Falende klacht dat het Hof "inbreuk heeft gemaakt op het onmiddellijkheidsbe-ginsel en het recht op een eerlijk proces"

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1154 Feiten

Het gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft verdachte op 20 juli 2011 wegens “medeplegen van schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 46 dagen.

Mr. J.Y. Taekema, advocaat te ‘s-Gravenhage, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof "inbreuk heeft gemaakt op het onmiddellijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces" door tegenover politieambtenaren afgelegde verklaringen van medeverdachten, die door dezen ten overstaan van de raadsheer-commissaris zijn herroepen, voor het bewijs te bezigen zonder deze personen als getuigen ter terechtzitting te hebben gehoord.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachten betrokkene 1 en betrokkene 2 tegenover de politie weliswaar belastende verklaringen hebben afgelegd, doch dat zij in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris zijn teruggekomen op deze eerder afgelegde belastende verklaringen, zodat het hof zo het deze verklaringen voor het bewijs zou willen bezigen, hen ter terechtzitting als getuige dient te horen. Nu dit niet is geschied en voldoende steunbewijs ontbreekt, dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat het de tegenover de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1 en betrokkene 2 voor het bewijs bezigt, zonder hen ter terechtzitting in hoger beroep te hebben gehoord, nu de bedoelde verklaring van betrokkene 1 bij de politie respectievelijk die van betrokkene 2 niet het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks volgt. Daargelaten nog dat die betrokkenheid uit hun beider verklaringen bij de politie volgt, volgt die in elk geval ook uit de verklaring van betrokkene 3."

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1 en betrokkene 2 voor het bewijs kunnen worden gebezigd zonder hen ter terechtzitting in hoger beroep te hebben gehoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de verklaringen van betrokkene 1 en betrokkene 2 bruikbaar zijn voor het bewijs van het de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde medeplegen van schuldheling van een Fiat Panda, nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, in het bijzonder de inhoud van de onder 7 als bewijsmiddel gebezigde verklaring van betrokkene 3. In aanmerking genomen dat het bedoelde bewijsmiddel inhoudt dat betrokkene 3 de verdachte in de week voorafgaand aan 8 februari 2009 heeft zien rijden in een kleine zwarte auto, terwijl hij wist dat de verdachte geen auto heeft, en dat het een feit van algemene bekendheid is dat een Fiat Panda valt aan te merken als een kleine auto geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2013:1154

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF