Herziening toezicht op rechtspersonen

Om het toezicht op rechtspersonen te verbeteren, is op 1 juli 2011 de Wet controle op rechtspersonen (de Wet Cor) in werking getreden. De verklaring van geen bezwaar, die was vereist bij de oprichting en bij een statutenwijziging van een besloten vennootschap of naamloze vennootschap, is met de inwerkingtreding van de Wet Cor komen te vervallen. Bij de uitvoering van de wet worden de medewerkers van Justis ondersteund door het ict systeem RADAR dat hiervoor is ontwikkeld. Met behulp van onder meer dit systeem maakt Justis een drietal producten:

  1. De risicomelding uit het systeem
  2. De risicomelding op verzoek
  3. De netwerkanalyse (ook wel informatieverstrekking genoemd)

Risicomelding uit het systeem

Een wijziging in het handelsregister, bijvoorbeeld de toetreding van een nieuwe bestuurder tot een B.V., leidt ertoe dat RADAR geheel geautomatiseerd een zogeheten ‘automatische analyse’ uitvoert. RADAR brengt in kaart welke bedrijven en personen betrokken zijn bij deze wijziging. Van deze bedrijven en personen gaat het systeem RADAR na of zij betrokken zijn geweest bij een faillissement dan wel een strafrechtelijk antecedent op hun naam hebben.

Als deze antecedenten aanleiding daartoe geven, maakt het systeem een zogeheten ‘tussentijdse risicomelding’. Deze wordt door een medewerker van Justis beoordeeld. Met behulp van extra, handmatig te raadplegen bronnen zoals bijvoorbeeld van de Belastingdienst en de politie, wordt nagegaan of een risico op misbruik van de rechtspersoon bestaat. Als dat zo is, wordt een risicomelding gemaakt en verstrekt.

Risicomelding op verzoek

Een risicomelding op verzoek lijkt op de risicomelding uit het systeem. Het ziet er hetzelfde uit en dezelfde informatiebronnen worden ervoor gebruikt. Het belangrijkste verschil is dat het product niet ontstaat wegens een wijziging in het handelsregister die tot een ‘tussentijdse risicomelding’ leidt, maar door een specifiek verzoek van één van de afnemers die een risicomelding uit het systeem mogen ontvangen. Een ander verschil met de risicomelding uit het systeem is dat het gaat om een rechtspersoon die al wel in het vizier is van de afnemer. Afnemers doen een verzoek om een risicomelding, omdat zij bezig zijn met een onderzoek naar de betreffende rechtspersoon of overwegen deze te gaan onderzoeken.

Netwerkanalyse

Een netwerkanalyse oftewel informatieverstrekking is een product dat voorziet in de behoefte van een groot aantal afnemers. Het betreft een tekening van een rechtspersoon en het netwerk van personen en rechtspersonen om deze rechtspersoon heen. Dit kan een eenvoudige tekening betreffen van enkele entiteiten en hun onderlinge verbanden, het kan ook gaan om ingewikkelde netwerken met vele honderden entiteiten en hun onderlinge verbanden. Het doel van de netwerkanalyses is veelzijdig. Opsporingsinstanties die een groot onderzoek uitvoeren gebruiken de netwerkanalyse om overzicht te houden in grote netwerken van rechtspersonen. Het werkt tijdbesparend voor deze opsporingsinstanties om dit specialistische onderzoek uit te besteden. Curatoren doen ook regelmatig een beroep op Justis voor een netwerkanalyse. Zij doen dit in het kader van een faillissement, bijvoorbeeld na aanvraag op grond van de Garantstellingsregeling curatoren, en trachten via de netwerkanalyse inzicht te krijgen in vermogensbestandsdelen (verhaalsmogelijkheden). Ook wordt de informatie gebruikt bij onderzoeken naar bestuurdersaansprakelijkheid en bij mogelijke faillissementsfraude.

Netwerkanalyses werden ook al onder het preventieve toezicht gemaakt. Voor het opstellen van een netwerkanalyse wordt met name het handelsregister geraadpleegd. Gevoelige gegevens zoals strafrechtelijke gegevens of informatie van de Belastingdienst komen hier niet in voor. Daarom is de kring van afnemers van de netwerkanalyses ook groter dan de kring van afnemers van risicomeldingen.

De Memorie van Toelichting geeft aan dat de Wet Cor is bedoeld om een bijdrage te leveren aan de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen. Het toezicht staat niet op zichzelf maar Justis vormt een schakel in de keten die faillissementsfraude bestrijdt. De afnemers zijn verantwoordelijk voor de daadwerkelijke opsporing of handhaving. Met de hierboven genoemde producten kunnen afnemers maatregelen treffen als:

  • opsporing en vervolging van (rechts)personen het intrekken van BTW-nummers
  • het starten van een onderzoek
  • het weigeren van een vergunning
  • het afleggen van een bedrijfsbezoek het opleggen van een boete.

Ontwikkeling systeem RADAR en producten

Op 1 juli 2011 is gestart met het herziene toezicht op rechtspersonen door risicomeldingen op verzoek te maken. Begonnen is met het onderzoeken van concrete situaties die door Belastingdienst, AFM, DNB, Inspectie SZW, NVWA en de politie zijn aangedragen.

Begin januari 2012 is een eerste versie van het systeem RADAR in productie genomen. Hiermee werd een eerste vorm van de automatische analyse mogelijk. Vanaf dat moment is gestart met het onderzoeken van tussentijdse risicomeldingen die mogelijk tot een risicomelding uit het systeem konden leiden.

Tussen 9 januari en 22 oktober 2012 heeft RADAR 619 tussentijdse risicomeldingen gegenereerd. Hiervan zijn er 611 nader onderzocht, en hebben uiteindelijk 12 tot een risicomelding geleid. Enkele van de 611 zaken waren per 22 oktober 2012 nog in onderzoek. In dezelfde periode zijn 10 risicomeldingen op verzoek ingediend. Van alle risicomeldingen op verzoek die in deze periode zijn behandeld (17 uit de werkvoorraad van 2011 en de 10 nieuw ingediende) hebben 10 onderzoeken tot een risicomelding geleid. Zeven analyses zijn gestaakt.

In oktober 2012 is versie 1.0 van het systeem RADAR in productie genomen. Hiermee worden tussentijdse risicomeldingen van een hogere kwaliteit gerealiseerd en is een deel van het handmatige werk geautomatiseerd.

In de periode 22 oktober tot en met 31 december 2012 heeft Justis 253 tussentijdse risicomeldingen onderzocht, die door RADAR zijn gegenereerd. Er zijn in deze periode 4 risicomeldingen uit het systeem verstuurd. In dezelfde periode zijn twee risicomeldingen op verzoek ingediend. Van alle risicomeldingen op verzoek die in deze periode zijn behandeld (10 uit de werkvoorraad van vóór 22 oktober 2012 en de twee nieuw ingediende verzoeken) zijn er in deze periode 4 afgehandeld en verzonden.

 

Bron: Rijksoverheid

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Strafrechtelijke immuniteit overheid ter discussie in Tweede Kamer

Gisteren heeft de Tweede Kamer gedebatteerd over de strafrechtelijke immuniteit van overheden. Overheden hebben een voorbeeldfunctie. Initiatiefnemers Recourt (PvdA), Oskam (CDA) en Segers (ChristenUnie) vinden het onterecht dat ze, in tegenstelling tot bedrijven, niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Zij verdedigen het wetsvoorstel om de strafrechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke organisaties op te heffen.

De vuurwerkramp in Enschede. Asbestschip Otapan. De Schipholbrand. Allemaal voorbeelden waarin onderdelen van de overheid mogelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Maar strafrechtelijke vervolging was tot nu toe niet mogelijk. Met hun initiatiefwetsvoorstel willen Recourt, Oskam en Segers dit veranderen. De overheid mag niet weglopen voor haar verantwoordelijkheid, aldus Recourt. Maar minister Opstelten (Justitie), tegenstander van het initiatiefwetsvoorstel, stelt dat er een groot verschil is tussen privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen. De laatste moeten namelijk wettelijk opgedragen taken uitvoeren.

Doelen strafrecht

Vergelding, preventie en het voorkomen van recidive. De Wit (SP) noemt de belangrijkste functies van het strafrecht en vraagt zich af of die wel van toepassing zijn bij vervolging van overheden. Maar volgens Recourt is dat wel degelijk het geval: slachtoffers van onrechtmatig overheidshandelen krijgen genoegdoening door een veroordeling. Bovendien werkt de mogelijkheid van een veroordeling preventief, omdat overheden boetes en gezichtsverlies zullen willen voorkomen.

Recht en politiek

Wringt strafrechtelijke vervolging van overheden niet met de politieke controle door bijvoorbeeld gemeenteraden en de Tweede Kamer? Van Toorenburg (CDA) geeft het voorbeeld van een minister die door hetparlement wordt gedwongen tot een onderzoek dat kan leiden tot zijn eigen strafrechtelijke veroordeling. Zaken onder de rechter worden in het algemeen niet in het parlement besproken, betoogt Van der Steur (VVD). Wat krijgt dan voorrang? Recourt vindt echter dat politieke verantwoording en een strafrechtelijke procedure goed naast elkaar kunnen plaatsvinden. Er dreigt wel degelijk een juridisering van de verantwoording, vreest minister Opstelten.

Organisatie of persoon

"Ambtenaren en ambtsdragers hebben niets te vrezen als zij naar eer en geweten handelen binnen de voor hen geldende regelgeving." Segers benadrukt dat het initiatiefwetsvoorstel niet is gericht op personen maar op publiekrechtelijke organisaties. Maar Van der Steur denkt toch dat de kans groter wordt dat ambtsdragers zich voor de rechter moeten verantwoorden. Dat is in ieder geval niet de insteek van het wetsvoorstel, antwoordt Recourt.

Strafuitsluiting

Zijn er gevallen denkbaar waarin een overheid weliswaar een strafbaar feit pleegt, maar toch niet strafbaar behoort te zijn? De initiatiefnemers vinden van wel. Het gaat dan om feiten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een wettelijke taak, legt Oskam uit. De Wit vraagt zich af of ook het nalaten van een handeling daaronder valt.

De eerste termijn van de Kamer was op 27 januari 2010. De tweede termijn vindt op een later moment plaats.

 

Bron: Tweede Kamer

 

Print Friendly and PDF ^

Wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013

Met ingang van 1 januari 2013 zijn enkele bepalingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) aangepast. Hieronder worden de wijzigingen op hoofdlijnen aangegeven. Op hoofdlijnen vinden de volgende veranderingen plaats:

Het cliëntenonderzoek dat door de instellingen dient te worden verricht, wordt aangescherpt. Dit heeft ondermeer te maken met het gebruik van stromannen, de rol van de uiteindelijk belanghebbende/ultimate benificial owner (UBO) en de politiek prominente personen (PEP). De laatste twee (PEP en UBO) zijn geherdefinieerd.

Het transactiebegrip is aangepast en betreft nu: een handeling of samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt, waarvan de instelling ten behoeve van haar dienstverlening aan die cliënt heeft kennisgenomen. Een direct of causaal verband tussen de ongebruikelijke transactie en de werkzaamheden van de instelling is geen vereiste. Het is voor de meldingsplicht in beginsel niet relevant wanneer een ongebruikelijke transactie heeft plaatsgevonden.

De definitie van UBO is opnieuw vastgesteld. Nu valt ook de natuurlijke persoon die begunstigde is van 25% of meer van het vermogen van een cliënt of trust onder de werking van de WWFT.

De term “meldpunt ongebruikelijke transacties” wordt gewijzigd in de Financiële inlichtingen eenheid (FIE). Hiermee wordt aangesloten bij de terminologie die wordt gehanteerd binnen de Europese Unie. De term FIE komt voor in de derde anti-witwas Richtlijn (2005/60/EG) en in de Verordening nr. 2006/1781/EG. Het voormalige meldpunt ongebruikelijke transacties bestaat al enige tijd niet meer en is de FIU-Nederland geworden. Ondanks de nieuw geïntroduceerde term FIE, blijft het de Financial Intelligence Unit Nederland (FIUNederland) heten.

Een melding van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie dient onverwijld plaats te vinden, nadat het ongebruikelijke karakter van die transactie bekend is geworden. De maximale periode van 14 dagen is komen te vervallen. Ook zijn er een derde en vierde lid aan toegevoegd. Het derde lid heeft betrekking op de taxateur. Het vierde lid breidt het begrip voorgenomen transactie uit, door hieronder ook te verstaan een beoogde transactie.

Om voor een strafrechtelijke vrijwaring ten aanzien van een gemelde transactie in aanmerking te komen en daarnaast niet civielrechtelijk hiervoor aansprakelijk te worden gesteld, is nu expliciet de voorwaarde verbonden dat een melding te goeder trouw dient te zijn verricht.

Daarnaast geldt hetzelfde voor de gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt op grond van artikel 17.

Naast de strafrechtelijke vrijwaring voor antwoorden op zogenaamde artikel 17 vragen (die te goeder trouw zijn gegeven) is de aangezochte instelling tevens niet civielrechtelijk aansprakelijk te stellen. Dit ontbrak in de oude WWFT en is nu opgenomen in artikel 20 lid 1.

De omschrijving van feedback (artikel 13 onder c) is gewijzigd. Daaronder wordt nu verstaan dat een instelling wordt bericht over:

  • de ontvangst van een melding gedaan door die instelling;
  • de ontvangst van nadere gegevens of inlichtingen verstrekt
  • door die instelling;
  • alsmede over trends en fenomenen die naar voren
  • komen uit ontvangen meldingen;
  • en in voorkomende gevallen door tussenkomst van het
  • openbaar ministerie, over de betekenis van een melding
  • door die instelling voor de vervolging van strafbare feiten.

Benadrukt is dat, in het kader van de terugkoppeling, met name de waarnemingen van de FIU-Nederland, in de vorm van een analyse en/of rapportage, in belang toenemen. Meldende instellingen worden op geaggregeerd niveau geïnformeerd over gedetecteerde trends en opvallende fenomenen. Dit zodat een bepaald type transactie anders en nader kan worden bekeken of zij een risico vormt, ongebruikelijk is en gemeld moet worden.

Introductie informatie uitwisselingsregeling toezichthouders. Tussen toezichthouders onderling, maar ook in internationaal verband, wordt uitwisseling beter mogelijk gemaakt voor uitsluitend toezichthoudende taken. De geheimhoudingsbepalingen zijn hiertoe uitgebreid.

Een instelling dient (ongebruikelijke) transactiegegevens deugdelijk vast te stellen, op te slaan en voor 5 jaar te bewaren zodat de transactie reconstrueerbaar is.

De instelling dient periodiek opleidingen te verzorgen om cliëntenonderzoek naar behoren te verrichten en om ongebruikelijke transacties te herkennen.

 

Bron: Financial Intelligence Unit - Nederland

 

Print Friendly and PDF ^

Bijzonder strafrecht-beleidsregels op een rij

Aanmelding-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010 De Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen (ATV-richtlijnen) beschrijven hoe de Belastingdienst de aanmeldingen, die voor strafrechtelijk onderzoek in aanmerking komen, selecteert voor de rechtsgebieden belastingen, toeslagen en douane.

Aanwijzing sociale zekerheidsfraude

De noodzaak tot wijziging/aanpassing van deze aanwijzing is gelegen in:

  • de aanpassingen, die de Uitkeringsorganisatie Werknemers Verzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekering Bank (SVB) in hun handhavingsprocessen hebben doorgevoerd, zodat minder zaken strafrechtelijk gehandhaafd zullen worden.
  • het verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om het schadebedrag dat de grens vormt tussen bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving te verhogen naar € 10.000,–, ten einde meer bestuursrechtelijke handhaving mogelijk te maken. Dit verzoek is een weergave van de huidige visie op de toepassing van bestuurlijke handhaving in relatie met strafrechtelijke handhaving voor specifieke situaties van sociale zekerheidsfraudes. De vormgeving van deze aanwijzing is in overeenstemming met wat het Ministerie van SZW al geruime tijd bepleit. Deze aanwijzing sluit aan bij de aanbevelingen, te weten meer bestuurlijke afdoening en bundeling van opsporingsonderzoeken bij de SIOD, uit een intern onderzoek bij het Ministerie van SZW.
  • Inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening per 1 februari 2008;

De aanwijzing is gewijzigd naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving op 1 januari 2013 (wet van 4 oktober 2012; Stb 462 ). N.a.v. deze wetswijziging is de aangiftegrens voor strafrechtelijke interventie verhoogd naar  €50.000,-.

Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude

Met ingang van 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking. Naar aanleiding van deze wet is het schadebedrag dat de grens vormt tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving naar € 50.000,- verhoogd, zodat sociale zekerheidsfraude in meer gevallen bestuursrechtelijk gehandhaafd kan worden. Deze wijziging en de aanscherping van de totale handhaving, die met de invoering van de wet beoogd wordt, zijn in deze richtlijn overgenomen en/of vertaald naar aansluitende strafrechtelijke vervolging.

Aanwijzing intellectuele-eigendomsfraude

Richtlijn voor strafvordering intellectuele-eigendomsfraude

Deze richtlijn bevat uitgangspunten voor het transactie- en requireerbeleid van het delict intellectuele-eigendomsfraude (IE-fraude).

Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude

Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie in Nederland

Deze Aanwijzing schrijft voor met welke factoren rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de opportuniteit van de opsporing en de vervolging van corruptie in Nederland, waaraan zich aan de omkopende zijde zowel natuurlijke als rechtspersonen schuldig kunnen maken en aan de omgekochte zijde alleen ambtenaren. De aanwijzing ziet op zowel de omkopende partij (burgers en bedrijven) als de omgekochte partij (ambtenaren). De opsporing en vervolging van in het buitenland gepleegde corruptie, waarvoor een wetswijziging in 2001 de Nederlandse rechtsmacht aanzienlijk heeft vergroot, vormt voorwerp van regeling in de Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie in het buitenland.

Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie in het buitenland

In deze aanwijzing wordt nader aangegeven wat de reikwijdte is van de strafbaarheidstellingen in relatie tot rechtsmacht in Nederland en met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de opportuniteit van de vervolging van op zichzelf strafbare gevallen van buitenlandse ambtelijke corruptie. De factoren hebben uiteraard ook betekenis voor de beoordeling van de opportuniteit van de aan de vervolging voorafgaande opsporingsactiviteiten. Tevens wordt in deze aanwijzing de besluitvormingsprocedure voor het selectieproces van de zaken beschreven. De aanwijzing ziet op zowel de omkopende partij (burgers en bedrijven) als de omgekochte partij (ambtenaren) van buitenlandse corruptie.

Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties

In deze aanwijzing worden de kaders gegeven voor en de te volgen procedure bij het aanbieden van hoge transacties en transacties in bijzondere zaken. De begrippen ‘hoge transactie’ en ‘bijzondere transactie’ zijn nader afgebakend en daarnaast is aangegeven wat de uitgangspunten zijn voor het aanbieden van die transacties.

Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten

In deze aanwijzing wordt de procedure aangegeven, die gevolgd dient te worden bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van milieudelicten en wordt aanbevolen voor bemonstering en analyse in het kader van toezicht. Het betreft die gevallen waarin door bemonstering en analyse wordt vastgesteld of een bepaalde grens- en/of concentratiewaarde wordt overschreden die is neergelegd in een wettelijke bepaling danwel (vergunning- c.q. ontheffing-) voorschrift. Tevens geldt de aanwijzing voor die situaties waarin de aard of de identiteit van een bepaalde stof, die niet mag worden geloosd of geëmitteerd of niet op of in de bodem mag worden gebracht, wordt vastgesteld.

Aanwijzing bestuurlijke transactie milieudelicten

Aanwijzing handhaving milieurecht

Aanwijzing strafrechtelijk onderzoek bij zware ongevallen met gevaarlijke stoffen

 

Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)

 

Deze richtlijn bevat regels voor het gebruik van de twee in het Besluit OM-afdoening onderscheiden bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheden. Daarnaast bevat zij boetebedragen voor milieu- en keurfeiten.

Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke transactie milieudelicten

Deze richtlijn heeft als doel eenheid te brengen in de wijze van het afdoen van de transigeerbare milieudelicten. In de richtlijn zijn naast de limitatieve lijst van wettelijke voorschriften waarbij het bestuur gebruik mag maken van de haar toegekende bevoegdheid per situatie en type overtreder aangegeven welk transactiebedrag mag worden aangeboden. De tarieven voor de bestuurlijke transactie liggen vast. Zij zijn afgestemd op de doorsnee, voor transactie vatbare overtredingen en misdrijven. Indien het vermelde bedrag in de gegeven situatie als niet passend wordt ervaren kan het bestuur afzien van het gebruik maken van de transactiebevoegdheid en een uitgebreid proces-verbaal ter zake inzenden ter beoordeling van de officier van justitie. Het maximumbedrag voor een transactie is per strafbaar feit op € 1.200,- gesteld.

Richtlijn voor strafvordering grondstromen

Richtlijn voor strafvordering regelgeving ministerie van economische zaken, landbouw en innovatie (beleidsterrein natuur)

Deze richtlijn voor strafvordering voor de Flora- en faunawet bevat indicaties voor de eis ter zitting en transactiebedragen.

Aanwijzing ontneming

Deze Aanwijzing regelt de werkwijzen over het (internationaal) ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Onder wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verstaan de waarde waarmee het vermogen van de betrokken persoon als gevolg van het strafbare feit is toegenomen. Dit omvat de uit die vermogensvermeerdering verkregen vruchten (vervolgprofijt). Verder kan het wederrechtelijk verkregen voordeel ook de waarde betreffen waarmee het vermogen als gevolg van de besparing van kosten niet is afgenomen. Het voordeel kan of per delict worden bepaald (transactiebasis), of per periode (kasopstelling/vermogensvergelijking).

Aanwijzing witwassen

Aanwijzing feitenonderzoek / strafrechtelijk onderzoek en vervolging in medische zaken

Aanwijzing Telecommunicatiewet (Hoofdstuk 10)

Deze aanwijzing geeft regels voor het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake bepalingen uit de Telecommunicatiewet (TW). De strafrechtelijk te handhaven artikelen van de TW zijn ondergebracht in de Wet op de economische delicten.

Richtlijn voor Strafvordering Telecommunicatiewet

Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken

Deze aanwijzing beschrijft eerst de doelstellingen en uitgangspunten met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, voor zover die door Nederlandse militairen wordt geschonden. Daarna wordt ingegaan op de prioriteiten bij de opsporing. Verder wordt ingegaan op de verhouding tussen het (militair) strafrecht en het militair tuchtrecht. Vervolgens wordt stilgestaan bij de verhouding tot en afwijkingen van Aanwijzingen ten behoeve van militaire zaken. Tenslotte worden meer praktische aanwijzingen gegeven ten aanzien van de consultatie door de hulpofficier van Justitie van de officier van Justitie, ten aanzien van transigabele feiten c.q. feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan en ten aanzien van inhoud en inzending van processen-verbaal.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Rechter-commissaris nieuwe stijl voor sneller en beter strafproces

Een evenwichtig en vlot verlopend strafproces, dat zo min mogelijk aangehouden hoeft te worden voor nader onderzoek. Dat is het voornaamste doel van twee nieuwe wetten die 1 januari in werking zijn getreden. De rechter-commissaris krijgt een sturende en controlerende rol in het opsporingsonderzoek, in de verwachting dat daardoor meer strafzaken kant en klaar op zitting komen.

In positie brengen

De rechter-commissaris behandelt geen strafzaken op de zitting, maar speelt een rol in het vooronderzoek. Hij kan getuigen horen, beslissen over verlenging van het voorarrest, deskundigen benoemen om de verdachte te onderzoeken en al dan niet toestemming geven voor de inzet van zware opsporingsmiddelen, zoals huiszoeking en het afluisteren van telefoongesprekken. Een wetswijziging in 2000 heeft de officier van justitie een sterkere positie gegeven en de rc naar de achtergrond gedrongen. Al jaren wordt gepraat over manieren om hem weer in positie te brengen, zegt Vincent Mul, rc bij de rechtbank Rotterdam. Daar is met de Wet versterking positie rechter-commissaris een aanzet toe gegeven.

Toezicht

De leiding over het opsporingsonderzoek blijft in handen van de officier van justitie, maar de rc houdt toezicht op de voortgang, accuratesse en rechtmatigheid van het onderzoek, zegt Mul. Worden de regels niet goed nageleefd – het zogeheten vormverzuim – dan kan hij de officier lopende het onderzoek opdracht geven daar iets aan te doen.

Termijnen stellen

“Door onrechtmatigheden vroegtijdig te herstellen, voorkom je dat ze pas op de zitting ter sprake komen en de zaak wordt aangehouden”, zegt Mul. Duurt het opsporingsonderzoek te lang, dan kan de rc de officier van justitie een termijn opleggen waarbinnen het klaar moet zijn. “In het uiterste geval kunnen wij de rechtbank vragen het onderzoek te beëindigen, als dat niet helpt.”

Positie verdachte versterken

De zwaardere rol voor de rc versterkt de positie van de verdachte. De rc is als aanspreekpunt voor bijvoorbeeld onderzoekswensen van de verdediging makkelijker bereikbaar dan de officier. “Dat komt ook de efficiëntie ook weer ten goede”, zegt Mul. “We worden dan niet op de zitting pas geconfronteerd met verzoeken om getuigen te horen.”

Invloed op dossier

Een andere nieuwe wet (Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken) geeft verdachten meer invloed op de samenstelling van het dossier waarop de rechter zijn oordeel baseert. Mul: “De verdachte krijgt inzage in alle processtukken, al na het eerste verhoor. Hij kan de officier bovendien vragen bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen. De rc speelt daarin een bemiddelende rol, hij kan de officier aansporen en termijnen stellen.”

Zaken eerder afdoen

De rc’s zijn heel enthousiast over hun actievere rol, zegt Mul. Maar die zorgt wel voor een flinke taakverzwaring. Door de samenvoeging van rechtbanken, die sinds de herziening van de gerechtelijke kaart op 1 januari een feit is, zijn grotere rc-afdelingen (‘parketten rc’) ontstaan, waarmee de slagkracht is vergroot. “Daarnaast is afgesproken dat 25 procent van alle strafrechters als rechter-commissaris gaat werken”, zegt Mul. “Dat kost capaciteit bij de zittingsrechters, maar die zijn ook minder tijd kwijt aan zaken die keurig zijn voorbereid. Het onderzoek verschuift naar voren, is het idee. We hopen dat het gaat lukken om daardoor zaken eerder af te doen.”

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^