'Doet u ons maar uniformiteit; hoe niet-medewerking met verschillende boetehoogtes kan worden bestraft'

Art. 5:20 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat de plicht om aan een toezichthouder alle medewerking te verlenen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het is mogelijk naleving van deze verplichting af te dwingen door middel van de toepassing van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Ook kan vanwege de weigering tot het verlenen van medewerking een boete worden opgelegd. Voornoemd artikel zelf behelst hiervan geen sanctionering. De opzettelijke weigering van medewerking is strafbaar gesteld in art. 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) en kan op grond hiervan worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie (€ 4.050). Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, op grond van art. 23 lid 7 Sr een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. In dat geval zou het boetebedrag uitkomen op € 6.700. De medewerkingsplicht zoals opgenomen in de Awb met bijbehorende strafbaarstelling in het Sr, wordt daarnaast in een aantal bijzondere wetten expliciet benoemd. Het (opzettelijk) niet verlenen van medewerking kan op grond hiervan bestuurlijk worden beboet. Daarbij wordt weliswaar verwezen naar art. 5:20 van de Awb, maar de strafmaat loopt – op zijn zachtst gezegd – nogal uiteen voor wat betreft de boetehoogte. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden.

Lees verder:

Print Friendly and PDF