Conclusie AG over de strafmotivering in relatie tot een straftoemetingsverweer en de terughoudende opstelling van de Hoge Raad op dat punt

Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:474

Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2016 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De raadsman deelt als volgt mede:

De laatste tijd gaat het beter met cliënte, zoals ook terug valt te zien in haar justitiële documentatie. De ten laste gelegde feiten speelden in een periode waarin cliënte veel drugs gebruikte. Zij heeft de afgelopen tijd geen strafbare feiten meer gepleegd, omdat zij - anders dan ten tijde van de ten laste gelegde feiten - geen drugs meer gebruikt en dus niet in enige drugsbehoefte hoeft te voorzien. Zij is bezig om haar leven weer op te bouwen. Ik weet niet waar ze nu woont. Het bij uw hof bekende adres is het adres van de opvang, maar volgens mij verblijft ze bij een vriend.

Cliënte heeft geldschulden. Ze staat onder bewind en ontvangt een uitkering.

Volgens mij krijgt ze verder geen begeleiding. Het gaat nu beter met haar. Detentie zou dan ook heel ongelukkig uitkomen. (…)

De advocaat-generaal voert aan:

(…) Uit de justitiële documentatie van verdachte van 30 juni 2016 blijkt dat zij recentelijk is veroordeeld wegens het meermalen niet kunnen tonen van een geldig vervoersbewijs. Dit betreffen overtredingen. Ook blijkt uit voornoemde documentatie dat verdachte geen nieuwe misdrijven heeft gepleegd. De door verdachte geschreven brief, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2016, lees ik in het verlengde van de documentatie. Ik lees in die brief dat verdachte haar verantwoording neemt voor hetgeen zij gedaan heeft en dat ze belooft geen strafbare feiten meer te zullen plegen. Gelet op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht vorder ik een gevangenisstraf voor de duur van één dag - die niet geëxecuteerd dient te worden - en een taakstraf van 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis. Dat is mijns inziens passend en juist. Ik vorder dan ook dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf.

De raadsman voert het woord tot verdediging.

De raadsman voert aan:

Ik zal de pleitnota die ik in eerste aanleg heb overgelegd grotendeels herhalen. Ik verzoek u de pleitnota als herhaald en ingelast te beschouwen. Daar waar nodig zal ik naar die pleitnota verwijzen. (…)

Dan kom ik toe aan het verweer omtrent de strafmaat. De ten laste gelegde feiten dateren van 2014. Het gaat tegenwoordig echter stukken beter met cliënte. In de door haar geschreven brief valt te lezen dat cliënte inziet dat het nu anders moet. In geval van detentie is ze bang voor een terugval. Een taakstraf zou cliënte structuur bieden en ze zou de taakstraf positief oppakken. Ze wil haar verleden achter zich laten. Ze heeft genoeg ellende meegemaakt in haar leven. Dat is geen excuus voor wat zij gedaan heeft, maar in de periode waarin de ten laste gelegde feiten plaats hebben gevonden speelde wel het een en ander. Ik verzoek uw hof om aan cliënte geen detentie op te leggen. Ik schaar me achter de vordering van de advocaat-generaal en ik verzoek dan ook om te volstaan met hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd.”

3.3. Blijkens de ter terechtzitting van 25 augustus 2016 aan het hof overlegde pleitnota, die aan het proces-verbaal is gehecht, is door de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“Uit de LOVS-richtlijnen blijkt dat er geen sprake is van frequente recidive. Voor eenvoudige winkeldiefstallen staat een boete voorgeschreven van € 200,00 en 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien de financiële situatie van cliënte, is een werkstraf voor cliënt beter. Dit sluit ook aan bij het rapport van de reclassering. Mocht u van mening zijn dat een werkstraf niet kan worden opgelegd gezien de Wet Beperking Taakstraffen, dan verzoekt de verdediging om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.”
 

Middel

Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de op te leggen straf.
 

Conclusie AG

De onderhavige zaak komt in sterke mate overeen met de in HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1119 in hoogste instantie berechte zaak. Ook daar was in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd, waarop niet als zodanig was ingegaan door het hof. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de verkorte motivering van art. 81 RO. Mijn ambtgenoot F.W. Bleichrodt besteedde aanmerkelijk meer woorden aan de zaak en ging in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest in op de terughoudende opstelling van de Hoge Raad als het gaat om de beoordeling van straftoemetingsverweren in relatie tot de responsieplicht van de rechter, voortvloeiend uit art. 359 lid 2 Sv – het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Zijn conclusie was dat een andere benadering dan die van de Hoge Raad goede papieren heeft maar dat een ruimhartiger opstelling van de Hoge Raad, ondanks pogingen van advocaten-generaal de Hoge Raad daartoe te bewegen, vooralsnog is uitgebleven. In de toen berechte zaak beoordeelde hij het middel dus uiteindelijk tegen de achtergrond van die meer restrictieve benadering. Ik zal dat ook doen, zij het met de kanttekening dat een andere benadering mij evenals mijn ambtgenoot nog steeds nader aan het hart ligt.

Wat de onderhavige zaak wel enigszins specifiek maakt is dat, niettegenstaande het ten overstaan van het hof gevoerde straftoemetingsverweer, het hof volstaan heeft met, op het punt van de strafoplegging en –motivering, een ‘kale’ bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Naar geldend recht houdt een bevestiging van het eerdere vonnis echter niet in dat al hetgeen in hoger beroep is aangevoerd als geheel irrelevant ter zijde is geschoven maar veeleer dat het hof van mening was dat, ook gelet op hetgeen in hoger beroep is voorgevallen, de voorliggende beslissing alsmede de bijbehorende motivering nog steeds gelding hebben. In die zin betreft het dus een beslissing ‘ex nunc’ en niet een beslissing ‘ex tunc’ – ook al lijkt de beslissing naar de vorm meer op het laatste. Dat de beslissing van het hof de vorm aanneemt van een bevestiging van het vonnis heeft er vooral mee te maken dat – nog steeds naar geldend recht – ook in hoger beroep een einduitspraak dient tot stand te komen die voldoet aan de vereisten van de art. 358 en 359 Sv - en een bevestiging van het vonnis is de methode die dat op de meest efficiënte wijze bewerkstelligt. Ik noem dit thans nog geldende uitgangspunt met name omdat in de wetsvoorstellen voor de Modernisering van het wetboek van strafvordering, die thans ter consultatie zijn voorgelegd, de systematiek een andere is: dan dient de rechter in hoger beroep een beslissing te nemen op de tegen het vonnis in eerste aanleg aangevoerde bezwaren. Bevestigen of vernietigen is er dan niet meer bij. Die voorgestelde benadering sluit aan bij het inmiddels al – tot op zekere hoogte – ingevoerde ‘voortbouwend appel, of liever: vormt het sluitstuk daarvan. In die nieuwe benadering was de ‘output’ bij het hof in een zaak als de onderhavige dus vast anders geweest: dan had het een (expliciete) overweging moeten wijden aan de al of niet gegrondheid van het aangevoerde bezwaar tegen de strafoplegging.

Welnu, in de onderhavige zaak zal dus gekeken moeten worden of de strafmotivering die het hof – bevestigenderwijs – in zijn arrest heeft opgenomen toereikend is, mede gelet op hetgeen is aangevoerd door de verdediging. Naar geldend recht, dus met in achtneming van de eerder gememoreerde recente rechtspraak van de Hoge Raad, meen ik dat dit wel het geval is. Daarbij speelt een rol dat de door de verdediging aangevoerde omstandigheden – de verdachte heeft haar leven gebeterd – niet van een nadere onderbouwing, zoals bijvoorbeeld een recent reclasseringsrapport of een verslag van een instelling voor verslavingszorg zijn voorzien. Daarbij komt dat de verdachte zelf in appel ook niet is verschenen, zodat een nadere toelichting van haar kant is uitgebleven. De overweging van het hof dat rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is bij deze stand van zaken naar het mij voorkomt een toereikende respons. Bovendien is kennelijk ‘in confesso’ – ook in cassatie niet bestreden – dat het taakstrafverbod van art. 22b Sr aan het opleggen van een ‘kale’ taakstraf in de weg stond, d.w.z. dat aan een – zij het wellicht zeer korte – onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet leek te kunnen worden ontkomen. Dat die onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer moest zijn dan één dag, zoals de advocaat-generaal had gevorderd, is ook niet onbegrijpelijk gelet op ’s hofs verwijzing naar de ernst van het feit en de documentatie van de verdachte. Waar de verdediging nog refereerde aan de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS geldt dat de rechter daaraan niet is gebonden. Al met al heeft het hof de strafoplegging dus voldoende gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen daaromtrent door de verdediging was aangevoerd.

Het middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF