Bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 Sv, weigering om toestemming m.b.t. medische informatie te vragen

Rechtbank Arnhem 29 mei 2013, LJN CA1386

Klager heeft op 21 maart 2013 een verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen ingediend, waarbij hij de rechter-commissaris onder meer verzocht om aangeefster schriftelijke toestemming te vragen voor het vrijgeven van haar medische gegevens, alsmede om het horen en/of verkrijgen van informatie van de neuroloog.

Bij beschikking d.d. 12 april 2013 heeft de rechter-commissaris geen expliciete beslissing op deze verzoeken gegeven.

Bij brief d.d. 16 april 2013 heeft de raadsman van klager zijn verzoek herhaald, in de navolgende bewoordingen:

“(…) Aangeefster heeft vaak last van migraine waardoor zij regelmatig in huis tegen goederen aan gelopen is en waarbij zij een blauw oog en blauwe plekken op haar lichaam opgelopen heeft. Voor die migraine is zij daadwerkelijk onder behandeling (geweest) bij een specialist te weten de neuroloog van het Rijnstate Ziekenhuis (…). Mijn onderzoekswens is om [neuroloog] over die migraineklachten c.s. bij aangeefster (nader) te bevragen en of aangeefster toen daarbij geklaagd heeft dat zij, zoals zij ook tegen anderen verklaard heeft, tegen goederen in huis aangelopen is en of dat dat bij die klachten hoort die aangeefster kenbaar heeft gemaakt bij deze specialist. Mijn voorstel en verzoek hierbij is of u aan aangeefster vraagt of zij bereid is schriftelijk toestemming aan u te geven of u inlichtingen over haar klachten bij het Rijnstate Ziekenhuis op kunt en of mag vragen. Nadat u die toestemming hebt verkregen, zal ik u behulpzaam zijn om vragen die er leven bij de verdediging nader te gaan formuleren. Eerder formuleren dan het verkrijgen van die toestemming lijkt zinloos. Een van mijn vragen is of bij de door aangeefster aangegeven klachten zij vermeld heeft dat zij alsdan tegen goederen aanloopt en daarbij blessures heeft opgelopen. (…)” 

Bij brief van 25 april 2013 heeft de rechter-commissaris hierop gereageerd. De rechter-commissaris heeft daarbij overwogen:

“(…)In mijn beschikking van 12 april 2013 is abusievelijk niets vermeld over uw onderzoekswens om aangeefster te verzoeken toestemming aan mij te geven of ik inlichtingen over haar klachten bij het Rijnstate ziekenhuis op kan en of mag vragen. Hierbij bij bericht ik dat ik deze onderzoekswens niet zal honoreren. Ik ben van oordeel dat het uitvoeren van deze onderzoekswens niet een onderzoekshandeling is in de zin van het wetboek van strafvordering, artikel 182, eerste lid. Ter bekorting verwijs ik naar de Memorie van Toelichting bij de Wet Versterking positie rechter-commissaris, meer in het bijzonder paragraaf 4.3. (…)” 

Gezien de motivering van de weigering, begrijpt de raadkamer dat deze weigering ziet op het verzoek om aangeefster schriftelijke toestemming te vragen voor het vrijgeven van haar medische gegevens.

Beoordeling ten aanzien van de weigering om toestemming m.b.t. medische informatie te vragen

De raadkamer is met de rechter-commissaris van oordeel dat de geformuleerde onderzoekswens niet een opgave van een onderzoekshandeling betreft, zoals bedoeld in artikel 182, eerste lid, Sv. Het betreft immers niet een vraag aan aangeefster die zij als getuige uit eigen wetenschap kan beantwoorden. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het vragen om voormelde toestemming, acht de raadkamer het bezwaarschrift dan ook ongegrond.

Beoordeling ten aanzien van de onderzoekswens de neuroloog te bevragen over de medische gegevens van aangeefster

De raadkamer begrijpt uit de reactie van de rechter-commissaris dat hij deze onderzoekswens heeft opgevat als een verzoek om schriftelijke medische gegevens over aangeefster bij de neuroloog op te vragen. Voorts begrijpt de raadkamer dat de rechter-commissaris deze onderzoekswens kennelijk niet heeft gehonoreerd, omdat het voorafgaande verzoek om het vragen van toestemming met betrekking tot doorbreking van het medisch beroepsgeheim is afgewezen.

De raadkamer overweegt allereerst dat ook een dergelijk verzoek om schriftelijk informatie op te vragen bij een arts, in dit stadium niet kan worden gezien als een opgave van de onderzoekshandelingen zoals bedoeld in artikel 182, eerste lid, Sv. Immers, de raadkamer is van oordeel dat een dergelijk verzoek in eerste instantie zou moeten worden gericht aan de officier van justitie. In dat licht bezien, acht de raadkamer de impliciete afwijzing van het verzoek door de rechter-commissaris op zichzelf niet onbegrijpelijk.

Echter, gezien de recent in werking getreden Wet Versterking Positie Rechter-commissaris, de nader vorm te krijgen uitvoering van die wet, alsmede de achterliggende bedoeling van de wetgever bij die wet, te weten - kort weergegeven - een meer efficiënte dossiervorming tijdens het voorbereidend onderzoek, zal de raadkamer in dit bijzondere geval de namens klager tijdens de behandeling in raadkamer nader naar voren gebrachte onderzoekswensen in de beoordeling betrekken (toetsing ex nunc). Immers, een efficiënte voortgang van de zaak is niet gebaat bij een hernieuwd verzoek aan de rechter-commissaris tot het verrichten van onderzoekshandelingen.

In raadkamer heeft de raadsman van klager nader toegelicht en uiteengezet dat hij de neuroloog wil horen als getuige. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de raadkamer van oordeel dat het desbetreffende verzoek aan de rechter-commissaris aldus had kunnen worden gelezen. Indien ervan wordt uitgegaan dat het verzoek tot het verrichten van deze onderzoekshandeling door de rechter-commissaris zou zijn gelezen als een verzoek tot het horen van de neuroloog als getuige, acht de raadkamer het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter-commissaris het verzoek zou hebben toegewezen. Daarom komt de raadkamer tot het oordeel dat het verzoek tot het horen van de neuroloog toegewezen moet worden.

De raadkamer zal gelet op het vorenstaande het bezwaarschrift in zoverre gegrond verklaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF