Artikel: Fraude bij de vaststelling van de uitkering van een (handels)verzekering

Art. 7:941 lid 5 BW bepaalt dat het recht op verzekeringsuitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde de medewerkingsplicht ex art. 7:941 lid 1 en 2 BW niet is nagekomen met het opzet te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Deze bepaling breekt met het uitgangspunt van de Hoge Raad in het Benzol-arrest dat een eenmaal ontstane verbintenis tot het doen van een uitkering niet wordt aangetast door misleiding die nadien heeft plaatsgevonden. Art. 7:941 lid 5 BW roept evenwel enige vragen op.

Twee van deze vragen worden in deze bijdrage aan de orde gesteld. Het betreft de volgende vragen: 1. Wat wordt bedoeld met ‘opzet’ ex art. 7:941 lid 5 BW? en 2. Is het voor toepassing van de verval-van-recht-sanctie ex art. 7:941 lid 5 BW van belang of de fraude (opzet tot misleiding) achteraf gezien niet relevant is voor de vaststelling van de verzekeringsuitkering?

Lees verder:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF