) dat bepaalt dat (behoudens het hier niet relevante bepaalde in artikel 149b) tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt derhalve geen basis voor een bezwaarschrift tegen het niet verstrekken van dat besluit, aldus het hof. Opgemerkt kan worden dat aangaande recht op verstrekking van processtukken inzake de executiefase een overeenkomstige redenering wordt gevolgd als de rechter-commissaris in de beschikking die de aanleiding vormt voor deze vordering voor de omstandigheid dat geen vervolging is ingesteld, maar de verzochte stukken betreffen in dat laatstgenoemde geval, anders dan in de v.i.-zaak, de voortbrengselen van opsporingsonderzoek.

Het hof Arnhem ziet in de juist aangehaalde zaak nog aanleiding over het verzoek om stukken aangaande de executiefase van een veroordeling een aanvullende opmerking te maken, nu het slachtoffer in dit geval ontegenzeggelijk een reëel belang heeft bij het kennis nemen van en het beschikken over het besluit met het oog op zo nodig te nemen (civielrechtelijke) maatregelen om het daarin opgenomen contacten locatieverbod te doen naleven. Het openbaar ministerie heeft het slachtoffer conform het bepaalde in artikel 51a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering per mail maar ook bij brief van 11 juli 2012 geïnformeerd over de invrijheidstelling van veroordeelde alsmede over voorwaarden verbonden aan die invrijheidstelling. Blijkens die brief heeft het openbaar ministerie bij het verstrekken van die informatie de belangen van het slachtoffer laten prevaleren boven de privacybelangen van veroordeelde. Naar het hof begrijpt, zijn de voorwaarden voor de invrijheidsstelling in geparafraseerde vorm in die brief weergegeven. Gelet hierop, op het feit dat de personalia van veroordeelde bij het slachtoffer bekend zijn en op de toelichting van de advocaat-generaal ter zitting met betrekking tot de privacybelangen van de veroordeelde is het hof niet duidelijk geworden welke andere redenen, behalve de bescherming van de huidige en/of toekomstige adresgegevens van de veroordeelde, zich in dit geval thans nog verzetten tegen verstrekking van een afschrift van het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde aan het slachtoffer. Het besluit is immers, zo begrijpt het hof de advocaat-generaal, reeds vrijwel volledig aan het slachtoffer meegedeeld. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de adresgegevens van veroordeelde onleesbaar zijn te maken, evenals voor het slachtoffer niet relevante voorwaarden die mogelijk toch niet in de brief zijn genoemd.

De term slachtoffer

7.1 Bij Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van de Europese slachtofferrichtlijn 2012/29/EU9, in werking getreden op 1 april 2017, is het Afdelingsopschrift waarin art. 51b Sv voortaan is opgenomen in de Tweede Afdeling: Rechten van het slachtoffer. In de Eerste Afdeling Titel IIIA van het Eerste Boek wordt het slachtoffer dan als volgt gedefinieerd:

‘Artikel 51a

1 In deze titel wordt verstaan onder:

a. Slachtoffer:

1°. degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden;

2°. nabestaande: familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.

b. Familieleden: de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn;

c. Minderjarig slachtoffer: elk slachtoffer dat jonger is dan achttien jaar;

d. Herstelrecht: het in staat stellen van het slachtoffer en de verdachte of de veroordeelde, indien zij er vrijwillig mee instemmen, actief deel te nemen aan een proces dat gericht is op het oplossen van de gevolgen van het strafbare feit, met de hulp van een onpartijdige derde.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een goede procesorde regels worden gesteld betreffende:

a. het beperken van het aantal familieleden, dat aanspraak kan maken op de in deze titel opgenomen rechten, daarbij telkens rekening houdend met de specifieke omstandigheden, en

b. het bepalen welke nabestaanden voorrang krijgen bij de uitoefening van de in deze titel opgenomen rechten.’

Artikel 51b Sv regelt het recht van het slachtoffer om kennis te nemen van de processtukken die voor hem van belang zijn. Onder slachtoffer wordt, gelezen art. 51a Sv, thans ook verstaan nabestaande (‘next of kin’) van een slachtoffer (zie art. 51a Sv). De hoedanigheid van de indiener van het bezwaarschrift in de zaak die tot deze vordering aanleiding geeft, schept geen probleem voor de ontvankelijkheid van zijn bezwaarschrift bij de rechter-commissaris. Het is dan ook niet bezwaarlijk om hierna voor de leesbaarheid en met het oog op de actuele betekenis voor de uitleg van art. 51b Sv de term ‘slachtoffer’ aan te houden ook al omvat die term in strafvordering tegenwoordig een ruimere categorie dan ten tijde van de Beschikking van 5 februari 2014.

In de Europese slachtofferrichtlijn 2012/29/EU is de hoedanigheid van slachtoffer van een strafbaar feit niet afhankelijk van de omstandigheid of een dader is geïdentificeerd, wordt vervolgd of is veroordeeld (zie de considerans onder nr. 19).

De term processtukken

Het slachtoffer kan om kennisneming van processtukken verzoeken. De toestemming daarvoor wordt door de officier van justitie verleend, tenzij de zaak onder de rechter is. Dan wordt die toestemming door de rechtbank of het hof verleend, waarvoor de zaak wordt vervolgd. Het slachtoffer kan voorts aan de officier van justitie verzoeken stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen. De officier van justitie kan, op voorwaarde dat de rechter-commissaris hem daartoe schriftelijk machtigt, het voegen van stukken of de kennisneming van stukken weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, lid 1, Sv vermelde belangen. Wat tot de processtukken behoort is omschreven in artikel 149a lid 2 Sv. Dat zijn alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn (relevantiecriterium), behoudens het bepaalde in artikel 149b, te weten de (gedeelten van) stukken waarvan de officier van justitie het noodzakelijk acht dat die niet gevoegd worden met het oog op de in artikel 187d lid 1 Sv vermelde belangen.

Of stukken relevant zijn, hangt steeds af van hun concrete inhoud of betekenis voor de desbetreffende strafzaak. Er kan dus in de praktijk verschil van opvatting bestaan over de vraag of een bepaald stuk valt te kwalificeren als een processtuk. Zie in dit verband Kamerstukken II, 2010/11, 32 468, 6, p. 14:

‘Het is in wezen niet goed mogelijk om een min of meer statische definitiebepaling van het begrip processtuk in de wet op te nemen. Zo is met het enkele gegeven dat een stuk niet is gevoegd nog niet gezegd dat het stuk gegevens kan bevatten die voor de strafzaak redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Aan het al dan niet voegen zou daarom geen constitutieve betekenis moeten worden toegekend. Het gaat om de relevantie van de stukken. Het wetsvoorstel introduceert daarvoor een wettelijk criterium. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of stukken tot de processtukken behoren. Dat regelt het voorgestelde artikel 149a, tweede lid, Sv. Daarmee is zeker gesteld dat ook nog niet gevoegde stukken alsnog tot de processtukken kunnen behoren. Deze leden verzochten mij tevens om het relevantiecriterium, dat ten grondslag ligt aan de beoordeling van de vraag of informatie aan het strafdossier wordt toegevoegd, in deze nota naar aanleiding van het verslag nader uit te werken. In reactie op dit verzoek stel ik voorop dat het wetsvoorstel voor de selectie van de stukken ter voeging in het dossier beoogt aan te sluiten bij de vaste rechtspraak op dit punt. De memorie van toelichting verwijst in dat verband naar de arresten van de Hoge Raad van 4 januari 2000 (NJ 2000, 537) en 20 juni 2000 (NJ 2000, 502). Het komt mij minder gelukkig voor om via de nota naar aanleiding van het verslag in deze rechtsvorming te treden (die zich wellicht nog verder zal ontwikkelen), gesteld al dat in algemene zin aanvullende criteria zijn te geven aan de hand waarvan bepaald moet worden of stukken relevant zijn voor een strafzaak of niet. Op het niveau van de wet kan naar mijn mening worden volstaan met een omschrijving van de stukken die tot de processtukken dienen te behoren. Daarbij geldt als beoordelingsmaatstaf voor elke procesdeelnemer dat het moet gaan om stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen. Of stukken aan dit criterium voldoen, hangt uiteraard steeds af van hun concrete inhoud en betekenis voor de desbetreffende strafzaak. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting gaat het daarbij niet alleen om zowel belastende als ontlastende informatie in het kader van het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het kan ook informatie betreffen die van belang kan zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de controle op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of de straftoemeting.’

Voor elke procesdeelnemer, en dus ook voor het slachtoffer, zou het volgens de hiervoor weergegeven beschouwing bij processtukken moeten gaan om stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen. De wettelijke omschrijving van processtukken opgenomen in art. 149a Sv, sluit daar op aan:

‘1 De officier van justitie is tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.

2 Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.

3 Van een processtuk in elektronische vorm kan de integriteit worden nagegaan doordat iedere wijziging daarvan kan worden vastgesteld.

4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de processtukken worden samengesteld en ingericht.’

Artikel 149a Sv is ingevoerd als onderdeel van de herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken die op 1 januari 2013 in werking trad. Daarna heeft nog een aanpassing plaatsgevonden in verband met de vastlegging in elektronische vorm. De term ‘processtukken’ was al voor 1 januari 2013 opgenomen in art. 51b Sv. Tegelijk met de invoering van art. 149a Sv werd in het tweede lid van art. 51b Sv de term «documenten» vervangen door: stukken. Daaruit spreekt dat de wetgever heeft beoogd, voor zover nodig geacht, de terminologie van art. 51b Sv af te stemmen met die van art. 149a Sv. Van belang is evenwel ook het volgende. In de memorie van toelichting van de wet Herziening regels betreffende processtukken in strafzaken, wordt over rechten van slachtoffers opgemerkt:

‘De processtukken vormen samen met het onderzoek ter terechtzitting de primaire bronnen voor de beantwoording van de vraag of de verdachte het feit heeft begaan en strafbaar is. Zij moeten een volledig beeld geven van hetgeen ter opsporing is verricht, waargenomen en beslist. Het procesdossier biedt daarmee ook mogelijkheden tot controle op de rechtmatige uitvoering van het opsporingsonderzoek. Voorts kunnen derden, zoals slachtoffers en personen die schade hebben geleden door een strafbaar feit, gegevens aan het dossier ontlenen om op te komen voor hun gerechtvaardigde belangen.’

In de toelichting Onderdeel A (artikel 12f Sv) staat vermeld dat de beklagprocedure kan worden benut om van stukken kennis te nemen:

‘De Rvdr heeft in zijn advies over het wetsvoorstel voorgesteld om de regeling inzake het beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten (artikel 12 e.v. Sv) in overeenstemming te brengen met de regeling die is opgenomen in artikel 32 Sv. Hieraan bestaat in de praktijk grote behoefte, mede omdat een beklagprocedure kan worden gevolgd met als (voornaamste) doel het kunnen beschikken over de inhoud van het dossier.

Wanneer recht doen aan de belangen van het slachtoffer als nevendoelstelling van strafvordering beginselmatig wordt versterkt, zoals is voorzien in de plannen voor modernisering van het Wetboek van strafvordering, wordt het bereik van voor de strafzaak relevant te achten stukken daardoor mogelijkerwijs vergroot.

Kennisneming van processtukken door het slachtoffer

Regels over kennisneming en verstrekking van processtukken zijn opgenomen in het Besluit van 15 december 2011, houdende regels inzake het procesdossier en de kennisneming en de verstrekking van afschriften van processtukken gedurende het voorbereidende onderzoek (Besluit processtukken in strafzaken). In artikel 1 onder c van dit Besluit omschrijft het procesdossier als: ‘[de] verzameling van processtukken die tijdens het opsporingsonderzoek aan het dossier zijn of worden toegevoegd’. Dit Besluit is in werking getreden op 1 december 2016. Artikel 5 van dit Besluit houdt in dat de officier van justitie het moment bepaalt waarop het slachtoffer, zijn advocaat of gemachtigde inzage kan verkrijgen in de processtukken die zich op het parket bevinden. Ten tijde van de beschikking die de aanleiding is voor deze vordering was er nog geen in werking getreden maatregel in de zin van art. 51b lid 5 Sv. De actuele regeling heeft overigens slechts betrekking op ‘de kennisneming en verstrekking van processtukken gedurende het voorbereidende onderzoek’. In de Aanwijzing slachtofferzorg (2017) staat:

‘Op grond van art. 51b Sv, kan het slachtoffer verzoeken om kennisname van de processtukken die voor hem van belang zijn. Als de zaak nog niet op zitting is aangebracht, is hiervoor de toestemming van de officier van justitie vereist en is verder het bepaalde in art 51b van het Sv van toepassing.’

In het Besluit Orde van dienst gerechten (Stb. 2016, 293) staat:

Ԥ 6. Inzage stukken

Artikel 17

In strafzaken waarin de stukken ingevolge de wet aan de griffie moeten worden toegezonden of ter griffie ter inzage moeten worden neergelegd, worden door het bestuur van een gerecht bij reglement de tijden vastgesteld waarop inzage in de stukken kan worden verkregen door de ambtenaren van het openbaar ministerie of van het parket bij de Hoge Raad, de verdachten, de raadslieden van de verdachten, de benadeelde partijen in strafzaken en hun advocaten en gemachtigden.

Artikel 18

[Opmerking: Dit artikel is gewijzigd in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.]

‘Voor andere zaken dan strafzaken waarin recht op inzage van stukken bestaat, wordt door het bestuur van een gerecht de wijze waarop niet-elektronische inzage kan plaatsvinden, vastgesteld bij reglement, en indien van toepassing, de tijden van die inzage.’

[Voor overige gevallen luidt het artikel als volgt:]

‘Artikel 18

Voor andere zaken dan strafzaken waarin recht op inzage van stukken bestaat, worden door het bestuur van een gerecht de tijden en de wijze waarop inzage kan plaatsvinden, vastgesteld bij reglement.’

(…)

‘Artikel 21a

1. Op verzoek van het slachtoffer of zijn advocaat of gemachtigde worden zo spoedig mogelijk afschriften van processtukken waarvan de kennisneming is toegestaan, aan hen verstrekt.

2. (…)’

Het is van belang te beseffen dat de beslissingsbevoegdheid over kennisneming van processtukken door slachtoffers bij de officier van justitie kan liggen, terwijl onder omstandigheden inzage op de griffie moet worden verleend als geen afschriften kunnen worden verstrekt. Het komt in dergelijke omstandigheden aan op goede communicatie tussen griffie en parket.

Verhouding tussen art. 51b Sv en art. 51ac Sv

Tussen de tekst van de wet en de op verschillende plaatsen gegeven toelichting op art. 51b Sv zit een spanning. In de beschikking van de rechter-commissaris die de aanleiding vormt tot deze vordering is geoordeeld dat art. 51b Sv slechts betekenis toekomt voor het recht op processtukken van het slachtoffer indien er sprake is van een vervolging. Die uitleg sluit nauw aan op de tekst van de wet. Een iets ruimere uitleg komt naar voren in een beslissing van de Rechtbank Amsterdam 11 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2765. De rechter-commissaris overwoog naar aanleiding van een verzoek van een slachtoffer om verstrekking van processtukken ten behoeve van het opstellen van een civiele vordering, het volgende:

‘Naar het oordeel van de rechter-commissaris heeft de regeling van artikel 51b Sv. uitsluitend betrekking op het verstrekken van stukken voor strafvorderlijke doeleinden, in het bijzonder voor de verwezenlijking van de rechten van het slachtoffer als procesdeelnemer binnen het strafproces. Steun voor die opvatting wordt gevonden in het feit dat artikel 51b Sv. ziet op processtukken, terwijl ingevolge artikel 149a, tweede lid, Sv. tot de processtukken alle stukken behoren die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen (cursief rechter-commissaris) redelijkerwijs van belang kunnen zijn (…). Hierbij gaat het kennelijk om te nemen beslissingen in het kader van de strafvorderlijke procedure, met inbegrip overigens van de procedure ex artikel 12 Sv. In het onderhavige geval heeft de verdachte rechtspersoon de haar aangeboden transactie aanvaard. Behoudens de procedure van artikel 12 Sv. zal het niet meer komen tot een strafproces. Het verstrekken van stukken voor andere doeleinden is geregeld in de artikelen 39e en 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.’

De in deze beschikking gegeven overweging dat het recht op verstrekking van processtukken niet alleen geldt als een vervolging wordt ingesteld maar ook in de procedure van art. 12 Sv, ziet nog niet op een recht op inzage van processtukken of verstrekking daarvan ten behoeve van de afweging om al of niet een art. 12 Sv procedure aanhangig te maken. Voor die laatstgenoemde beslissing is in ieder geval thans art. 51ac Sv relevant. Dat artikel is op 1 april 2017 in werking getreden. Het luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘1 De officier van justitie draagt er zorg voor dat het slachtoffer onverwijld in kennis wordt gesteld van zijn recht om voldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak, naar aanleiding van een tegen het slachtoffer begaan strafbaar feit. Het slachtoffer wordt in het bijzonder in kennis gesteld van zijn recht om informatie te ontvangen over:

a. het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigen daarvan;

b. het niet vervolgen van een strafbaar feit;

(…)

2 Aan het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt mededeling gedaan van de aanvang en voortgang in de zaak als bedoeld in het eerste lid. In het bijzonder wordt door de ambtenaar van politie, of de andere opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 onder c en d, ten minste mededeling gedaan van de informatie als bedoeld onder a en wordt door de officier van justitie ten minste mededeling gedaan van de informatie als bedoeld onder b tot en met h van het eerste lid.

3 Het slachtoffer ontvangt op zijn verzoek als bedoeld in het tweede lid voldoende informatie om te beslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof als bedoeld in artikel 12. De mededelingen betreffende de informatie als bedoeld in het eerste lid, onder a en b omvatten naast de beslissing ten minste de motivering of een samenvatting van de motivering van de betrokken beslissing.’

Artikel 51ac Sv is tot stand gekomen in het kader van de reeds genoemde implementatie van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten. Met name art. 6 en art. 11 van de Richtlijn zijn in dit opzicht van belang. In de memorie van toelichting bij de implementatiewet wordt onder meer het volgende opgemerkt met betrekking tot de rechten van een slachtoffer bij een beslissing tot niet-vervolging:

‘2.11 Rechten bij een beslissing tot niet-vervolging

Artikel 11 van de richtlijn betreft de rechten van het slachtoffer in geval van een beslissing tot niet-vervolging. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat het slachtoffer overeenkomstig zijn rol in het toepasselijke strafrechtstelsel, het recht heeft op toetsing van de beslissing tot niet-vervolging. De procedureregels voor de toetsing worden door het nationale recht bepaald. De overwegingen 43 tot en met 45 van de richtlijn geven een toelichting bij artikel 11.

Het Nederlandse recht kent een dergelijke toetsingsmogelijkheid door middel van de mogelijkheid voor de rechtstreeks belanghebbende om beklag te doen bij het gerechtshof als een strafbaar feit niet wordt vervolgd, de vervolging niet wordt voortgezet of als de vervolging plaatsvindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking (artikel 12 Sv.). Het derde lid van art. 11 van de richtlijn luidt: «De lidstaten zorgen ervoor dat het slachtoffer zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld van zijn recht om voldoende informatie te ontvangen, en dat hij op zijn verzoek voldoende informatie ontvangt om te kunnen beslissen of hij verzoekt om toetsing van een beslissing tot niet-vervolging». Deze bepaling hangt samen met hetgeen in artikel 6 van de richtlijn is bepaald ten aanzien van het recht van het slachtoffer op informatie over zijn zaak, te weten in het eerste lid onder a) en in het derde lid van dit artikel 6. Ik onderscheid hier twee aspecten. In de eerste plaats het recht om in kennis te worden gesteld. Dit aspect wordt opgenomen in artikel 51ac, eerste lid.

Het tweede aspect betreft de inhoud of reikwijdte van de informatie die het slachtoffer moet ontvangen als hij gebruikt maakt van zijn recht op informatie, met het oog op toetsing van een beslissing tot niet-vervolging. Artikel 6, derde lid, van de richtlijn zegt dat deze informatie de motivering of een korte samenvatting van de motivering van de betrokken beslissing omvat. Artikel 11, derde lid, tweede volzin zegt dat het slachtoffer op zijn verzoek voldoende informatie ontvangt om te kunnen beslissen of hij verzoekt om toetsing van een beslissing tot niet-vervolging. Laatstgenoemde bepaling opent de mogelijkheid dat meer informatie moet worden verstrekt, dan de motivering van de beslissing of korte samenvatting ervan.

Gezien de nauwe samenhang met het verstrekken van zaaksgebonden informatie wil ik de informatie in geval van een beslissing om niet te vervolgen in artikel 51ac opnemen. Het slachtoffer heeft op verzoek recht op onder meer de mededeling van de beslissing om af te zien van een opsporingsonderzoek, van de beslissing tot het beëindigen hiervan, van de beslissing tot het niet vervolgen en van de strafbeschikking in de strafzaak tegen de verdachte. Deze mededeling moet de motivering omvatten of een korte samenvatting van de motivering van de betrokken beslissing. De strafbeschikking is een vervolgingsmodaliteit, waarover de rechtstreeks belanghebbende beklag kan doen op grond van artikel 12 Sv.

Artikel 11, derde lid, van de richtlijn zegt dat het slachtoffer op zijn verzoek «voldoende informatie ontvangt om te kunnen beslissen of hij verzoekt om toetsing van een beslissing tot niet-vervolging». Dit impliceert dat het slachtoffer op verzoek meer informatie dient te ontvangen dan de motivering (of een korte samenvatting van de motivering). Het is los van een concrete zaak niet mogelijk om vast te leggen welke informatie voldoende is voor het slachtoffer om te kunnen beslissen of hij verzoekt om toetsing van een beslissing tot niet vervolging. Hierbij verdient overweging dat de omvang van de toetsing op grond van artikel 12 Sv. breed is. Het betreft «vol beroep», waarin zowel de haalbaarheid als de opportuniteit van de vervolging kunnen worden bezien. Het hof kan, indien de inschatting bestaat dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid is voldaan, het OM opdragen te vervolgen voor een bepaald delict. De beklagprocedure leidt tot volle beleids- en kwalificatietoetsing. Dit betekent dat het slachtoffer als rechtstreeks belanghebbende bij het doen van schriftelijk beklag bij het hof argumenten kan aandragen die voor de volle breedte van de toetsing van belang zijn. Ten behoeve van het opstellen van zijn klaagschrift kan het slachtoffer behoefte hebben aan schriftelijke informatie over de zaak tegen de verdachte van het feit waardoor het slachtoffer is getroffen. Het recht van het slachtoffer om op zijn verzoek voldoende informatie te ontvangen om te beslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof, als bedoeld in artikel 12 Sv., wil ik vastleggen in artikel 51ac, derde lid.’

De summiere informatieverschaffing op grond van art. 51ac Sv laat het in de ogen van de wetgever al bestaande recht op inzage van of verstrekking van processtukken op grond van art. 51b Sv evenwel onverlet, immers:

‘Het recht van het slachtoffer om op zijn verzoek voldoende informatie te ontvangen om te beslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof, als bedoeld in artikel 12 Sv., wil ik vastleggen in artikel 51ac, derde lid. Als het slachtoffer in aanvulling hierop wil kennisnemen van processtukken dan kan hij gebruik maken van het recht dat artikel 51b Sv. hem biedt om kennis te nemen van processtukken. Hij kan daartoe een verzoek indienen bij de officier van justitie. Van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan kan hij een afschrift krijgen. Artikel 51b, eerste lid, bepaalt dat de officier van justitie toestemming verleent om kennis te nemen van de processtukken «die voor het slachtoffer van belang zijn». Dit zinsdeel ziet mede op het belang van het slachtoffer bij het kunnen indienen van een klacht bij het hof inzake het niet vervolgen of het uitvaardigen van een strafbeschikking, op grond van artikel 12 Sv.’

(…)

De Raad voor de rechtspraak beveelt aan toe te lichten hoe het recht op informatie zoals neergelegd in het eerste lid van artikel 51ac zich verhoudt tot het reeds bestaande recht op inzage in processtukken, zoals neergelegd in artikel 51b. Artikel 51ac betreft het recht van het slachtoffer op informatie over de zaak, ongeacht of deze informatie is neergelegd in documenten die als processtuk kunnen worden gekwalificeerd (voetnoot 29: Het begrip processtukken wordt omschreven in artikel 149a, tweede lid, Sv. De hoofdregel is dat tot de processtukken alle stukken behoren die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn.).

Dit betekent dat het slachtoffer recht heeft op de informatie die wordt genoemd in artikel 51ac, zonder dat hij de officier van justitie toestemming moet vragen om van het betreffende document kennis te nemen. Deze toestemmingseis wordt wel gesteld bij kennisneming van processtukken op basis van artikel 51b. Als het slachtoffer kennis wil nemen van processtukken, niet zijnde schriftelijke informatie ex artikel 51ac, dan is artikel 51b Sv. van toepassing.’

EHRM en recht op stukken voor slachtoffers bij levensdelicten

De aanleiding voor het verzoek om kennisneming van processtukken in de voorgelegde beschikking is een levensdelict. In een aantal zaken die betrekking hebben op levensdelicten heeft het EHRM in verband met art. 2 EVRM (recht op leven) zich in verband met de op de lidstaten rustende positieve verplichtingen, waaronder het recht op een ‘effective investigation’, uitgesproken over de mate waarin de familie van het slachtoffer (de nabestaanden) bij de procedure dient te worden betrokken, waaronder mede moet worden begrepen het verkrijgen van inzage in stukken. Hieruit volgt dat in beginsel -enige voorbehouden zijn er wel- de naaste familie van het slachtoffer betrokken dient te worden bij de procedure in de mate die noodzakelijk is voor het waarborgen van zijn of haar of haar gerechtvaardigde belangen (‘the next of kin of the victim must be involved in the procedure to such an extent as is necessary to safeguard his or her legitimate interests’), een materieel belang criterium bepaalt tot welke stukken de familie van het slachtoffer toegang moet hebben. Dit schept een ruim recht van de familie van het slachtoffer op toegang tot stukken, zo lang dit nodig is om de rechten die aan een slachtoffer toekomen, te kunnen uitoefenen.

In dit verband zijn de volgende uitspraken van belang. In EHRM 4 augustus 2001, McKerr t. Verenigd Koninkrijk, nr. 28883/95, wordt gesteld:

‘115. (…) there must be a sufficient element of public scrutiny of the investigation or its results to secure accountability in practice as well as in theory. The degree of public scrutiny required may well vary from case to case. In all cases, however, the next-of-kin of the victim must be involved in the procedure to the extent necessary to safeguard his or her legitimate interests (see Güleç, cited above, p. 1733, § 82, where the father of the victim was not informed of the decision not to prosecute; Oğur, cited above, § 92, where the family of the victim had no access to the investigation and court documents; and Gül, cited above, § 93).

En zie EHRM 15 mei 2007, Ramsahai e.a. t. Nederland, nr. 52391/99:

238. The applicants were granted access to the investigation file. On 2 October 1998 they applied for such an order to the Amsterdam Court of Appeal (gerechtshof) by means of a complaint about the failure to bring a prosecution (Article 12 of the Code of Criminal Procedure (Wetboek van Strafvordering) – see below).’ (…)

‘347. The disclosure or publication of police reports and investigative materials may involve sensitive issues with possible prejudicial effects for private individuals or other investigations. It cannot therefore be regarded as an automatic requirement under Article 2 that a deceased victim’s surviving next-of-kin be granted access to the investigation as it goes along. The requisite access of the public or the victim’s relatives may be provided for in other stages of the available procedures (see, among other authorities, McKerr, cited above, § 129).

348. The Court does not consider that Article 2 imposes a duty on the investigating authorities to satisfy every request for a particular investigative measure made by a relative in the course of the investigation.

349. The Chamber found that the applicants had been granted access to the information yielded by the investigation to a degree sufficient for them to participate effectively in proceedings aimed at challenging the decision not to prosecute Officer Brons. The Court notes that neither party has offered any further argument on this subject; for its part, it agrees with the Chamber and sees no reason to take a different view of the matter.

350. There has not therefore been a violation of Article 2 in this regard.’

Zie voorts EHRM 31 oktober 2014, Aliyeva en Aliyev t. Azerbeidzjan, nr. 35587/08 par. 70:

‘70. The investigation must be effective in the sense that it is capable of leading to the identification and punishment of those responsible (see Oğur v. Turkey [GC], no. 21594/93, § 88, ECHR 1999‑III). This is not an obligation of result, but of means. The authorities must take the reasonable steps available to them to secure the evidence concerning the incident. Any deficiency in the investigation which undermines its ability to establish the cause of death, or identify the person or people responsible, will risk falling foul of this standard. Whatever mode is employed, the authorities must act of their own motion once the matter has come to their attention (see, for example, mutatis mutandis, Ilhan v. Turkey [GC], no. 22277/93, ECHR 2000-VII, § 63). Moreover, there must be a sufficient element of public scrutiny of the investigation or its results to secure accountability in practice. In all cases, the next of kin of the victim must be involved in the procedure to such an extent as is necessary to safeguard his or her legitimate interests (see Tsintsabadze v. Georgia, no. 35403/06, § 76, 15 February 2011).’

De hiervoor genoemde zaak Tsintsabadze houdt in:

‘76. For an investigation to be effective, the persons responsible for and carrying out the investigation must be independent and impartial, in law and in practice. This means not only a lack of hierarchical or institutional connection with those implicated in the events but also practical independence (see Ramsahai and Others, cited above, §§ 325 and 333-346, and Scavuzzo-Hager and Others v. Switzerland, no. 41773/98, §§ 78 and 80‑86, 7 February 2006). There must be a sufficient element of public scrutiny of the investigation or its results to secure accountability in practice, maintain public confidence in the authorities' adherence to the rule of law and prevent any appearance of collusion in or tolerance of unlawful acts. In all cases, the next of kin of the victim must be involved in the procedure to the extent necessary to safeguard his or her legitimate interests (see, for example, Güleç v. Turkey, 27 July 1998, § 82, Reports 1998-IV).

Zie ook EHRM 20 november 2014, Jaloud t. Nederland, nr. 47708/08:

224. Whatever the truth of either version of events, the Court finds it established that the applicant was, at his request, granted access to the investigation file; he was in fact in a position to submit it to the Court. Access to the file was also sufficient to enable him to bring proceedings under Article 12 of the Code of Criminal Procedure, in the course of which he was in a position to put up a very effective challenge to the decision not to prosecute Lieutenant A.’En EHRM 13 april 2017, Huseynova t. Azerbeidzjan, nr. 10653/10:

‘106. The investigation must be effective in the sense that it is capable of leading to the identification and punishment of those responsible (see Oğur v. Turkey [GC], no. 21594/93, § 88, ECHR 1999‑III). This is an obligation not of result, but of means. The authorities must take the reasonable steps available to them to secure the evidence concerning the incident. Any deficiency in the investigation which undermines its ability to establish the cause of death, or identify the person or people responsible, will risk falling foul of this standard. Whatever mode is employed, the authorities must act of their own motion once the matter has come to their attention (see, for example, Mustafa Tunç and Fecire Tunç v. Turkey [GC], no. 24014/05, §§ 173-74, 14 April 2015). Moreover, there must be a sufficient element of public scrutiny of the investigation or its results to secure accountability in practice. In all cases, the next of kin of the victim must be involved in the procedure to such an extent as is necessary to safeguard his or her legitimate interests (see Aliyeva and Aliyev, cited above, § 70).’

Voorts EHRM 16 november 2017, Ceesay t. Oostenrijk, nr. 72126/14:

94. In addition, the investigation must be accessible to the victim’s family to the extent necessary to safeguard their legitimate interests. There must also be a sufficient element of public scrutiny of the investigation, the degree of which may vary from case to case (see Hugh Jordan v. the United Kingdom, no. 24746/94, § 109, ECHR 2001‑III). The requisite access of the public or the victim’s relatives may, however, be provided for at other stages of the procedure (see, among other authorities, Giuliani and Gaggio, cited above, § 304, and McKerr v. the United Kingdom, no. 28883/95, § 129, ECHR 2001‑III). In addition, Article 2 does not impose a duty on the investigating authorities to satisfy every request for a particular investigative measure made by a relative in the course of the investigation (see Ramsahai and Others, cited above, § 348, and Velcea and Mazăre v. Romania, no. 64301/01, § 113, 1 December 2009).

En ten slotte EHRM 4 april 2017, GÜZELYURTLU e.a. t. Cyprus en Turkije, nr. 36925/07, welke zaak echter nog niet onherroepelijk is (op 18 september 2017 verwezen naar de Grote Kamer), waarin staat:

‘273. Second, the applicants complained that the Cypriot authorities had not provided them with the evidence they had collected in the case, including all witness statements taken during the investigation. The Court reiterates that Article 2 does not require applicants to have access to police files, or copies of all documents during an ongoing inquiry, or for them to be consulted or informed about every step (see, for example, Gürtekin and Others v. Cyprus, (dec.) nos. 60441/13 et al., § 29, 11 March 2014, and Charalambous and Others v. Turkey (dec.), nos. 46744/07 et al., § 64, both with further references). It emphasises in this respect that disclosure or publication of police reports and investigative materials may involve sensitive issues with possible prejudicial effects on private individuals or other investigations and, therefore, cannot be regarded as an automatic requirement under Article 2 (see Gürtekin, § 29, cited above, and Ramsahai and Others v. the Netherlands [GC], no. 52391/99, § 347, ECHR 2007‑II). Similarly, the investigating authorities cannot be required to indulge every wish of a surviving relative as regards investigative measures (ibid., § 348, and Velcea and Mazăre v. Romania, no. 64301/01, § 113, 1 December 2009). However, the Court must examine whether the applicants were afforded access to the investigation to the extent necessary to safeguard their legitimate interests (see Giuliani and Gaggio v. Italy [GC], no. 23458/02, § 311, ECHR 2011 (extracts)).

274. As can be seen from the material in the case file, the applicants were involved in the investigation from the very beginning. Meetings were held with the Cypriot police and the Attorney-General and the applicants received information from them (see paragraphs 44, 107-108, 111-112 and 114-116 above). They were informed of the progress in the investigation and of the inquest proceedings, which the first applicant attended (see paragraphs 50 and 120). They also received a police report about the case upon their request (see paragraph 117 above). The Court is thus not persuaded in the present case that the applicants were excluded from the investigative process to such a degree as would infringe the minimum standard under Article 2.

275. In reality the applicants’ grievance stems from the refusal of the Cypriot authorities to transmit the case file to the “TRNC” authorities and their wish to remedy the situation. It is therefore intertwined with their complaint concerning lack of cooperation and will be examined in that context.’

Uit deze EHRM-rechtspraak met betrekking tot levensdelicten, zonder dat de betekenis daartoe beperkt is, volgt dat er geen absoluut vereiste is dat een naaste van een (overleden) slachtoffer toegang moet hebben tot een lopend onderzoek. Deze toegang voor naasten van het slachtoffer kan eventueel in andere stadia van het onderzoek verleend worden. Art. 2 EVRM legt aan de onderzoekende autoriteiten van de lidstaten evenmin de verplichting op om elk verzoek van een familielid met betrekking tot een bepaalde onderzoeksmethode tijdens het onderzoek in te willigen. Wel dient de naaste familie van het slachtoffer bij de procedure betrokken te worden in de mate die nodig is om zijn of haar wettelijke rechten te kunnen waarborgen (waaronder het recht om de beslissing tot niet (verdere) vervolging te kunnen aanvechten): ‘the next of kin of the victim must be involved in the procedure to such an extent as is necessary to safeguard his or her legitimate interests’, waarbij geen nadere eisen ten aanzien van de status van stukken waarvan inzage wordt verschaft worden gesteld. Uit de aangehaalde zaak Jaloud t. Nederland komt naar voren dat het EHRM in dat geval voldoende informatieverschaffing om een art. 12 Sv beklag te kunnen instellen van belang acht: ‘Access to the file was also sufficient to enable him to bring proceedings under Article 12 of the Code of Criminal Procedure’. In de beklagprocedure is het Arnhemse hof en ook de nabestaande van het slachtoffer volgens het EHRM evenwel onvoldoende voorgelicht doordat van bepaalde getuigenverhoren slechts een uittreksel ter beschikking was en niet de volledige verklaringen, Jaloud t. Nederland, par 228:’… documents containing important information were not made available to the judicial authorities and the applicant’.

Het EHRM schrijft niet voor in welke juridische vorm rechten van slachtoffers op kennisneming van stukken gestalte moet krijgen.

Een andere belangrijke basis voor toegang tot strafvorderlijke en andere gegevens die van belang zijn voor slachtoffers is artikel 8 EVRM. Enerzijds is dat de basis voor bescherming van persoonsgegevens, maar er kunnen ook positieve verplichtingen uit voortvloeien tot het kennis laten nemen of delen van gegevens, of (zelfs) tot het (kunnen) inzetten van dwangmiddelen ter verkrijging van die gegevens, zoals in EHRM 2 december 2008, K.U. t. Finland, 2872/02) is uitgedrukt:

‘42. The Court reiterates that, although the object of Article 8 is essentially to protect the individual against arbitrary interference by the public authorities, it does not merely compel the State to abstain from such interference: in addition to this primarily negative undertaking, there may be positive obligations inherent in an effective respect for private or family life (see Airey v. Ireland, 9 October 1979, § 32, Series A no. 32).

43. These obligations may involve the adoption of measures designed to secure respect for private life even in the sphere of the relations of individuals between themselves. There are different ways of ensuring respect for private life and the nature of the State’s obligation will depend on the particular aspect of private life that is at issue. While the choice of the means to secure compliance with Article 8 in the sphere of protection against acts of individuals is, in principle, within the State’s margin of appreciation, effective deterrence against grave acts, where fundamental values and essential aspects of private life are at stake, requires efficient criminal-law provisions (see X and Y v. the Netherlands, cited above, §§ 23‑24 and 27; August v. the United Kingdom (dec.), no. 36505/02, 21 January 2003; and M.C. v. Bulgaria, no. 39272/98, § 150, ECHR 2003‑XII).

44. The limits of the national authorities’ margin of appreciation are nonetheless circumscribed by the Convention provisions. In interpreting them, since the Convention is first and foremost a system for the protection of human rights, the Court must have regard to the changing conditions within Contracting States and respond, for example, to any evolving convergence as to the standards to be achieved (see Christine Goodwin v. the United Kingdom [GC], no. 28957/95, § 74, ECHR 2002-VI).

45. The Court considers that, while this case might not attain the seriousness of X and Y v. the Netherlands, where a breach of Article 8 arose from the lack of an effective criminal sanction for the rape of a girl with disabilities, it cannot be treated as trivial. The act was criminal, involved a minor and made him a target for approaches by paedophiles (see, also, paragraph 41 above in this connection).

46. The Government conceded that, at the time, the operator of the Internet server could not be ordered to provide information identifying the offender. They argued that protection was provided by the mere existence of the criminal offence of malicious misrepresentation and by the possibility of bringing criminal charges or an action for damages against the server operator. As to the former, the Court notes that the existence of an offence has limited deterrent effects if there is no means to identify the actual offender and to bring him to justice. Here, the Court notes that it has not excluded the possibility that the State’s positive obligations under Article 8 to safeguard the individual’s physical or moral integrity may extend to questions relating to the effectiveness of a criminal investigation even where the criminal liability of agents of the State is not at issue (see Osman v. the United Kingdom, 28 October 1998, § 128, Reports of Judgments and Decisions 1998-VIII). For the Court, States have a positive obligation inherent in Article 8 of the Convention to criminalise offences against the person, including attempted offences, and to reinforce the deterrent effect of criminalisation by applying criminal‑law provisions in practice through effective investigation and prosecution (see, mutatis mutandis, M.C. v. Bulgaria, cited above, § 153). Where the physical and moral welfare of a child is threatened, such injunction assumes even greater importance. The Court notes in this connection that sexual abuse is unquestionably an abhorrent type of wrongdoing, with debilitating effects on its victims. Children and other vulnerable individuals are entitled to State protection, in the form of effective deterrence, from such grave types of interference with essential aspects of their private lives (see Stubbings and Others v. the United Kingdom, 22 October 1996, § 64, Reports 1996‑IV).

47. As to the Government’s argument that the applicant had the possibility to obtain damages from a third party, namely the service provider, the Court considers that it was not sufficient in the circumstances of this case. It is plain that both the public interest and the protection of the interests of victims of crimes committed against their physical or psychological well-being require the availability of a remedy enabling the actual offender to be identified and brought to justice, in the instant case the person who placed the advertisement in the applicant’s name, and the victim to obtain financial reparation from him.’

Andere juridische wegen

In de praktijk worden door slachtoffers verschillende juridische wegen bewandeld om kennis te nemen van strafvorderlijk vergaarde of gegenereerde stukken en/of informatie. Naast het volgen van de strafvorderlijke weg van art. 51ac Sv, 51b Sv, 12 Sv, 32 Sv en 365 Sv wordt in bestuurlijke procedures een beroep gedaan op de Wet Openbaarheid Bestuur (Wob), de Wet Politiegegevens (WPG) en de Wet op de justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). In civiele procedures wordt met name een beroep gedaan op de Wjsg.

De Wob en strafvorderlijke gegevens

Wanneer er aanwijzingen of vermoedens zijn dat stukken op departementen onderwerp van bespreking zijn geweest, kan er aanleiding zijn de Wob te beproeven als juridisch middel om die stukken openbaar te laten maken. In die context kan een Wob-verzoek ook worden ingezet als instrument voor het slachtoffer om van stukken kennis te nemen zonder vervolgens gebonden te zijn aan een bijzondere beperking waarvoor verkregen informatie wordt gebruikt. De betekenis van de Wob in verhouding tot de Wjsg voor verkrijging van strafvorderlijke gegevens door slachtoffers en nabestaanden wordt door (toenmalig) A-G Langemeijer in zijn conclusie betreffende een civiel kort geding helder uiteengezet (ECLI:NL:PHR:2015:156):

‘2.9 Op grond van art. 3 Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten, over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover het persoonsgegevens betreft als bedoeld in art. 16 e.v. Wbp (de zgn. ‘gevoelige’ persoonsgegevens, waaronder strafrechtelijke persoonsgegevens); zie art. 10 Wob. De verstrekking door het OM van informatie aan anderen dan de persoon op wie de gegevens betrekking hebben over afgedane strafzaken (‘strafblad’) en van informatie uit strafdossiers en uit de door het OM voor de afdoening van strafzaken aangelegde geautomatiseerde systemen en databanken geschiedt op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens dan wel op grond van een bijzondere, op die verstrekking toepasselijke wettelijke bepaling. Dat voor het Openbaar Ministerie verscheidene regelingen naast elkaar van toepassing zijn, komt doordat het OM voor verschillende doeleinden persoonsgegevens verwerkt: persoonsgegevens van sollicitanten of personeel, bijvoorbeeld, vallen onder een ander regime dan gegevens betreffende lopende strafzaken of gegevens met betrekking tot vennootschapsrechtelijke of familierechtelijke aangelegenheden waarin de officier van justitie wettelijk een taak heeft. Voor de verstrekking gelden Aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.’

In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2014 inzake de Ahold-zaak, ECLI:NL:RVS:2014:1214, gaat het onder meer om door [appellant] gezochte openbaarmaking van documenten betreffende fraude bij Ahold. Voor een deel heeft appellant al kennis van de inhoud van deze documenten, maar voor een deel niet. De appellant stelt dat hij zich als benadeelde partij in de strafrechtelijke procedures tegen bestuurders van Ahold heeft gevoegd en in die hoedanigheid verzocht om inzage in en een afschrift van de dossiers in die procedures. Het gerechtshof heeft overwogen dat [appellant] als benadeelde partij ingevolge het WvSv recht heeft op kennisname van de processtukken die voor hem van belang zijn. Daarbij heeft het mede in aanmerking genomen dat [appellant] heeft toegezegd dat hij de stukken alleen ten behoeve van het verkrijgen van schadevergoeding zal gebruiken. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt:

‘7.2. De beslissing omtrent het verlenen van inzage aan een benadeelde partij in een strafrechtelijke procedure is geen besluit omtrent openbaarmaking krachtens de Wob. Daartoe is in dit geval slechts de minister bevoegd. Verder heeft de rechtbank [appellant] terecht niet gevolgd in het betoog dat de in de door hem genoemde wetten neergelegde beperkingen op het recht op openbaarmaking niet van toepassing zijn, indien in een strafrechtelijke procedure toestemming is verleend voor kennisname van die stukken of een buitenlandse rechter heeft bepaald dat derden onder voorwaarden processtukken mogen inzien. De vraag of het Openbaar Ministerie de beslissing van het gerechtshof juist heeft uitgevoerd, valt buiten dit geding. De rechtbank is hier dan ook terecht niet op ingegaan.’

Het ter verkrijging van openbaarheid door appellant ingeroepen belang - ‘dat meer dan 500.000 personen door de fraude bij Ahold en de wijze van afdoening van de daarop betrekking hebbende strafzaak zijn benadeeld en hij de stukken nodig heeft voor het verkrijgen van schadevergoeding en rehabilitatie.’- heeft in het kader van de Wob geen gewicht, omdat het belang van openbaarmaking voor een goede en democratische besluitvorming een op zichzelf staand belang vooronderstelt en het gewicht ervan niet afhankelijk is van het onderwerp, waarop de documenten betrekking hebben (Afdeling bestuursrechtspraak, RvS 17 februari 2010 in zaak nr. 200906298/1/H3).

In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, RvS 2 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:498, stellen appellanten dat belanghebbende hun (stief)kleinkinderen seksueel heeft misbruikt. Zij hebben aangifte tegen hem gedaan. In het kader van de bewijsvergaring om te bewerkstelligen dat belanghebbende strafrechtelijk wordt vervolgd en om een schadeclaim in te dienen hebben zij op 30 december 2013 een Wob-verzoek ingediend bij de minister. Zij verzoeken onder meer om openbaarmaking van alle communicatie die heeft plaatsgevonden tussen het ressortspakket en belanghebbende en zijn advocaat. In bezwaar heeft de minister gesteld vier documenten te hebben aangetroffen die volgens hem onder het verzoek van appellanten vallen. Deze heeft hij deels openbaar gemaakt. Alle documenten bevatten strafrechtelijke persoonsgegevens die moeten worden geweigerd. Openbaarmaking zou volgens de minister leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Er is in deze zaak volgens de RvS overigens sprake van misbruik van de Wob-procedure.

De Wob biedt geen specifiek instrument voor slachtoffers van delicten ter verkrijging van relevante stukken. Het gediende belang is de mogelijkheid van ‘public scrutiny’. In de Wob wordt ten aanzien van openbaarheid immers geen onderscheid gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Het gaat in dergelijke procedures slechts om afweging van het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden in dat verband te beschermen belangen, niet om het specifieke belang van de verzoeker. Een dergelijke belangenafweging kan niet leiden tot openbaarmaking aan slechts een bepaalde verzoeker, zoals een slachtoffer.

De Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens

Slachtoffers van strafbare feiten kunnen uiteraard andere dan typisch strafvorderlijke belangen hebben. Een recent voorbeeld: het Hof Den Haag wijst in een beschikking van 30 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:840, een beklag gericht tegen niet vervolging en niet meer vervolging af, maar voegt daaraan toe dat mogelijk sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat wegens de gevolgen. Het kader voor het verstrekken van strafvorderlijke gegevens voor andere dan strafvorderlijke doeleinden is geregeld in de artikelen 39e en 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

De Wet Justitiële en strafvorderlijke bindt de verstrekking van gegevens op grond van artikelen 8a en 39f aan een zwaarwegend algemeen belang:

‘Artikel 8a

1 Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal in de gevallen waarin het ingevolge artikel 39e of 39f bevoegd is strafvorderlijke gegevens te verstrekken, justitiële gegevens verstrekken.

2 De artikelen 39e, derde lid, en 39f, tweede lid, onder a, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 39f

1 Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal, onverminderd artikel 39e, aan personen of instanties voor de volgende doeleinden strafvorderlijke gegevens verstrekken:

(…)

f. het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, of

g. het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling door een persoon of instantie die met een publieke taak is belast.

2 Het College van procureurs-generaal kan slechts strafvorderlijke gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het eerste lid verstrekken, voorzover die gegevens voor die personen of instanties:

a. noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte, en

b. in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot andere personen dan betrokkene, redelijkerwijs wordt voorkomen.

3 De artikelen 8, vierde lid, en 9, eerste lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.’

De memorie van toelichting bij deze wet is erg summier over de belangen van slachtoffers. Aangaande art 39f, tweede lid, onder a Wjsg wordt gesteld:

‘Het openbaar ministerie heeft de mogelijkheid om aan derden strafvorderlijke informatie beschikbaar te stellen, voorzover zij deze behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen. De reden voor het opnemen van deze grondslag is dat verzekeraars die in de rechten treden van slachtoffers van strafbare feiten of terzake van die rechten een recht van verhaal hebben verkregen, behoefte hebben aan strafvorderlijke gegevens. Zij kunnen die gegevens nodig hebben om schade te verhalen op de dader van een strafbaar feit. Verzekeraars die op basis van de onderhavige grondslag strafvorderlijke gegevens hebben verkregen, mogen deze gegevens niet voor andere doeleinden gebruiken, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat vloeit uit het voorgestelde artikel 39f, derde lid.’

Aangaande het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn (art 8a jo. art. 39f, eerste lid onder f) staat in de memorie van toelichting in de volgende situatie als voorbeeld en rechtvaardiging voor verstrekking van justitiële gegevens:

‘het kan van belang zijn dat een officier van justitie in verband met een succesvolle aanpak van probleemjongeren aan jeugdhulpverleningsinstanties niet alleen informatie verschaft over een strafzaak die bij het Openbaar Ministerie in behandeling is en waarbij de jongere betrokken is, maar ook over het strafrechtelijk verleden van de betrokken jongere’.

De Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, in werking getreden op 1 september 2013, geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. De aanwijzing is een uitwerking van titel 2A van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Voorzover noodzakelijk voor het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan slachtoffers. Ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51b Sv betrekking heeft.

De verstrekking van strafvorderlijke gegevens onder verantwoordelijkheid van het College van Procureurs-Generaal van het openbaar ministerie op grond van Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is in civielrechtelijke procedures meermalen aan de orde geweest, ik vermeld de zaken HR 21 december 2007 inzake International Card Services B.V., ECLI:NL:HR:2007:BB9133; HR 20 april 2012, Trafigura ECLI:NL:HR:2012:BV3436 en HR 10 juli 2015, Kort geding schietpartij Alphen aan de Rijn, ECLI:NL:PHR:2015:156. In laatstgenoemde zaak gaat het om slachtoffers en nabestaanden die kennis willen nemen van een ‘post mortem’ opgemaakt psychiatrisch rapport over de overleden schutter. Het doel van de opgemaakte rapportage is niet strafvorderlijk omdat de schutter niet meer vervolgd kon worden. Bijgevolg wordt de Wjsg niet toepasselijk geacht. Wel kon het opmaken van een dergelijk rapport binnen de taakstelling van het openbaar ministerie vallen die immers ook is belast met hulpverlening aan slachtoffers en met preventie. In navolging van (toen) A-G Langemeijer geeft de Hoge Raad aan dat de persoonsgegevens bij niet toepasselijkheid van de Wjsg in beginsel worden beheerst door de Wet bescherming persoonsgegevens. In de genoemde zaken van International Card Services B.V. en in die betreffende Trafigura wordt opgekomen tegen gebruik van door het College van Procureurs-Generaal verstrekte gegevens.

De kennisneming van processtukken op grond van art. 51b Sv ziet op strafvorderlijke doelen. De vraag is of de vrees voor gebruik van gegevens voor andere dan strafvorderlijke doeleinden een motief kan opleveren voor weigering dat is onder te brengen in de weigeringsgrond van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:8910, wordt een op grond van art. 51b Sv door minderjarige slachtoffers van incest verzocht afschrift van persoonlijkheidsrapportage over de verdachte (hun vader) door de rechtbank afgewezen met het oog op bescherming van niet strafvorderlijk georiënteerde belangen. De hierna geciteerde overweging is (ook) opmerkelijk nu de advocaat van de verdachte wel bereid was de gevraagde stukken aan de raadsman van de verzoekers te verstrekken. De verdachte verzette zich ook niet tegen verstrekking van de rapportage. De rechtbank overweegt niettemin:

‘Ook verdachte heeft een eigen belang om zich tegen afgifte van de persoonsrapportages te verzetten. Dit belang is met name gelegen in de omstandigheid dat hij verkeert in een conflictsituatie met zijn echtgenote, die in het voorliggende verzoek optreedt als wettelijk vertegenwoordigster van de benadeelden. De conflictsituatie is ter zitting al gebleken. Gebleken is ook dat een echtscheidingsprocedure binnenkort aanhangig zal worden gemaakt. Niet uit te sluiten is dat alsdan nieuwe conflicten opdoemen, bijvoorbeeld rond het gezag over de kinderen. Het gevaar dat dan door de moeder of de kinderen deze rapportages worden ingebracht in de procedure is dan levensgroot. De persoonsrapportages zijn echter niet met dat doel uitgebracht.’

Afronding

Aan mijn vordering tot cassatie in het belang der wet leg ik ten grondslag het standpunt dat het oordeel van de rechter-commissaris in de rechtbank in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 februari 2014, getuigt van een onjuiste maatstaf voor de toepassing van art. 51b Sv op verzoeken van een slachtoffer om verstrekking van processtukken. Een slachtoffer heeft op grond van art. 51b Sv, behoudens een weigeringsgrond vermeld in art. 187d Sv, recht op kennisneming van processtukken ten behoeve van strafvorderlijke doeleinden. Tot strafvorderlijke doeleinden moet, meen ik, mede gerekend worden de opstelling van een klaagschrift door een slachtoffer met het oog op het instellen van een vordering in de zin van art. 12 Sv. Kennisneming van processtukken kan in die fase nodig zijn bijvoorbeeld om te ontkomen aan een art. 12c Sv beslissing (‘kennelijk ongegrond’). Ik merk aanvullend op dat daaraan voor de actuele situatie niet afdoet dat thans op grond van art. 51ac Sv ‘voldoende informatie’ dient te worden verschaft aan een slachtoffer om te beslissen al of niet te klagen over het niet vervolgen van een strafbaar feit. Als een beklagprocedure loopt bestaat voor het slachtoffer (klager) (in mijn ogen a fortiori) recht op kennisneming van processtukken, behalve aan art. 12f Sv kan het slachtoffer ook aan art. 51b Sv in deze procedurele fase recht op kennisneming van processtukken ontlenen, zoals dat blijkens de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis van art. 51ac Sv door de wetgever ook is verondersteld.

Als middel van cassatie wordt voorgesteld: De rechter-commissaris in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in de bestreden beschikking van 5 februari 2014 het recht geschonden door toepassing van een onjuiste maatstaf aangaande art. 51b Sv oordelend dat, nu de officier van justitie niet tot vervolging heeft kunnen overgaan, geen sprake is van processtukken waarvan de verstrekking of inzage kan worden verzocht.

Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 februari 2014 in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat de door de Hoge Raad gegeven beslissing geen nadeel zal toebrengen aan door partijen verkregen rechten.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF