Immateriële schadevergoeding in KB Lux zaken

Rechtbank Arnhem 16 oktober 2012, LJN BY0026 (Belastingkamer) In geschil was op welk bedrag aan immateriële schadevergoeding eiser recht heeft in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepfase. Voorts diende te worden beslist welk deel van de overschrijding van de termijn moest worden toegerekend aan de Belastingdienst en welk deel aan de Staat, zodat de vergoedingsplicht dienovereenkomstig kan worden gesplitst.

Standpunt Belastingdienst

De Belastingdienst heeft primair betoogd dat geen schadevergoeding hoeft te worden betaald, omdat sprake is van gevaarzetting door eiser (verzwijgen van de Luxemburgse bankrekening) en derhalve van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.

Subsidiair heeft de Belastingdienst aangevoerd dat de redelijke termijn voor de bezwaarfase dient te worden verlengd tot een jaar in verband met de beslistermijn van art. 25 AWR in combinatie met de ingewikkeldheid van de zaak. Volgens de berekening van de Belastingdienst is in dat geval de redelijke termijn met 11 maanden overschreden, hetgeen zou moeten leiden tot een schadevergoeding van € 1.000.

Standpant van de Staat

De Staat heeft aangevoerd dat voor de vergoeding moet worden gekeken naar de periode vanaf indiening van het beroepschrift tot de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken, waarbij voor de rechtbank een redelijke termijn van 1,5 jaar gold. Voorts dient volgens de Staat de periode van de prejudiciële procedure, die 23 maanden heeft geduurd, bij de redelijke termijn te worden opgeteld (of van de overschrijding te worden afgetrokken). Aldus komt de Staat op een overschrijding van 25 maanden. Zij biedt in dat verband een schadevergoeding aan van € 2.500.

Standpunt gemachtigde

De gemachtigde van eiser heeft het primaire betoog van de Belastingdienst op het punt van de gevaarzetting en eigen schuld bestreden.

Ten aanzien van de overschrijding van de termijn heeft hij aangevoerd dat de totale termijn vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak in de hoofdzaken moet worden beschouwd en dat de overschrijding van de termijn aldus dient te worden vastgesteld.

Volgens gemachtigde dienen slechts 15 maanden (en dus niet 23 maanden) aan de redelijke termijn te worden toegevoegd in verband met de prejudiciële procedure. De periode tussen de uitspraak van het Hof van Justitie en de einduitspraak van de Hoge Raad telt hij niet mee. Aldus komt hij uit op een overschrijding van 50 maanden.

Deze overschrijding leidt volgens hem tot een vergoeding van € 4.500 per procedure. Aangezien het 19 procedures betreft en de spanning en frustratie van zijn cliënt als gevolg van dit aantal is toegenomen ten opzichte van 1 procedure, komt de totale vergoeding volgens hem uit op (19 x € 4.500 =) € 85.500.

Subsidiair dient er volgens gemachtigde een factor te worden toegepast van 1,5 in verband met de 19 samenhangende zaken, zodat de vergoeding uitkomt op € 6.750.

Beoordeling rechtbank

Anders dan gemachtigde van eiser heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om in verband met de prejudiciële procedure slechts 15 maanden aan de redelijke termijn van twee jaar toe te voegen in plaats van 23 maanden. De rechtbank diende na de uitspraak van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 namelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 af te wachten. Gelet op de rechtsvormende taak van de Hoge Raad was het naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie gewezen arrest van de Hoge Raad immers ook van doorslaggevend belang bij de beoordeling van het geschil.

Het bovenstaande brengt mee dat de redelijke termijn uitkomt op 2 jaar plus 23 maanden, ofwel 3 jaar en 11 maanden. De overschrijding van de termijn is 3 jaar en 6 maanden. Deze overschrijding leidt volgens de door de Hoge Raad gegeven regels in beginsel tot een vergoeding van 7 maal een half jaar ad € 500, dus € 3.500.

De primaire stelling van de Belastingdienst dat eiser in het geheel geen recht heeft op vergoeding in verband met gevaarzetting/eigen schuld, wordt verworpen. De grondslag voor de immateriële schadevergoeding is immers de trage rechtsgang die is veroorzaakt door het bestuursorgaan en/of door de rechter. De gedragingen van eiser die door de Belastingdienst als gevaarzetting en/of eigen schuld worden aangemerkt (het hebben maar niet opgeven van een buitenlandse bankrekening) zijn niet relevant in het licht van die grondslag. Eiser houdt het recht op een beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. Voorts is niet gesteld of gebleken dat eiser zich tijdens de procedure zodanig heeft gedragen dat de overschrijding van de redelijke termijn mede aan hem zou zijn toe te rekenen. Ook in zoverre is dus geen sprake van eigen schuld of van gedragingen van eiser die zouden moeten leiden tot een verlenging van de redelijke termijn.

De stelling van de gemachtigde van eiser dat de vergoeding per procedure moet worden berekend (en dus 19 keer moet worden genomen), wordt eveneens door de rechtbank verworpen. De ingediende bezwaarschriften hadden namelijk betrekking op hetzelfde feitencomplex, te weten op dezelfde niet opgegeven buitenlandse bankrekening. De procedures daarover zijn als één geheel gevoerd en hebben geresulteerd in één uitspraak van de rechtbank voor alle zaken samen. Niet aannemelijk is dat eiser meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de twee ingediende bezwaarschriften betrekking hadden op meerdere aanslagen, boetes en beschikkingen heffingsrente. De stelling van eisers gemachtigde ter zitting dat eiser meerdere aanslagen kort na elkaar heeft ontvangen, hetgeen tot meer spanning zou hebben geleid dan wanneer het zou zijn gegaan om één aanslag, is niet relevant, aangezien het bij de immateriële schadevergoeding niet gaat om de spanning die is ontstaan door het ontvangen van de aanslagen, maar om de spanning die is ontstaan door de lengte van de procedure over die aanslagen. De procedure vangt pas aan door het indienen van de bezwaarschriften. Nu de procedures betrekking hadden op het zelfde feitencomplex, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het toepassen van een factor 1,5, zoals door eiser is bepleit. Eiser wordt voldoende gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn door een vergoeding van € 3.500.

Nu de hoogte van de vergoeding is bepaald, dient de rechtbank nog vast te stellen hoe de vergoeding dient te worden verdeeld tussen de Belastingdienst en de Staat.

De Belastingdienst heeft met een beroep op art. 25 AWR betoogd dat zij een beslistermijn had van een jaar, zodat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet beslissen gedurende die beslistermijn. De rechtbank is het met dat betoog eens. Dit brengt mee dat de Belastingdienst, die uitspraak op bezwaar heeft gedaan 1 jaar en 11 maanden na indiening van het bezwaarschrift, de redelijke termijn heeft overschreden met 11 maanden. Dit betekent dat de Belastingdienst een vergoeding moet betalen van (2 maal € 500 =) € 1.000. Dit komt overeen met het bedrag dat door de Belastingdienst (subsidiair) is berekend.

Dientengevolge blijft voor de Staat een te betalen vergoeding over van (€ 3.500 min € 1.000 =) € 2.500. Ook dit bedrag komt overeen met hetgeen de Staat heeft aangeboden.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF