Conclusie AG: Kosten aanwezigheid rechtszaak betreffen proceskosten en kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Parket Hoge Raad 3 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:290

Het hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, bepaald dat de benadeelde partij en de Verdachte ieder hun eigen kosten dragen, en aan de Verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van €4952,10, subsidiair 59 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:

"De raadsman heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Volgens de raadsman is onvoldoende gebleken dat betrokkene 1, die het voegingsformulier benadeelde partij (als enige) heeft ondertekend, bevoegd was om de vordering namens de benadeelde A V.O.F. in te dienen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit bij het voegingsformulier benadeelde partij gevoegde uittreksels uit het Handelsregister Kamer van Koophandel blijkt het volgende.

A V.O.F. heeft als vennoten B en C B.V.

B is de enige bestuurder van C B.V. en is als zodanig alleen/zelfstandig bevoegd namens C B.V. op te treden. B zelfheeft drie bestuurders, te weten D B.V., E B.V. en F B.V. De drie genoemde bestuurders zijn slechts gezamenlijk bevoegd om B, en uiteindelijk dus ook A V.O.F., in rechte te vertegenwoordigen. Nu niet blijkt van een door de gezamenlijke bestuurders aan betrokkene 1 verleende volmacht kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

Het hof ziet desondanks aanleiding Verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen tot een bedrag van €4.952,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2015. Verdachte is immers naar burgerlijk recht (artikel 6:166, eerste lid, BW) hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die A V.O.F. door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Niet is gebleken dat deze schade reeds is vergoed aan de benadeelde partij."
 

Middel

Het eerste middel klaagt dat dat een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd ten aanzien van kosten die volgens de steller van het middel vallen onder proceskosten, terwijl deze kosten niet gelden als rechtstreekse schade.
 

Conclusie AG

Het hof heeft aldus de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding doch aan de Verdachte als schadevergoedingsmaatregel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van €4.952,10 als vergoeding voor materiële schade te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 dagen hechtenis. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partij dat zich bij de stukken bevindt bestaat voornoemd bedrag uit een bedrag van €1.277,50 als vergoeding voor "Kabels en tracer", uit een bedrag van €2.450 als vergoeding voor "Herstellen kabeldiefstal" en uit een bedrag van €1.224,60 als vergoeding voor "Overige kosten" bestaande uit onder meer de volgende post:

"Aanwezigheid bij rechtszaak

1 man à €65 per uur 5 x €65,00 = €325,00

Totaal te rijden KM 256 x €0,35 = €89,60

Schijndel – Maastricht"

Voor het bepalen van de hoogte van het bedrag van de aan de Verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel in de zin van art. 36f lid 1 Sr, heeft het hof kennelijk als uitgangspunt genomen de door de benadeelde partij gevorderde schade, waaronder begrepen de kosten weergegeven onder de post "Aanwezigheid bij rechtszaak", en heeft dientengevolge die kosten ook in aanmerking genomen bij de oplegging van voornoemde maatregel. Het is echter de vraag of de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om aanwezig te zijn bij de terechtzitting kunnen worden aangemerkt als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit en derhalve voor vergoeding op grond van art. 51f lid 1 Sv jo art. 36f lid 1 Sr in aanmerking komt.

De opgegeven materiële kosten die de benadeelde partij stelt te hebben gemaakt om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, vallen blijkens het voegingsformulier uiteen in loonderving en reiskosten. Deze kosten heeft de benadeelde partij kennelijk gemaakt in het kader van de voegingsprocedure als bedoeld in art. 51a e.v. Sv en worden in het voegingsformulier dan ook niet aangemerkt als schade die rechtstreeks het gevolg is van het strafbare feit. Dergelijke kosten kunnen derhalve niet in diezelfde voegingsprocedure als schadepost worden toegewezen. De opgegeven kosten moeten naar mijn idee worden geschaard onder de proceskosten als bedoeld in art. 592a Sv, alwaar de mogelijkheid van kostenvergoeding ten behoeve van (onder meer) de benadeelde partij wordt geregeld indien deze actief deelneemt aan de strafprocedure. De kosten die op grond van dit artikel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen zijn, aldus Pelser in Tekst en Commentaar Strafvordering, bijvoorbeeld kosten van bijstand en vertegenwoordiging, van eigen loonderving op de dag van de zitting, en die van het nemen van afschriften van stukken. Ook reiskosten gemaakt door de benadeelde partij om op de terechtzitting aanwezig te zijn, kunnen in het kader van de proceskosten in aanmerking komen voor vergoeding.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel heeft de Hoge Raad in de uitspraak van 11 april 2017 onder meer het volgende overwogen:

"3.4.2. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801). Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het voorgaande brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, Sr voorziene maatregel (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn – anders dan door de benadeelde partij gevorderde vermogensschade als bedoeld in art. 51f Sv en art. 6:96 BW – te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, zesde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413)."

Deze regel is mijns inziens ook toepasbaar op onderhavige zaak. Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de aan de Verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel betrokken de kosten weergegeven onder de post "Aanwezigheid bij rechtszaak", niet zijnde rechtstreekse schade. Daarmee heeft het hof miskend hetgeen hiervoor onder 3.6. is weergegeven en kan de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen.

 

Lees hier de volledige conclusie.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF