BFT publiceert intern boetebeleid Wwft

In januari 2018 heeft het Bureau Financieel Toezicht zijn interne beleid voor het opleggen van boetes gepubliceerd op de website. Het is opmerkelijk dat het BFT hier geen enkele ruchtbaarheid aan heeft gegeven, nu dit beleid relevante informatie bevat voor de praktijk.

Dit beleid is gebaseerd op artikel 28 van de Wwft en het daarop gebaseerde Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. In artikel 28 Wwft is bepaald dat het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij AMvB, maar dat het maximum € 4.000.000 betreft (artikel 28, lid 2, Wwft). Ook is (in artikel 28, derde lid, Wwft) bepaald dat een categorie-indeling wordt gebruikt. In artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt voor elke overtreding van de Wwft bepaald in welke boetecategorie deze thuishoort.

Uit dit document blijkt dat het BFT vijf eigen categorieën hanteert voor de hoogte van de boete, zowel bij de meldplicht als bij het cliëntonderzoek. Bij deze categorieën wordt beoogd om een schaalverdeling te maken op basis van de mate van ernst, duur en verwijtbaarheid van de overtreding. Deze categorieën zijn vervolgens weer gekoppeld aan boetepercentages (1 tot 10 procent), die worden gerelateerd aan de omzet of het vermogen.

Bij een lichte overtreding in de meldplichtcategorieën moet, volgens het BFT, worden gedacht aan een niet zeer risicovolle transactie, maar voldoende aanleiding om te melden. Daarbij wordt in overweging genomen dat de ondertoezichtstaande een serieuze afweging heeft gemaakt, maar op onterechte gronden niet heeft gemeld. Of dat een boete rechtvaardigt, is ons inziens maar de vraag. Dit zou juist een pleitbaar standpunt kunnen zijn geweest, zodat een boete niet aan de orde kan zijn. Daarnaast wordt in de categorieën 3 en 4 de terminologie ‘wist of behoorde te weten' gehanteerd. Vanuit boeterechtelijk oogpunt is die combinatie van begrippen lastig te begrijpen, omdat uit vaste jurisprudentie blijkt dat de definitie van ‘behoorde te weten' een lichtere vorm van (of zelfs geen) schuld impliceert dan de definitie ‘wist'. ‘Weten' duidt immers op opzettelijk (‘willens en wetens') handelen, terwijl ‘behoorde te weten' juist impliceert dat geen sprake is van opzet. Het zou derhalve beter zijn geweest indien dit verschil in terminologie ook leidt tot een verschil in categorie.   

Bij de cliëntonderzoekcategorieën speelt het percentage van de onderzochte dossiers een grote rol. Het lijkt derhalve van belang dat bij een controle van het BFT door de ondertoezichtstaande ervoor moet worden gewaakt dat sprake is van een representatieve steekproef van dossiers. Immers, een onderzoek van minimaal vier dossiers en de constatering van een overtreding in meer dan 30 procent van de onderzochte dossiers kan leiden tot beboeting. 

Ten slotte kan de vraag worden gesteld of de gehanteerde percentages proportioneel zijn. Deze worden immers gekoppeld aan de omzet of het vermogen van de ondertoezichtstaande. Het zou Hertoghs juist voorkomen als dan wordt aangesloten bij de omzet, die is gegenereerd op de dossiers waarin overtredingen zijn geconstateerd en niet de totaalomzet wordt gehanteerd.

Voor een link naar het beleidsdocument klikt u hier.  

 

Bron: Hertoghs advocaten

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF