Column: Nieuwe wet herziening ten nadele EHRM-‘proof’?

Door Lizette Vosman(Knoops' advocaten)

Op 18 april jl. nam de Eerste Kamer met een 36-35 stemverhouding de wet herziening ten nadele aan. In tegenstelling tot het wetsvoorstel herziening ten voordele, dat geruisloos werd aangenomen, is er over het wetsvoorstel herziening ten nadele veel discussie gevoerd. En terecht, aangezien er fundamentele rechtsbeginselen in het geding zijn. De wet herziening ten nadele maakt het mogelijk dat onherroepelijke uitspraken van de strafrechter bij misdrijven waarbij opzettelijk de dood van een ander is veroorzaakt, ten nadele van de eerder vrijgesproken verdachten, kunnen worden herzien. Technisch onderzoek en een geloofwaardige bekentenis van de vrijgesproken verdachte kunnen een novum opleveren.

Naast de vele vraagtekens die zijn geplaats bij de noodzaak voor de invoering van deze wet, mede nu het volgens de staatssecretaris maar om heel weinig zaken gaat, is de vraag of deze wet wel verenigbaar is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

De eerste ‘proof’ is het legaliteitsbeginsel van artikel 7 EVRM. De wet herziening ten nadele is ingevoerd met terugwerkende kracht, zodat ook vrijspraken of ontslag van alle rechtsvervolging van vóór de datum van inwerkingtreding kunnen worden aangetast. Alhoewel het EHRM zich nog niet specifiek heeft uitgelaten over de vraag of herziening ten nadele met terugwerkende kracht verenigbaar is met artikel 7 EVRM heeft zij wel geoordeeld dat een ingetreden verjaring niet met terugwerkende kracht ongedaan kan worden. Zal zij anders oordelen bij een onherroepelijke uitspraak? Daarbij komt dat de meeste misdrijven waarop de nieuwe wet ziet niet verjaren en de termijnen voor verjaring zijn zelfs recentelijk nog aangepast naar 25 jaar. Dit betekent dat alle vrijgesproken verdachten van een misdrijf dat nog niet verjaard is het risico lopen opnieuw een strafvervolging te moeten ondergaan.

De tweede ‘proof’ is artikel 8 EVRM. Van alle personen die zijn vrijgesproken in een strafzaak met een dodelijke afloop moet volgens het Ontwerpbesluit (AmvB) het DNA bewaard worden in een speciale databank. Onder het huidige recht dienen de DNA-gegevens en vingerafdrukken van vrijgesproken verdachten te worden vernietigd. Ook hierbij de vraag of het EHRM hiermee akkoord zal gaan vooral nu zij op 18 april jl. Frankrijk nog veroordeelde voor schending van artikel 8 EVRM in de zaak van M.K. t. Frankrijk. In deze zaak werd Frankrijk veroordeeld vanwege het bewaren van de vingerafdrukken van M.K. in een database voor automatische verwerking terwijl hij voor één feit was vrijgesproken en een ander feit was geseponeerd. Het Hof oordeelde dat personen als M.K. het risico lopen gestigmatiseerd te worden en dat de maatregel in strijd is met de onschuldpresumptie. De Franse rechtbanken hadden hun 'margin of appreciation' overschreden en hadden gefaald om een evenwichtige afweging te maken tussen de private en publieke belangen in het geding. Het verwerken van zijn vingerafdrukken is een disproportionele inmenging met zijn recht op privéleven en kan daarom ook niet als noodzakelijk in een democratische samenleving worden beschouwd. Hoe zou het EHRM oordelen in het geval er een databank met DNA van vrijgesproken verdachten wordt bewaard voor de periode van 80 jaar (levenslang)? De noodzaak, wettelijke basis en proportionaliteit ontbreken.

De wet herziening ten nadele wordt na de datum genoemd in een koninklijk besluit een feit. Het is wachten tot de eerste vrijgesproken verdachte die opnieuw wordt blootgesteld aan een vervolging, zal klagen in Straatsburg. Pas dan zal blijken of de nieuwe wet daadwerkelijk EHRM ‘proof’ is.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF