'Art. 344 lid 2 Sv en de opsporingsambtenaar als verbaliserend slachtoffer'

Opsporingsambtenaren hebben de taak strafbare feiten op te sporen en hier proces-verbaal van op te maken. Deze taak omvat niet enkel het verslag doen van strafbare feiten die buiten henzelf liggen, het komt in de praktijk ook voor dat opsporingsambtenaren te maken krijgen met strafbare feiten tegen hen gepleegd. Deze opsporingsambtenaar, die nu ook slachtoffer is, kan in een dergelijk geval zelf proces-verbaal opmaken, dat de bijzondere bewijskracht van art. 344 lid 2 Sv heeft. In een dergelijk geval kan het door de opsporingsambtenaar opgestelde proces-verbaal het enige bewijs in de strafzaak zijn. Door middel van art. 344 lid 2 Sv kan de rechter op basis van dit ene bewijsmiddel een verdachte veroordelen. De opsporingsambtenaar draagt in dit geval twee petten, die van opsporingsambtenaar in functie en die van slachtoffer of betrokkene. In de functie van opsporingsambtenaar wordt hij geacht een objectieve partij te zijn die op professionele wijze verslag zal doen van alle relevante feiten en omstandigheden. Als hij slachtoffer of betrokkene is, kan dat echter niet van hem worden verwacht. Hij zal als slachtoffer persoonlijk en emotioneel betrokken zijn. De hiervoor genoemde omstandigheden zullen effect kunnen hebben op de betrouwbaarheid van de verklaring. Al op het eerste oog lijkt het erop dat deze twee uitgangspunten, die van de opsporingsambtenaar en het slachtoffer, zich niet met elkaar laten verenigen.

Om dit artikel te raadplegen dient u te zijn geabonneerd op TPWS. 

 

Meike Lubbers is een van de sprekers tijdens het seminar De waarde van de ambtsedige waarheid: Over (on)betrouwbare processen-verbaal, dat plaatsvindt op 17 maart 2016.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF