Debat wet herziening ten nadele

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 26 maart met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie gedebatteerd over de wet herziening ten nadele. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk om onherroepelijke uitspraken van de strafrechter bij misdrijven met een dodelijke afloop ten nadele van de eerder vrijgesproken verdachte te herzien. Dit kan alleen wanneer er sprake is van nieuw technisch bewijs, een belastende verklaring van de gewezen verdachte of diens medeverdachte, of wanneer kan worden vastgesteld dat er sprake was van vals, ontlastend bewijsmateriaal.

Het wetsvoorstel is ingediend naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord en op aandringen van leden van de Tweede Kamer. In het debat in de Eerste Kamer werden door diverse woordvoerders bezwaren geuit met betrekking tot de aantasting van het ne bis in idem-beginsel, de terugwerkende kracht en het opslaan van DNA-materiaal. Op 9 april 2013 zal over het wetsvoorstel worden gestemd.

Misdrijven met een dodelijke afloop

Onder het wetsvoorstel is herziening van een gerechtelijke uitspraak alleen mogelijk bij misdrijven met dodelijke afloop, die opzettelijk zijn begaan. Verjaarde feiten zijn hiervan uitgesloten. Senator Van Bijsterveld (CDA) vroeg de minister waarom juist voor deze criteria is gekozen en niet ook voor bijvoorbeeld blijvend, zwaar lichamelijk letsel of andere misdrijven waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Van Bijsterveld vroeg hoe deze verscherping van de strafwet op papier zich verhoudt tot de realiteit van opsporing tot tenuitvoerlegging.

Senator Quik-Schuijt (SP) sprak mede namens PvdD en vroeg waarom er voor gekozen is om 67 strafbare feiten met een dodelijke afloop onder het wetsvoorstel te brengen. Dit komt volgens de senator niet ten goede aan de overzichtelijkheid en rechtszekerheid binnen het strafrecht. Bovendien roept het vragen op wanneer het gaat om misdrijven waarbij geen sprake was van opzet, maar van een toevallige (ongelukkige) samenloop van omstandigheden. Quik-Schuijt: "Als dit voorstel in deze vorm tot wet wordt verheven kan ik mijn buurman, en, erger nog, mijn fractiegenoten, niet meer uitleggen wanneer wel en wanneer niet een vrijspraak nog echt een vrijspraak is."

Senator Reynaers (PVV) sprak daarentegen over een "bescheiden verrijking van het strafprocesrecht", dat bovendien in lijn is met vergelijkbare herzieningsmogelijkheden in omringende landen. De herziening ten nadele past volgens de senator in de ontwikkeling van technisch bewijs en vormt daarmee een wenselijke en soms noodzakelijke correctiemogelijkheid.

Afwijken van fundamentele rechtsbeginselen

Senator Engels (D66) uitte zijn bezwaren tegen het verlaten van het fundamentele strafrechtsbeginsel 'ne bis in idem', wat inhoudt dat een gewezen verdachte niet twee maal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. Wie eenmaal onherroepelijk vrijgesproken is van een misdrijf kan dus niet meer opnieuw worden vervolgd. Met de wet herziening ten nadele wordt van dit beginsel afgestapt. Engels gaf aan dat wat hem betreft de grens van het 'uithollen van rechtsbeginselen' bereikt is. Bovendien zijn onjuiste vrijspraken volgens de senator een zeldzaamheid en is er dus onvoldoende aanleiding om het strafprocesrecht ingrijpend te wijzigen en een inbreuk te maken op het rechtszekerheidsbeginsel.

Senator Swagerman (VVD) gaf echter aan dat geen enkel rechtsbeginsel ooit absoluut is en dat hier een inbreuk op mag worden gemaakt, mits het proportioneel is. De rechtspolitieke keuze om het mogelijk te maken in bepaalde gevallen een onherroepelijk geëindigde strafzaak ten nadele van de verdacht te herzien, acht de senator gerechtvaardigd. Wel vroeg Swagerman de minister of bewijsmateriaal wat redelijkerwijs gevonden had kunnen worden, niet onder de reikwijdte van 'nieuw bewijsmateriaal' valt. Minister Opstelten beaamde dit en stelde dat als het nieuwe sporenmateriaal destijds tijdens het opsporingsonderzoek redelijkerwijs gevonden had kunnen worden, herziening zou neerkomen op het overdoen van de zaak. Volgens de minister wordt dit uitgesloten, om strijdigheid met het EVRM te voorkomen.

Senator Holdijk (SGP) merkte op dat herziening ten voordele zijn rechtsgrond in het bijzonder ontleent aan het belang van de burger, die mogelijk ten onrechte is veroordeeld. Bij herziening ten nadele staat het belang van de rechtsgemeenschap voorop. Met betrekking tot ne bis in idem stelde de senator dat een verdachte die weet dat het vonnis onjuist is, zich dan ook niet terecht kan beroepen op rechtszekerheid.

Opslaan van DNA-materiaal

Onder het huidige recht dienen DNA-gegevens en vingerafdrukken van de verdachte na een onherroepelijke vrijspraak te worden vernietigd. Met dit wetsvoorstel wordt het echter mogelijk om deze gegevens te bewaren na een vrijspraak voor misdrijven waarbij herziening ten nadele op grond van een novum mogelijk is. Senator Beuving (PvdA) uitte kritiek op het feit dat er in deze regeling geen onderscheid wordt gemaakt naar de omstandigheden en redenen van de vrijspraak. Gevoelige gegevens van vrijgesproken personen worden dus ook bewaard als ten opzichte van hen geen enkele verdenking meer bestaat. Volgens Beuving wordt er onrust en angst veroorzaakt door het wetsvoorstel bij personen die ooit ten onrechte zijn vervolgd en indertijd zijn vrijgesproken. Senator Quik-Schuijt (SP) betoogde dat het opslaan van DNA-materiaal een ernstige aantasting van de privacy is, zeker wanneer het om minderjarigen gaat. Quik-Schuijt bepleitte dat dit alleen toelaatbaar is, wanneer er sprake is van een wettelijke grondslag.

Minister Opstelten gaf aan dat hij er geen voorstander van is om de rechter per zaak te laten beoordelen of het verstandig is om het DNA-materiaal te bewaren. Dit brengt immers het risico met zich dat er een onderscheid komt tussen zaken met een 'onherroepelijke vrijspraak' (geen DNA-opslag) en zaken met een 'semi-onherroepelijke vrijspraak' (wel DNA-opslag). De minister onderstreepte dat het DNA-materiaal afgeschermd wordt bewaard en alleen na toestemming van de rechter-commissaris opnieuw mag worden gebruikt. Bovendien kan het DNA-materiaal alleen voor dezelfde strafzaak worden gebruikt en niet voor andere zaken waarbij de gewezen verdachte mogelijk betrokken is.

Bewijsvergaring en terugwerkende kracht

Senator Strik (GroenLinks) uitte haar zorgen over de mogelijkheid dat herziening ten nadele mensen als het ware "vogelvrij maakt", ondanks dat er zal worden getoetst of het door particulier rechercheren gevonden bewijs rechtmatig is verkregen. Strik stelde dat de terugwerkende kracht van het wetsvoorstel betekent dat wanneer iemand na onherroepelijke vrijspraak heeft verklaard dat hij dader is in een bepaalde zaak, alsnog kan worden veroordeeld omdat dit wetsvoorstel dat nu mogelijk maakt. De senator vroeg hoe zich dit verhoudt tot het principe dat verdachten niet hoeven mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

Minister Opstelten gaf aan dat dit wetsvoorstel vrijgesproken personen niet 'vogelvrij' verklaart, aangezien het bewijsmateriaal alleen toelaatbaar is als dit rechtmatig is verkregen. Hiervan is in elk geval geen sprake als er een inbreuk wordt gemaakt op een recht van de verdachte. Ten aanzien van het door journalisten verkregen bewijs geldt volgens de minister dat er heel dringende redenen moeten zijn die verband houden met het recht op vrije informatieverkrijging, wil dat recht prevaleren boven het recht van een vrijgesproken persoon om met rust te worden gelaten.

Ten aanzien van de terugwerkende kracht merkte Opstelten op dat het belang van rechtszekerheid voor de verdachte moet worden gewogen tegen het belang van de samenleving om een dader alsnog te veroordelen als er een nieuw, belastend bewijsmateriaal is. De minister gaf aan dat het Europees Hof zich nog niet heeft

uitgelaten over de vraag of herziening ten nadele met terugwerkende kracht verenigbaar is met artikel 7 van het EVRM, maar dat hij er vanuit gaat dat dit het geval zal zijn wanneer het gaat om verjaarde feiten. Deze feiten zijn dan ook uitgesloten van de herziening. Volgens minister Opstelten zijn er momenteel enkele zaken bekend waarbij herziening ten nadele met terugwerkende kracht zou kunnen worden toegepast. Verder gaf de minister aan dat de evaluatie van het wetsvoorstel vijf jaar na de inwerkingtreding zal plaatsvinden.

Bron: Eerste Kamer

Print Friendly and PDF ^

Eerste Kamer akkoord met uitbreiding Wet Bibob

Op 20 maart was het voorstel al met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer en gisteren heeft de Eerste Kamer het voorstel als hamerstuk afgedaan.

Het wetsvoorstel regelt dat de vastgoedsector, de kansspelsector, de vuurwerkimporteurs en de uitvoer, doorvoer en overdracht van strategische goederen en diensten onder de werking van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) komen te vallen. Hierdoor krijgen overheden met name bij vastgoedtransacties de mogelijkheid om andere partijen via een Bibob-onderzoek te screenen. Met dit voorstel komt het kabinet tegemoet aan de wens van de verschillende bestuursorganen en wordt de criminaliteit in deze sectoren verminderd.

Verder wordt door deze wijziging wordt de informatiepositie van bestuursorganen en externe bewaarschriften commissies verbeterd, krijgt de burgemeester met een bestuurlijke sluitingsbevoegdheid de mogelijkheid om (niet-vergunningplichtige) misdaad bevorderende branches en activiteiten te weren. Ook wordt een kwaliteitscommissie ingesteld, de adviestermijnen voor het Bureau BIBOB verruimd tot maximaal 12 weken, krijgt de lokale driehoek (burgemeester, hoofd van politie en de officier van justitie) inzage in het advies.

Print Friendly and PDF ^

Debat permanent maken Crisis- en herstelwet

De Eerste Kamer heeft op 19 maart met minister Schulz van Haegen-Maas Geesteranus voor Infrastructuur en Milieu gedebatteerd over het permanent maken van de Crisis- en herstelwet (CHW). Met dit wetsvoorstel worden de tijdelijke maatregelen uit de CHW voor onbepaalde tijd verlengd en worden enkele verbeteringen in het omgevingsrecht voorgesteld, de zogenoemde quick wins.  Die wijzigingen zijn gericht op lastenverlichting, het verbeteren en versnellen van de besluitvorming en het wegnemen van in de praktijk gerezen problemen. Tijdens het debat diende senator Vos een motie in die de regering verzoekt te voorzien in een integrale visie op natuurbescherming. Deze motie werd door de minister ontraden. Op 26 maart 2013 zal over het wetsvoorstel en over de motie worden gestemd.

Permanent maken

Senator De Lange (OSF) uitte zijn kritiek op het voor onbepaalde tijd verlengen van een oorspronkelijk als tijdelijk aangemerkt wetsvoorstel: "Die lastige burgers moesten wat minder ruimte krijgen, en wat dat betreft kwam de crisis bijzonder gelegen." De Lange stelde dat het permanent maken van de crisis- en herstelwet de burger verder zal vervreemden van de overheid en de kans op aantasting van cruciale natuurgebieden zoals Natura 2000 verder vergroten. Senator Van Beek (PVV), die zijn maidenspeech hield, merkte op dat het gezien het voortdurende karakter van de crisis juist noodzakelijk is om deze snel en effectief te kunnen blijven bestrijden en onnodige en tijdrovende procedures zoveel mogelijk te beperken. Van Beek stelde dat er actief aandacht moet worden besteed aan het verbeteren van kennis en kunde bij decentrale overheden, opdat de vertragingen bij projecten verder worden verminderd.

Senator Engels (D66) merkte op dat er een bepaald economisch effect van de CHW uit gaat dat kan bijdragen aan een innovatief en duurzaam ondernemingsklimaat. Wel vroeg hij of met het verlengen van een tijdelijke wet de beoogde rust en zekerheid in de sector wordt bereikt. Daarnaast vroeg hij de minister om je garanderen dat een serieuze inbreng van burgers in het voortraject van de besluitvorming en een adequate rechtsbescherming geborgd blijven. Ook vroeg Engels of de continuïteit en samenhang in het omgevingsrecht en het bestuursprocesrecht in dit wetsvoorstel gegarandeerd wordt.

Senator Vliegenthart (SP) uitte zijn bezwaar tegen het feit dat er met het verlengen van de CHW een aantal "experimenten" worden gecontinueerd - en bovendien op termijn worden vastgelegd in de Omgevingswet - waarvan niet zeker is welk empirisch effect dan wel draagvlak ze hebben. Ook vroeg Vliegenthart wat de regierol van de overheid is bij het stroomlijnen van de verschillende plannen en bestemmingen van de Nederlandse grond. De minister antwoordde hierop dat de CHW in beginsel niet zorgt voor andere verhoudingen andere inhoudelijke afwegingen. Voor een samenhangende visie van de regering op het ruimtelijk vlak verwees zij naar de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Senator Schouwenaar (VVD) merkte op dat het woord 'permanent' hier in wezen niet op gaat, aangezien het niet om een eeuwige maar om een tijdelijke continuering gaat. Schouwenaar gaf aan dat de CHW een belangrijk aantal verbeteringen heeft gebracht en dat er verscheidene ontegenzeggelijke quick wins mee kunnen worden behaald.

Minister Schulz gaf aan dat er met het wetsvoorstel wordt beoogd een aantal belangrijke effecten van de CHW in stand te houden totdat deze zijn opgenomen in de Omgevingswet. Als de Omgevingswet door het parlement is aangenomen, zal de CHW worden ingetrokken. Mocht de Omgevingswet niet worden aangenomen, dan kan volgens de minister er nog voor worden gekozen om de CHW in te trekken, door te laten lopen of alsnog te verankeren in huidige wetgeving.

Relatie met de nieuwe Omgevingswet

Senator Martens (CDA) merkte op dat hoewel het wetsvoorstel de crisis niet op zal kunnen lossen, zij hoopt dat deze de gevolgen van deze crisis kan verlichten. De senator vroeg op welke manier de onbekendheid bij decentrale overheden over de werking van de CHW kan worden weggenomen en stelde dat er ook ten aanzien van de Omgevingswet veel verwarring bestaat. Minister Schulz gaf aan dat er  momenteel voorlichtingsbijeenkomsten over de CHW plaatsvinden en dat er in de voorbereiding voor de Omgevingswet diverse overleggen plaatsvinden waarbij bestuurscultuur en burgerparticipatie voorop staan.

Senator Duivesteijn (PvdA) vroeg hoe de minister zal om gaan met innovatie binnen ruimtelijke ordening en of burgerparticipatie hierbij goed verankerd is. Duivesteijn pleitte voor een herziening van het omgevingsrecht waarbij toekomstbestendige wet- en regelgeving tot stand komt. Ook pleitte Duivesteijn voor het vervangen van de Maatschappelijke Kosten/Baten Analyses (MKBA's) door een Multicriteria Analyse: een breder afwegingskader waar de MKBA vervolgens integraal onderdeel van zou kunnen zijn. De minister gaf aan dat zij verwacht dat de Omgevingswet voor een belangrijk deel zal bijdragen aan een breder afwegingskader.

Integrale evaluatie

Senator Ester (ChristenUnie) vroeg om een integrale evaluatie van de CHW, waarbij aandacht wordt besteed aan onder meer de rol van milieu- en natuurwaarden, van participatie en inspraak, de macro-economische opbrengsten en de werkgelegenheidseffecten. Ook vroeg Ester hoe de regering de investeringsvoornemens van het Woonakkoord en de investeringsvoornemens van de Crisis- en herstelwet op elkaar af zal stemmen.

Minister Schulz merkte op dat er sinds het advies van de Raad van State twee grondige evaluaties zijn geweest, die zijn verwerkt in het wetsvoorstel zoals het nu voorligt. Er zal volgens de minister geen integrale evaluatie komen, maar zullen er jaarlijks voortgangsrapportages aan het parlement worden gestuurd. Bovendien zal een groot aantal maatregelen worden geëvalueerd in het kader van de voorbereiding van de Omgevingswet.

Over de relatie met het Woonakkoord merkte zij op dat de CHW geen eigen investeringsagenda kent, maar wel bijdraagt aan snellere besluitvorming over woningbouwprojecten. Op die manier wordt bijgedragen aan (één van) de doelstellingen uit het Woonakkoord.

Natuurbescherming

Senator Vos (GroenLinks) haalde aan dat uit de evaluatie van de Commissie voor de MER blijkt dat niet het gebruik van juridische bevoegdheden, maar "bestuurlijk geklungel" de oorzaak is van veel vertragingen. Verder haalde senator Vos onder meer de wijziging van het 'stikstofartikel' (art.19kd Natuurbeschermingswet) aan. Zij vroeg op welke ecologische en juridische waarborgen er zijn dat deze versoepeling van de Natuurbeschermingswet binnen de doelen van het natuurbeleid blijft. De minister stelde dat het permanent maken van de CHW geen versoepeling van de Natuurbeschermingswet betekent. Daarnaast antwoordde zij dat er een programmatische aanpak van de stikstofproblematiek zal komen.

Senator Vos uitte haar bezorgdheid over het borden van natuurbescherming in Nederland en diende een motie in die de regering verzoekt te voorzien in een integrale visie op natuurbescherming. Deze motie werd door de minister ontraden, omdat zij verwacht dat dit reeds in de natuurvisie van de staatsecretaris van Economische Zaken en bij het in de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel Natuurbescherming aan bod zal komen.

Ook senator Koffeman (PvdD) uitte zijn zorgen over de ecologische gevolgen van het wetsvoorstel. Koffeman: "Crisis of geen crisis, de regering heeft een taak om kwetsbare waarden te beschermen." De senator vroeg naar de mogelijke schending van artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, waarin is vastgelegd dat lidstaten er voor moetenzorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Minister Schulz verwachtte niet dat hierin verslechteringen en significante verstoringen zullen voordoen en benadrukte dat de regering ook onder de CHW nog steeds gehouden is aan de Habitatrichtlijn.

Bron: Eerste Kamer

Print Friendly and PDF ^

Advies Raad van State bij wetsvoorstel tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens

Het  wetsvoorstel tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens, met memorie van toelichting maakt verwerking van persoonsgegevens mogelijk op het terrein van de sociale zekerheid en daarmee verband houdende gebieden, gericht op het bestrijden van fraude en het vereenvoudigen van gegevensverkeer.

Algemeen

De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelt dat het Systeem anonieme risico indicatie (SARI), dat in dit voorstel wordt geregeld, ruim is opgezet: het doel is ruim bepaald, het systeem is eenvoudig uit te breiden tot niet nauwkeurig omschreven organen, en er is niet voorzien in het informeren van de burger dat persoonsgegevens die hem betreffen kunnen worden verstrekt.

Voorts heeft de Afdeling aarzeling bij een regeling die erin voorziet dat gegevens over in het buitenland gedetineerde Nederlanders worden verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om vast te stellen of zij gevolgen hebben voor uitkeringsrechten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Systeem Anonieme Risico Indicatie (SARI)     

Het wetsvoorstel beoogt een wettelijke verankering te bieden voor het SARI, een in de praktijk toegepaste werkwijze, die erop gericht is persoonsgegevens uit verschillende bronnen te combineren, zodat aan de hand daarvan verhoogde risico's op misbruik van wettelijke regels kunnen worden onderkend. Het SARI is gericht op het voorkomen en bestrijden van "misbruik op het terrein van de sociale zekerheids- en arbeidswetten, illegale tewerkstelling, belasting- en premieheffing, inkomensafhankelijke regelingen en daarmee samenhangende misstanden".

De Afdeling is van oordeel dat voorzien dient te worden in een nauwkeurige omschrijving van de doeleinden waarvoor de gegevensverwerking kan plaatsvinden. Dat kan eventueel in de vorm van een uitputtende opsomming van wettelijke verplichtingen waarvan de overtreding een strafbaar of beboetbaar feit oplevert. De Afdeling adviseert het voorstel aldus aan te passen.

Het criterium "verhoogd risico op misbruik"    

De minister kan een risicomelding doen bij het bestuursorgaan dat om de risico- analyse heeft verzocht of bij het openbaar ministerie en de politie als de risicoanalyse in het SARI een "verhoogd risico op misbruik" bevat. Afgezien van de vaagheid die gelegen is in de term "misbruik" (zie hiervoor, punt 2) merkt de Afdeling op dat de term "verhoogd risico" te ruim is. Ook als iemand twee kenmerken heeft die wijzen op een statistisch verhoogde kans dat hij fraude pleegt, kan de kans dat hij daadwerkelijk fraude pleegt nog steeds klein zijn. De risicomelding zou in dat geval een onevenredig zware inmenging in de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene kunnen betekenen en dus niet voldoen aan het vereiste dat een beperking van zijn grondrecht proportioneel is.

De Afdeling adviseert het criterium "verhoogd risico op misbruik" te vervangen door een meer toegespitst criterium, dan wel in de toelichting met concrete voorbeelden dit criterium te verduidelijken.

De regeling is zo geformuleerd dat de minister ieder verzoek van binnen het SARI samenwerkende bestuursorganen of personen om een risicoanalyse uit te voeren dient te honoreren. Ook als de minister van oordeel is dat de risicoanalyse weinig bruikbare resultaten zal opleveren, kan hij het verzoek niet weigeren. Dat is naar het oordeel van de Afdeling weinig doelmatig. Zij adviseert de verplichting van de minister te wijzigen in een discretionaire bevoegdheid.

Betrokken organen

Omvang bevoegdheden

Het voorstel omschrijft welke organen betrokken kunnen zijn bij de verstrekking van "ruwe" gegevens aan en de ontvangst van risicomeldingen uit het SARI. Naast de colleges van burgemeester en wethouders, het UWV en de SVB, betreft het ook:

de personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast met het houden van toezicht op de naleving dan wel de uitvoering van andere wetgeving op het terrein van de minister dan de sociale zekerheidswetten, andere bestuursorganen en personen voor zover zij zijn belast met een publiekrechtelijke taak en daartoe bij regeling van de minister in overeen- stemming met de Minister van Financiën zijn aangewezen.

De Afdeling is van oordeel dat toekenning van bevoegdheden, die een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met zich kan brengen, concreet en afgebakend moet zijn. De omschrijving van bestuursorganen die betrokken zijn bij het SARI voldoet niet aan deze norm.

Bij de eerstgenoemde categorie adviseert de Afdeling in de wet op te sommen om welke toezichthouders het gaat.

De tweede categorie, zo merkt de Afdeling op, dient in het voorstel nauwkeuriger te worden omschreven dan thans het geval is. Voorts dient de aanwijzing van deze bestuursorganen en personen ten minste plaats te vinden bij algemene maatregel van bestuur, nu het niet gaat om administratieve voorschriften of details, maar – integendeel – om de reikwijdte van de regeling.

Verantwoordelijkheid voor handelingen van de samenwerkingsverbanden

De gegevensverwerking ter bestrijding van misbruik en daarmee samenhangende misstanden kan plaatsvinden binnen een "samenwerkingsverband van twee of meer bestuursorganen en personen".

De Afdeling merkt op dat het wetsvoorstel niet regelt of deze samenwerkingsverbanden kunnen worden vormgegeven als publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen, dan wel als samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid. Evenmin wordt geregeld welke rol deze verbanden zullen spelen bij de verwerking van persoonsgegevens: of – en zo ja op welke wijze – zij persoonsgegevens zullen combineren, doorgeven, bewaren en vernietigen. Voorts wordt niet geregeld wie verantwoordelijk is voor het handelen van deze samenwerkingsverbanden, in het bijzonder voor de gegevensverwerking (in de zin van artikel 1, onderdeel d, Wbp).

De Afdeling is van oordeel dat de bestuursorganen die een samenwerkingsverband zijn aangegaan tegenover derden volledig verantwoordelijk zijn voor de handelingen van het samenwerkingsverband. Zij zullen voorts moeten bepalen hoe in de onderlinge verhouding de verantwoordelijkheden worden verdeeld. Als het wetsvoorstel op deze punten duidelijkheid verschaft, kan het vervolgens aan de samenwerkende bestuursorganen worden overgelaten de vorm van het samenwerkingsverband te bepalen.

De Afdeling adviseert het voorstel op de genoemde punten aan te passen.

Verstrekking aan politie en justitie

De minister kan risicomeldingen doen aan het openbaar ministerie en de politie voor zover die deze behoeven voor de uitoefening van hun wettelijke taken. In de toelichting wordt niet ingegaan op het rechtsgevolg van deze verwerking.

De Afdeling merkt op dat persoonsgegevens, voor zover het openbaar ministerie of de politie daarover beschikt met het oog op hun wettelijke taken, het karakter hebben van justitiële persoonsgegevens respectievelijk politiegegevens. De verwerking van dergelijke persoonsgegevens wordt in beginsel geregeld door de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens respectievelijk de Wet politiegegevens. Voor zover de verwerking van persoonsgegevens onder een van deze wetten valt is de Wbp niet van toepassing. Uit de toelichting blijkt niet hoe het voorgestelde artikel 65 Wet Suwi zich verhoudt tot de Wbp, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, de Wet politiegegevens en de Wet Suwi ten opzichte van deze wetten.

De Afdeling adviseert op het geldende regime in de toelichting in te gaan.

Waarborgen

De toelichting noemt enkele waarborgen voor de gegevensverwerking, die in het wetsvoorstel als zodanig niet zijn geregeld.

Het wetsvoorstel bepaalt dat de minister op verzoek van bestuursorganen persoonsgegevens verwerkt in het SARI. Het begrip "verwerken van per- soonsgegevens" is heel ruim en omvat iedere handeling die met persoons- gegevens kan worden verricht. Uit de toelichting blijkt dat het gaat om het uitvoeren van risicoanalyses; daartoe worden persoonsgegevens uit verschillende bronnen gecombineerd.

Volgens de toelichting worden de gegevens geanonimiseerd voordat de risicoanalyse plaatsvindt; de sleutel is in handen van de bewerker.

De Afdeling onderschrijft de waarde van deze waarborgen, en is dan ook van oordeel dat zij in het wetsvoorstel zelf dienen te worden vastgelegd om een zorgvuldige procedure te garanderen. Zij adviseert het voorstel aan te passen.

Overige waarborgen

De Afdeling is voorts van oordeel dat het wetsvoorstel kan worden versterkt met enkele aanvullende waarborgen.

  1. Kennelijk is de strekking dat persoonsgegevens uit het SARI niet worden gebruikt voor een ander doel dan het doen van risicomeldingen. Dit is in de wettekst niet vastgelegd.
  2. Het bestuursorgaan dat een risicomelding ontvangt is niet verplicht de resultaten van het onderzoek dat wordt verricht op basis van de risicomelding te melden aan het SARI. Dat resultaat is echter van belang voor toekomstige risicoanalyses. Bij een positieve uitkomst is dat belang voor toekomstige onderzoeken duidelijk. Bij een negatieve uitkomst kan het resultaat eveneens van belang zijn: voorkomen moet worden dat de betrokkene op grond van al onderzochte gegevens bij een volgende risicoanalyse opnieuw boven komt drijven. Bovendien moet worden voorkomen dat het bestuursorgaan middelen besteedt aan onderzoek dat al eerder is verricht.

De Afdeling adviseert het voorstel op deze punten aan te vullen.

Print Friendly and PDF ^

Vijfde tranche Crisis- en herstelwet in werking

Op 6 maart 2013 is de vijfde tranche Crisis- en herstelwet in werking getreden. Hiermee worden onder meer 4 ontwikkelingsgebieden en 5 innovatieve experimenten aangewezen onder de Crisis- en herstelwet.

Ontwikkelingsgebieden

In het besluit worden het Havengebied Rotterdam, Dijklaan Bergambacht, Blokhoeve Nieuwegein en Haarlemmermeer Masterplan Badhoevedorp-Centrum aangewezen als ontwikkelingsgebieden. Hierdoor kan in deze herstructureringsgebieden de milieugebruiksruimte opnieuw worden verdeeld waarbij uitgegaan wordt van gewenste maatschappelijke ontwikkelingen. Het besluit stelt bestuurders in staat om via een gebiedsontwikkelingsplan maatregelen te treffen en zo nodig tijdelijk van normen af te wijken zodat de herstructurering daadwerkelijk van de grond kan komen. Voorwaarde is dat er op termijn een betere situatie ontstaat.

Innovatieve experimenten

Bij de 5 innovatieve experimenten gaat het om de organische ontwikkeling van het CHV-terrein in Veghel, het opschalen en saneren van windturbines in de provincie Flevoland, ruimte voor particulier opdrachtgeverschap in Castricum en Den Haag en beperking van de toets op basis van het Bouwbesluit voor  omgevingsvergunningen in Almere, Delft, Eindhoven, Haarlem, Haarlemmermeer, Schijndel en Zoetermeer. Ook wordt het plangebied van het experiment in Eindhoven Strijp-s uitgebreid tot de hele spoorzone.

Overige aangewezen projecten

Op het project Flevokust in Lelystad zijn bestuursrechtelijke bepalingen van toepassing, bijvoorbeeld dat de rechter binnen zes maanden uitspraak moet doen. Ook kan de gemeente gebruik maken van de verlichte m.e.r.-procedure. Verder wordt de begrenzing van het al eerder aangewezen project FlorijnAs in Assen, een lokaal project met nationale betekenis, aangepast.

Aanmelding zevende tranche

Voor de zevende tranche van de Crisis- en herstelwet kunnen tot en met 31 maart 2013 projecten worden aangemeld.

Achtergrond

Het besluit is een uitwerking van de Crisis- en herstelwet die dateert van maart 2010. De wet biedt de mogelijkheid anders om te gaan met regelgeving en besluitvorming te versnellen vanwege de economische crisis. Ook bevat de wet experimentele bepalingen voor gebiedsontwikkeling, innovatie en duurzaamheid. Hierdoor kan in moeilijke tijden de economische structuur van Nederland worden versterkt. De Tweede Kamer heeft afgelopen zomer ingestemd met de verlengde werking van de Crisis- en herstelwet tot het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Daarna zal de Crisis- en herstelwet worden opgenomen in de Omgevingswet en in de Algemene wet bestuursrecht.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^