Column: Digitalisering en kennisneming van het procesdossier: 1-0 voor het OM

Door Melissa Slaghekke (Cleerdin & Hamer Advocaten)

De laatste jaren is binnen de strafrechtketen een ontwikkeling ingezet tot digitalisering van werkprocessen. Doelstelling is dat tussen betrokken partijen sneller en eenvoudiger wordt gecommuniceerd. In dit verband krijgen advocaten steeds vaker elektronische toegang tot (delen van) het procesdossier. De ingezette digitalisering wordt door de wetgever gepresenteerd als een verbetering voor de verdediging, laatstgenoemde vermag door digitale verstrekking immers sneller beschikken over een procesdossier. De praktijk laat echter een tegengesteld, verontrustend beeld zien dat dwars indruist tegen de strekking van onze wettelijke regeling en - in het bijzonder - het belang van een effectieve verdediging.

Allereerst - kort - de Nederlandse regeling betreffende de kennisneming van de processtukken als neergelegd in de artikelen 30 tot en met 34 Sv. Uitgangspunt van deze regeling is dat aan de verdachte op zijn verzoek in elk geval vanaf het eerste verhoor na aanhouding kennisneming van de procestukken wordt toegestaan (art. 30 lid 1 Sv). Indien het belang van het onderzoek dit vordert kan de officier van justitie de kennisneming van bepaalde stukken onthouden (art. 30 lid 3 Sv). Dit is echter niet meer mogelijk indien de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend of aan hem een strafbeschikking is uitgevaardigd (art. 33 lid 4 Sv). Vanaf dat moment moet de officier van justitie de kennisneming van alle processtukken aan de verdachte toestaan, met uitzondering van die stukken waarvan de voeging op grond van art. 149b Sv achterwege is gebleven.

Het moment waarop het recht op kennisneming van de processtukken ontstaat is derhalve gekoppeld aan het eerste verhoor na aanhouding. Uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat deze bepaling zo moet worden gelezen dat het recht op inzage ook al eerder kan ontstaan, namelijk op het moment dat er sprake is van een ‘criminal charge’. Dit criterium vindt inmiddels ook steun in jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam 21 maart 2013, NbSr 2013, 130) en is des te meer van belang indien er geen sprake is van een aangehouden verdachte, maar wel van een verdachte die is ‘uitgenodigd’ voor verhoor door de opsporende instanties.

In de praktijk wordt hier zelden gevolg aan gegeven. De verdediging krijgt veelal pas de beschikking over processtukken nadat een strafzaak is ontvangen en geregistreerd bij het aangewezen parket. Ook na registratie bij het parket laat het niet zelden enige tijd op zich wachten voordat stukken worden verstrekt. De digitalisering van de strafrechtspraak is in dat opzicht geen goed vooruitzicht indien als voorbeeld wordt genomen de arrondissementen waar reeds wordt gewerkt met het digitaal verstrekken van het dossier via een advocatenportal. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij als richtlijn aangenomen dat een strafdossier 8 tot 6 weken voor het onderzoek ter terechtzitting beschikbaar dient te worden gesteld aan de verdediging.

In dat geval krijgt verdediging pas 8 tot 6 weken voor de zitting enig zicht op de verdenking en de aard van eventuele bewijsmiddelen. Dit betekent een aanzienlijke achterstand ten opzichte van het OM: de officier van justitie wordt immers op de hoogte gehouden van ontwikkelingen gedurende het onderzoek, krijgt tussentijds de beschikking over processtukken en handelt hiernaar. Onder omstandigheden kan deze situatie leiden tot een schending van het beginsel van ‘equality of arms’ en/of het recht op een ‘eerlijk proces’ als bedoeld in art. 6 EVRM.

Het recht op kennisneming van de processtukken valt immers onder het recht op een ‘eerlijk proces’ als bedoeld in art. 6 EVRM. Kennisneming van de processtukken is van essentieel belang om (reeds in een vroegtijdig stadium) te bepalen hoe de verdediging kan worden ingericht, om invloed uit te oefenen op het onderzoek, de samenstelling van de processtukken of als basis voor gesprekken inzake een buitengerechtelijke afdoening. De effectiviteit van de verdediging wordt in alle opzichten beperkt indien kennisneming van processtukken achterwege blijft tot slechts enkele weken voor het onderzoek ter terechtzitting.

Uit het Viola-arrest van het EHRM volgt dat het gebruik van technologie niet mag leiden tot de aantasting van de in art. 6 neergelegde standaard van een ‘eerlijk proces’, wat onder meer betekent dat de verdachte over voldoende tijd en faciliteiten dient te beschikken om zijn verdediging voor te bereiden (art. 6 lid 3 EVRM). De huidige praktijk inzake het digitaal ter beschikking stellen van processtukken druist hier dwars tegenin en bijstelling door het OM is noodzakelijk. Indien het Openbaar Ministerie dit onverlet laat, is het aan de rechter om paal en perk te stellen. De verdediging mag immers niet ten gevolge van de digitalisering gehinderd worden in de in art. 6 EVRM neergelegde rechten.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF