Beantwoording kamervragen over de rol van de officier-raadsman in het militair strafproces

In antwoord op de brief van 20 december 2012 heeft Teeven op 12 februari geantwoord op de vragen van Eijsink (PvdA) over het militair strafproces. Hieronder een samenvatting van de beantwoording door Teeven:

De officier-raadsman als deskundige

De inzet van een officier-raadsman staat er ook niet aan in de weg om een officier als deskundige op te roepen in een strafzaak. Een officier die als officier-raadsman wordt ingezet beschikt evenwel over meer bevoegdheden dan wanneer deze als deskundige wordt ingeschakeld. Uit het feit dat in de praktijk nog steeds een beroep op officieren wordt gedaan om als officier-raadsman op te treden, leid Teeven af dat er behoefte bestaat aan een grotere rol voor officieren.

Kwalificatie van officieren

Op de vraag waaruit blijkt dat een officier voldoende gekwalificeerd is om als raadsman op te kunnen treden antwoordt Teeven dat iedere officier bij zijn opleiding ongeveer een week onderwijs krijgt in (militair) straf- en tuchtrecht. Voor officieren die te kennen geven als militair raadsman te willen optreden, verzorgt het openbaar ministerie een aanvullende instructie waarbij aandacht wordt besteed aan de procesgang en de rol van de raadsman daarin. Tijdens deze instructie wordt de officier-raadsman erop gewezen dat hij geen strafrechtelijk gespecialiseerde jurist is en zo nodig zijn cliënt moet adviseren de hulp in te roepen van een advocaat. De rol van de officier-raadsman tijdens een strafproces bestaat primair uit het duiden van de militaire omstandigheden en de persoon van de verdachte in de militaire context.

"Mij is niet gebleken dat het onderricht in de praktijk niet leidt tot een afdoende kwalificatie. Integendeel, de signalen die ik hierover verneem duiden erop dat de modaliteit van officier-raadsman naar tevredenheid functioneert", aldus Teeven.

Invloed Salduz-jurisprudentie

Een andere vraag was hoe de mening van de voorzitter van het College van Procureurs-generaal dat ten aanzien van consultatiebijstand uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat er sprake dient te zijn van rechtsbijstand verleend door een advocaat en niet door een officier-raadsman, zich verhoud tot het antwoord van Teeven dat de Salduz-jurisprudentie geen betrekking heeft op de rol van de officier-raadsman binnen het militaire strafrecht.

Teeven: "De uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (NJ 2009, 349) maakt duidelijk dat er een verplichting bestaat voor de autoriteiten om een verdachte te informeren over zijn recht om een raadsman te raadplegen voorafgaande aan het eerste politieverhoor (consultatiebijstand) en dat er een inspanningsverplichting is om de verdachte daartoe de gelegenheid te bieden wanneer deze niet ondubbelzinnig afstand van dit recht heeft gedaan. De inspanning die hierbij geleverd moet worden is groter naarmate het strafbaar feit terzake waarvan verdenking bestaat ernstiger is. In de praktijk komt het vooral bij lichte en eenvoudige zaken voor dat bijstand door een officier-raadsman toereikend wordt gevonden. Wanneer een (militaire) verdachte ondubbelzinnig afstand doet van zijn recht op bijstand door een raadsman is er geen sprake van een oneerlijk proces in de zin van het EVRM.

Het College van Procureurs-Generaal heeft, gelet op deze inmiddels vaste jurisprudentie, tot beleid gemaakt dat militaire verdachten, net als andere verdachten, voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat kunnen raadplegen. Dit neemt niet weg dat een verdachte voorafgaande aan het eerste politieverhoor (tevens) een officier-raadsman kan raadplegen."

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF