Is het meermalen staande houden op grond van de zgn. patsercriteria onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW?

Rechtbank Den Haag 14 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15504 (Civiel)

In de periode tussen 2011 en 2013 is Eiser een aantal malen met zijn auto in het centrum van Rotterdam door de politie staande gehouden.

Eiser is bij de Politie, Eenheid Rotterdam een klachtenprocedure begonnen. Bij brief van 19 november 2013 heeft de politiechef van de eenheid Rotterdam, drs. FP de volgende conclusie van de klacht verwoord:

Conclusie
Na zorgvuldige bestudering van het dossier en het advies van de commissie, beoordeel ik uw klacht als volgt:
  • Ten aanzien van het vooringenomen handelen door de politie en inbreuk op het privé leven van klager en de toezegging dat de gegevens uit de politiesystemen verwijderd zouden worden acht ik uw klacht ongegrond;
  • Ten aanzien van het beledigen door de politie acht ik uw klacht deels gegrond;
  • Ten aanzien van het verwijderen, verbeteren en aanvullen van onrechtmatige gegevens van klager in de politiesystemen bent u krachtens de klachtenregeling niet ontvankelijk.

In de brief van 19 november 2013 staat een passage, waarin Eiser op de mogelijkheid wordt gewezen de klacht voor te leggen aan de Nationale Ombudsman. Eiser heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Nationale Ombudsman heeft de klacht in behandeling genomen en onderzocht en de bevindingen in een rapport d.d. 29 december 2014 neergelegd (Productie 2 bij dagvaarding).

Eiser ’s klacht bij de Nationale Ombudsman valt in twee delen uiteen. Een deel gaat over de ‘aandachtvestiging’, waarmee bedoeld wordt dat in de mutaties van de politie over de staande houdingen van Eiser melding wordt gemaakt van zijn verbroken relatie met een vrouwelijke politieambtenaar van het bureau Eendrachtsplein in Rotterdam. Het andere deel gaat over onnodige confrontaties met de politie. Beide gedragingen bestempelt de Nationale Ombudsman als ‘niet behoorlijk’, waarbij het bij de aandachtvestiging gaat om een handelen in strijd met de vereiste professionaliteit en bij de onnodige confrontaties om strijd met het vereiste van goede organisatie. De slotconclusie van de Nationale Ombudsman luidt als volgt:

De klacht over de onderzochte gedraging van de politie eenheid Rotterdam, is gegrond wegens enerzijds schending van het vereiste van professionaliteit en anderzijds schending van het vereiste van goede organisatie.

De vordering

Eiser vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (primair) de Nationale Politie te veroordelen tot betaling aan Eiser van een bedrag van €3.713,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarding tot aan de algehele voldoening, (subsidiair) de Nationale Politie te veroordelen aan Eiser te betalen een in goede justitie te bepalen bedrag, (primair en subsidiair) de Nationale Politie te veroordelen tot betaling van (I.) de buitengerechtelijke kosten van €196,38, (II.) de proceskosten.

Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in de periode tussen 2011 en 2013 herhaaldelijk onnodig door de politie met zijn auto is staande gehouden, als gevolg van welk onbehoorlijk handelen door de politie hij immateriële schade ad €1.500 heeft geleden (spanningsklachten en slaapstoornissen). In verband met een klachtprocedure bij de Nationale Ombudsman heeft hij advocatenkosten gemaakt voor een bedrag van
€2.213,79, die hij vergoed wil zien.

Het verweer

De Nationale Politie voert verweer tegen de vordering van Eiser. Wat betreft de immateriële schade van Eiser stelt de Nationale Politie, dat ondanks het feit dat de Nationele Ombudsman het handelen van de politie heeft aangemerkt als onbehoorlijk, dat niet inhoudt dat het handelen van de politie onrechtmatig was. Wat betreft de advocatenkosten stelt de Nationale Politie dat advocatenkosten in verband met de (laagdrempelige) klachtenprocedure bij de Nationale Ombudsman niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor zover relevant zal het verweer van de Politie hierna besproken worden.

De beoordeling

De vordering van Eiser valt in twee delen uiteen. Enerzijds vordert Eiser immateriële schadevergoeding in verband met onbehoorlijk gedrag door de politie. Als grondslag voor deze vordering voert Eiser onrechtmatige daad aan. Anderzijds vordert hij vergoeding van gemaakte advocatenkosten in verband met de klachtenbehandelingen aan. Bij deze vordering baseert Eiser zich op artikel 6:96 lid 2b BW: vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De kantonrechter zal deze twee vorderingen hierna afzonderlijk behandelen.

Aansprakelijkheid voor immateriële schade

Het stelsel van de wet in verband met aansprakelijkheid voor immateriële schade is dat eerst op de voet van artikel 6:162 BW dient te worden beoordeeld of sprake is van een onrechtmatige daad, die tot een verplichting leidt van degene die de onrechtmatige daad heeft gepleegd om de schade van de benadeelde te vergoeden, waarna vervolgens op de voet van artikel 6:106 BW beoordeeld dient te worden of de schade als immateriële schade kan worden aangemerkt, in welk geval de schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld. Als de rechter oordeelt dat van een onrechtmatige daad geen sprake is, komt de rechter aan de beoordeling van de vraag of sprake is van immateriële schade niet toe.

De ter beoordeling voorliggende vraag is of het handelen van de Nationale Politie als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Daarbij gaat het, zoals Eiser in zijn dagvaarding onder punt 15 verwoordt, uitsluitend over het steeds opnieuw staande houden, waardoor bij hem spanningsklachten ontstonden, die tot uiting kwamen in de vorm van slaapstoornissen. Voor zover Eiser in de klachtenprocedures nog heeft geklaagd over het vermelden in de politiemutaties van zijn verbroken relatie met een politieambtenaar en waarover de Nationale Ombudsman heeft geoordeeld dat dit niet behoorlijk was als in strijd met het vereiste van professionaliteit, is dat niet een omstandigheid waarop Eiser zich in deze procedure baseert.

In zijn dagvaarding stelt Eiser de kwalificatie ‘onbehoorlijk’ door de Nationale Ombudsman gelijk aan het begrip ‘onrechtmatig’ van artikel 6:162 BW. De Nationale Politie stelt dat het feit dat de Nationale Ombudsman het handelen van de politie als onbehoorlijk heeft geacht, geenszins met zich brengt dat het handelen als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd, omdat de Nationale Ombudsman geen oordeel geeft over onrechtmatigheid.

De reden waarom de Nationale Ombudsman tot het oordeel komt dat de gedraging van de politie niet behoorlijk is niet omdat hij van oordeel is dat Eiser herhaaldelijk is staande gehouden. De Nationale Ombudsman overweegt in zijn rapport op dit punt:

Hoewel verzoeker dit anders heeft ervaren, acht de Nationale Ombudsman het niet aannemelijk dat verzoeker als direct gevolg van de aandachtvestigingen bij wijze van pesterij telkens aan de kant werd gezet. Wel acht de Nationale Ombudsman het aannemelijk dat Eiser herhaaldelijk is staande gehouden:
Gelet op de opmerking van de politiechef dat er lang niet altijd een mutatie wordt opgemaakt van een staande-houding in het kader van een controle ongebruikelijk bezit, acht de Nationale Ombudsman het wel aannemelijk dat verzoeker veel vaker dan 4 keer is gecontroleerd, aangezien hij aan de ‘patsercriteria’ voldoet.

De reden waarom de Nationale Ombudsman wel tot onbehoorlijk gedrag van de Nationale Politie concludeert is, omdat de politie niet beschikt over een systematiek, die waarborgt dat een persoon, die eenmaal is gecontroleerd in het kader van controle of dure goederen met legaal geld zijn verkregen in de toekomst verschoond blijft van nieuwe controles. De Nationale Ombudsman overweegt:

Het bevreemdt de Nationale Ombudsman dan ook dat de politiechef deze situatie blijkt goed te keuren. Er kan volgens de politiechef immers niet worden gewaarborgd dat een persoon die onderwerp is geweest van een onderzoek en heeft kunnen aantonen dat de auto met legaal geld is verkregen, in de toekomst verschoond blijft van nieuwe patsercontroles.
Alles overziend is de Nationale Ombudsman van oordeel dat de politie door verzoeker telkens opnieuw staande te houden in het kader van ongebruikelijk bezit heeft gehandeld in strijd met het vereiste van een goede organisatie. De Nationale Ombudsman ziet hierin reden tot het doen van een aanbeveling.

En dan volgt als aanbeveling:

De politiechef van de eenheid Rotterdam wordt in overweging gegeven om naar een mogelijkheid te zoeken om personen waarbij is komen vast te staan dat hun bezit niet op ongebruikelijke wijze is verkregen, in de toekomst zoveel mogelijk te vrijwaren van nieuwe controles ‘ongebruikelijk bezit’.

Reeds uit het feit dat het oordeel van de Nationale Ombudsman zich richt op de organisatie door de politie van de registratie en niet op de frequentie en/of de wijze waarop de politie Eiser heeft staande gehouden vloeit voort dat het oordeel ‘onbehoorlijk’ van de Nationale Ombudsman niet ziet op de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van het staande houden van Eiser.

Een daad is onrechtmatig als deze betreft een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in ter maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). Nu Eiser geen inbreuk op een recht dan wel een handelen in strijd met een wettelijke plicht heeft gesteld, is het de vraag of het handelen van de Nationale Politie onder omstandigheden in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid.

In dat kader moet beoordeeld worden of Eiser, zoals hij stelt, herhaaldelijk is staande gehouden, zonder dat daar noodzaak toe was, dan wel in situaties, waarin de politie wist of kon weten dat hij zijn auto met legaal geld verkregen had en het staande houden als onnodig kan worden gezien.

Ten aanzien van de frequentie van het staande houden stelt Eiser dat er periodes zijn geweest dat hij vier- tot vijfmaal per week werd staande gehouden. De Nationale Politie betwist dit. Weliswaar overweegt dat Nationale Ombudsman dat het hem aannemelijk voorkomt dat Eiser meer dan vier keer (in totaal) is staande gehouden, maar dit levert in dit verband onvoldoende ondersteuning voor Eiser op. Gelet op de betwisting van de zijde van de Nationale Politie is het aan Eiser om, desnoods door bewijslevering, heel concreet aan te tonen waar, wanneer en onder welke omstandigheden hij staande is gehouden. Eiser heeft in algemene termen bewijs van zijn stelling aangeboden, maar hij is daarbij onvoldoende concreet geweest ten aanzien van de identiteit van zijn getuigen en onvoldoende concreet ten aanzien van de periodes waarin de staande houdingen plaatsvonden en de tijdstippen, plaatsen en omstandigheden daarvan. Hierin ziet de kantonrechter aanleiding dit bewijsaanbod, als onvoldoende concreet, te passeren.

De kantonrechter neemt derhalve als uitgangspunt voor het aantal staande houdingen de in de procedure overgelegde politiemutaties, vijf in getal, van 18 en 21 februari 2011 (Productie 3 bij dagvaarding) en van 14 juli 2012, 2 februari 2013 en 16 mei 2013 (Productie 1 bij conclusie van antwoord). Daarbovenop komt nog een (beperkt) aantal, als door de Nationale Politie erkend, staande houdingen, die niet zijn gedocumenteerd.

Uit de overgelegde mutaties blijken de redenen van de staande houdingen. De mutatie van 1 februari 2011 vermeldt:

Viel betrokkene met omschreven voertuig rapps op. Betrokkene reed met lage snelheid voor bureau Eendrachtsplein langs en keek in de richting van het bureau. Betrokkene leek opvallend veel aandacht te hebben voor ons en het bureau. Rapp heeft betrokkene de laatste 2 weken meerdere malen zien rijden in betrokken voertuig in de omgeving van bureau Eendrachtsplein.
De mutatie van 14 juli 2012 vermeldt:
14/07/2012 omstreeks 01:35uur reden verb op de Van Speykstraat. Wij zagen en hoorden op het Tiendplein een BMW M6 flink optrekken idrv West. Was net binnen de perken.
De mutatie van 2 februari 2013 vermeldt:
Eiser en (…) reden achter elkaar aan en de snelheid werd een aantal malen behoorlijk verhoogd. Hierop reden rapp’s achter de heren aan om te kijken wat ze gingen doen. De heren reden rondjes omgeving Witte de Withstraat en t centrum van R-dam. Daarbij werden een tweetal overtredingen gemaakt te weten:
- stoppen op een VOP en niet volgen van de richting voorsorteervak.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 13 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV6956, Begaclaim) heeft (her)bevestigd kan strafrechtelijk optreden van de politie onrechtmatig zijn, indien van aanvang af een rechtvaardiging voor het politieoptreden heeft ontbroken doordat (bijvoorbeeld) er van aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering heeft ontbroken. Tegen die maatstaf dient het optreden van de politie in de hierboven vermelde concrete gevallen te worden gelegd.

Als verweer tegen de stelling van Eiser brengt de Nationale Politie naar voren dat de staande houdingen niet onrechtmatig waren omdat steeds een redelijke verdenking van het strafbare feit van artikel 420 bis van het Wetboek van Strafrecht (‘witwassen’) bestond.

Uit de hiervoor genoemde mutaties blijkt dat Eiser zich telkens in het verkeer opvallend gedroeg met een opvallende auto. In het ene geval reed hij herhaaldelijk langzaam langs een politiebureau, in het andere geval trok hij hoorbaar hard op met die auto en in het derde geval lijkt er zelfs sprake te zijn geweest van verkeersovertredingen. Nu, zoals reeds is overwogen in rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7, de onbehoorlijkheid van het gedrag van de politie in het kader van ‘patsercontroles’ is gelegen in het niet beschikken over een registratiesysteem, is het de betrokken politieagenten, en daarmee ook de Nationale Politie als organisatie, niet te verwijten dat zij Eiser staande hielden voor opvallend gedrag met een opvallende auto. De staande houdingen kunnen in dat licht worden aangemerkt als staande houdingen in verband met een redelijke verdenking van witwassen.

Daarmee is niet voldaan aan een van de voorwaarden van onrechtmatigde daad en komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de andere voorwaarden daarvan en ook niet aan de vraag of er sprake is van immateriële schade, waarvoor de Nationale Politie aansprakelijk is. De vordering van Eiser tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen.

Vergoeding van advocatenkosten

Eiser stelt advocatenkosten te hebben gemaakt en toont dat ook aan door middel van een aantal declaraties (Productie 10 bij dagvaarding). Uit de omschrijvingen op deze declaraties blijkt dat zij betrekking hebben op de klachtenprocedures bij de politie Rotterdam en Nationale Ombudsman. De kosten van deze beide procedures zijn geen (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, ook niet in indirecte zin. Enig oordeel van ofwel de politiechef van Rotterdam of de Nationale Ombudsman over de wijze waarop de Nationale Politie haar werkzaamheden verricht, levert geen oordeel over de (mogelijke) civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Nationale Politie op.

In dat licht levert artikel 6:96 lid 2 onder BW, waarop Eiser zijn vordering tot vergoeding van gemaakte advocatenkosten op baseert, geen grondslag op voor vergoeding van die kosten. Dit element van zijn vordering zal daarom worden afgewezen.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF