'Het bijzondere opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)'

In deze bijdrage wordt de subjectieve zijde van ‘deelneming aan’ in art. 140 lid 1 Sr, het onvoorwaardelijk opzet, nader toegelicht. Van dit opzetvereiste wordt de ontwikkeling in rechtspraak en strafrechtliteratuur beschouwd. Daarbij staat het arrest van de Hoge Raad van 18 november 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZD0858NJ 1998/225, m.nt. J. de Hullu) centraal. Met dit arrest werd het opzetvereiste, dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van misdrijven, in het Nederlandse strafrecht geïntroduceerd en door latere rechtspraak bevestigd. Aan het opzetvereiste wordt door de deelnemer meestal voldaan door het zelf plegen van misdrijven.

Lees verder:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF