De geldigheid van getuigenverzoeken

De verdediging in strafzaken heeft legio mogelijkheden een getuigenverzoek te doen. Toch zijn deze mogelijkheden geen garantie dat een getuigenverhoor zal plaatsvinden. Nog los van weigerachtigheid of onvindbaarheid van de getuige, bestaan diverse gronden voor de afwijzing van een getuigenverzoek (onaannemelijkheid verschijning, gezondheid getuige, ontbreken verdedigingsbelang, noodzakelijkheid et cetera). Hoewel de wetgever in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering voornemens is het noodzaak- en verdedigingsbelangcriterium te integreren in een nieuw relevantiecriterium, zal de aandacht in rechtspraak en literatuur voor de beoordelingscriteria vermoedelijk niet verstommen.

Over deze inmiddels uitvoerig behandelde onderwerpen gaat deze rubriek niet. De hiervoor opgenomen rechtspraak heeft betrekking op een andere, preliminaire kwestie, een kwestie die veel minder in de belangstelling staat, maar ook na de modernisering van het Wetboek van Strafvordering onverkort van belang zal blijven. Deze uitspraken zijn in onze ogen alle te beschouwen als uitspraken over – wat wij noemen – de geldigheid van getuigenverzoeken. Het eerste doel van deze rubriek is die samenhang duidelijk te maken. Het tweede doel van deze bijdrage is die geldigheidseisen te inventariseren en analyseren.

Deze analyse is van belang omdat enerzijds het openbaar ministerie en de rechter over ongeldige getuigenverzoeken geen (gemotiveerde) beslissing hoeven te nemen, terwijl anderzijds op geldige getuigenverzoeken een gemotiveerde toe- of afwijzende beslissing moet worden genomen, uiteindelijk op straffe van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. Voor het openbaar ministerie en de rechter staat dus enige werkbelasting op het spel. Voor degene die het getuigenverzoek deed, is het verschil tussen de rechtsgevolgen van ongeldigheid en ongegrondheid eveneens van belang, omdat bij ongeldigverklaring van een getuigenverzoek niet (altijd) duidelijk blijkt of van het verzoek kennis is genomen en zo ja, op welke grond de wens getuigen te horen niet als geldig verzoek is aangemerkt.

In deze bijdrage wordt eerst het verschil verduidelijkt tussen de geldigheid en de toewijsbaarheid van getuigenverzoeken. Daarna volgt een overzicht en analyse van de diverse geldigheidseisen die in de Nederlandse rechtspraak aan getuigenverzoeken worden gesteld. Vervolgens komen enkele eisen aan getuigenverzoeken aan de orde waarvan kan worden betwijfeld of zij als geldigheidsverzoek kunnen worden gekwalificeerd. Na deze analyse van de Nederlandse rechtspraak wordt de geldigheid van getuigenverzoeken in Europeesrechtelijk perspectief geplaatst. De rubriek wordt afgesloten met reflectie op de grondslag van het verschil tussen de geldigheid en de toewijsbaarheid van getuigenverzoeken.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF