'De spagaat van de belastingadviseur'

De Belastingdienst controleert de laatste tijd intensief of ondernemingen nog openstaande, niet aangegeven BTW schulden hebben over voorafgaande jaren. Deze controle vindt plaats door middel van een vergelijking van de aangifte OB en de aangifte IB of VPB. Vaak komen BTW-schulden aan het licht bij het opstellen van de (fiscale) jaarrekening. Een verschil tussen de balanspositie omzetbelasting in de jaarrekening en de reeds ingediende aangiften omzetbelasting geeft dan aanleiding om bij wijze van suppletie alsnog de juiste en volledige gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken.

Als de belastingadviseur constateert dat zijn cliënt in het verleden te weinig omzetbelasting heeft betaald maar die cliënt het niet op prijs stelt dat er een suppletieaangifte wordt ingediend, lijkt de adviseur slechts te kunnen kiezen uit twee kwaden: voortzetting van de relatie met het aanzienlijke risico om via één van de deelnemingsvarianten boeterechtelijk aansprakelijk te worden gesteld, of beëindiging van de relatie met inachtneming van de meldplicht op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (‘WWFT’). In de praktijk blijkt dat dit WWFT-aspect nog wel eens uit het oog wordt verloren door de belastingadviseur.

In een recente bijdrage besteedt Arthur Kan ik kort aandacht aan de spagaat waarin de belastingadviseur terecht kan komen indien zijn cliënt niet ge- negen blijkt de te weinig betaalde BTW alsnog bij suppletie te voldoen.

Lees verder:

Print Friendly and PDF