Besluit externe veiligheid transportroutes

Aanleiding voor dit besluit is de invoering van het zogeheten basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Door ruimtelijke ontwikkelingen langs infrastructuur waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en door toenemend vervoer ontstaat steeds meer spanning tussen ruimtelijke belangen, vervoersbelangen en de veiligheid van mensen die in de nabijheid van die infrastructuur verblijven (externe veiligheid). Met de Wet basisnet is beoogd een duurzaam evenwicht te scheppen tussen de genoemde belangen. De wet regelt de vervoerskant van het basisnet. Het voorziet onder meer in de aanwijzing van wegen, spoorwegen en binnenwateren waar spanning bestaat of kan ontstaan tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid (zogeheten basisnetroutes). De aanwijzing van basisnetroutes betreft voornamelijk rijksinfrastructuur. Aan elke basisnetroute wordt een risicoruimte gegund voor het vervoer. Deze risicoruimte houdt, ruimtelijk vertaald, een zone in waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Op deze manier wordt een basisbeschermingsniveau voor mensen gewaarborgd.

Dit besluit bevat de uitwerking van de ruimtelijke component van het basisnet. Doel van dit besluit is waarborgen van een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Verder bevat het besluit onder andere regels die strekken tot het inzichtelijk maken van de kans op een ramp met veel slachtoffers en het op een transparante wijze wegen van het risico ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen.

 

Het besluit treedt naar verwachting in werking op 1 juli 2013.

 

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Memories van antwoord behorend bij het derde pakket aan wetgeving op het terrein van de financiële markten (3e FM-pakket)

Minister Dijsselbloem van Financiën heeft op 29 november jl. de Eerste Kamer de memorie van antwoord bij het derde pakket van wetgeving voor de financiële sector toegezonden.  

 

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel strafbaarstelling financieren van terrorisme

Voorgesteld wordt in het Wetboek van Strafrecht een autonome strafbaarstelling van het financieren van terrorisme op te nemen. De voorgestelde zelfstandige strafbaarstelling is gebaseerd op artikel 2 van het VN Verdrag en de daarop voortbordurende Interpretive Note bij Aanbeveling 5. De nieuwe zelfstandige delictsomschrijving zal naar verwachting voor de praktijk voordelen opleveren in de zin van herkenbaarheid en bruikbaarheid.  

Print Friendly and PDF ^

Debat Aanpassing verjaringstermijn misdrijven

De Eerste Kamer heeft gisteren met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie gedebatteerd over het wetsvoorstel Aanpassing verjaringstermijn misdrijven. Dit wetsvoorstel breidt het aantal categorieën in het Wetboek van Strafrecht uit waarvoor geen verjaring van strafvervolging geldt. Het gaat daarbij om misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat en zedenmisdrijven tegen kinderen met een straf van acht jaar. Daarnaast wordt de verjaringstermijn voor misdrijven met een maximum gevangenisstraf van acht jaar of meer verlengd van twaalf naar twintig jaar. In het debat stelden diverse woordvoerders vragen over de motieven van de regering voor dit wetsvoorstel en de positie van verjaring binnen het strafrecht. Kans op gerechtelijke dwaling en slachtofferbelang

Senator Beuving (PvdA) steunde de opvatting van de regering dat misdadigers niet enkel door tijdsverloop hun vervolging mogen ontlopen. Om die reden is in 2005 de verjaringstermijn afgeschaft bij misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf staat. Zij vroeg de minister naar de concrete motieven om de verjaringstermijn nu ook te laten vervallen voor misdrijven met een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer. Een langere of (oneindige) verjaringstermijn vergroot volgens Beuving onder meer de kans op gerechtelijke dwaling en dient daarom  afdoende te worden gemotiveerd.

Ook senator Scholten (D66) herinnerde eraan dat de verjaringstermijn in het leven is geroepen om gerechtelijke dwalingen als gevolg van tijdsverloop te voorkomen. Zij merkte verder op dat ‘het veranderde slachtofferdenken’ dat de regering als argument gebruikt om de verjaringstermijn aan te passen naar haar mening te weinig feitelijk is onderbouwd. Volgens haar is niet met zekerheid te zeggen dat het oneindig verlengen van de termijn bijdraagt aan de juridische emancipatie van het slachtoffer.

Senator De Boer (GroenLinks) vroeg de minister wat het slachtofferbelang is bij verruiming of afschaffing van de verjaringstermijn. Zij stelde dat hiermee de verwachting wordt gewekt dat vervolging ook daadwerkelijk zal plaatsvinden, terwijl politie en justitie er vanwege het ruime tijdsverloop wellicht voor zullen kiezen van vervolging af te zien.

Verjaring binnen het strafrecht

Senator Broekers-Knol (VVD) vroeg de minister in het debat naar een wetenschappelijk onderbouwde visie over het doel, nut en effect van strafrecht in het algemeen en de verjaringstermijn in het bijzonder. Ook vroeg zij hoe de groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal - bijvoorbeeld door getuigen afgestaan DNA-materiaal - bewaard zal worden. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie zegde haar toe de Kamer schriftelijk te zullen informeren over de gevraagde visie. Ook zegde hij senator Broekers-Knol toe een protocol te ontwerpen voor getuigen die hun DNA hebben afgestaan zodat zij op voorhand hun rechtspositie kennen.

Senator Holdijk (SGP) gaf aan geen fundamentele kritiek op het wetsvoorstel te hebben. Hij stelde dat psychische en sociale effecten van het onrecht het strafrecht beïnvloeden. Dit verklaart dan ook de opheffing van de verjaringstermijn bij oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Hij stelde:“Onrecht moet worden vergolden en verjaart dus nooit.”

Senator Ruers (SP) vroeg in zijn bijdrage aandacht voor het rapport van de Algemene Rekenkamer ‘Prestaties in de strafrechtketen’ waarin staat dat in een groot aantal gevallen processtukken verdwijnen in de correspondentie tussen politie en Openbaar Ministerie. Bovendien blijkt volgens hem uit het rapport dat de prestaties in de strafrechtketen zwaar onder de maat zijn. Hij pleitte ervoor te onderzoeken wat de voornaamste reden is voor de verjaring van strafrechtzaken en aan de hand daarvan te bezinnen op de herziening van de verjaringstermijn.

Overgangsrecht

Senator Van Bijsterveld (CDA) merkte op dat het wetsvoorstel geen overgangsregeling bevat voor reeds gepleegde strafbare feiten waarvan op het moment van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel de verjaringstermijn nog niet is verlopen. Zij vroeg de minister of hij de Kamer wil informeren over eventuele ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese Hof op het gebied van het overgangsrecht. De minister zegde haar toe dit toe.

Minister Opstelten gaf in het debat aan dat het strafrecht moet aansluiten bij de in de maatschappij levende opvattingen zonder dat het zich laat beïnvloeden door ‘de waan van de dag’. De verwachtingen bij wetsvoorstel moeten zijns inziens bescheiden zijn, maar het maakt wel meer maatwerk mogelijk. De strafbehoefte bij ernstige strafbare feiten blijft immers langdurig bestaan en het belang van het slachtoffer is in het strafrecht steeds zwaarder gaan wegen. Daarnaast wees de minister op voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van onder meer DNA-technologie die betere vervolging mogelijk maken, ook na verloop van tijd. In dergelijke gevallen biedt de verruiming of opheffing van de verjaringstermijn de mogelijkheid om te vervolgen waar dat nu nog niet zo is.

Aan het eind van het debat gaven diverse woordvoerders aan zich te willen beraden over het wetsvoorstel. Op dinsdag 13 november 2012 zal over het wetsvoorstel worden gestemd.

 

Bron: Eerste Kamer

Print Friendly and PDF ^

Activiteitenbesluit inzichtelijk

Het Activiteitenbesluit is vanaf 1 november 2012 inzichtelijk gemaakt in het Ondernemingsdossier. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu zet hiermee een volgende stap op weg naar het beter informeren van ondernemers. Nu de AIM beschikbaar is via het Ondernemingsdossier, kan de ondernemer een praktisch overzicht van de regels die op zijn bedrijf van toepassing zijn in zijn eigen dossier binnenhalen en deze vertalen in te nemen maatregelen. Koppeling AIM met Ondernemingsdossier

De AIM (de Activiteitenbesluit Internetmodule, een regelhulp voor het Activiteitenbesluit) bestond al langer. Nieuw is dat het ministerie van IenM deze regelhulp nu ook beschikbaar stelt via het Ondernemingsdossier. Vooral voor de rubber- en kunststofindustrie, een branche die veel met milieuregels van doen heeft, is dit een belangrijk voordeel. De bedrijven kunnen namelijk de gestelde eisen via het NRK werkboek Milieu vertalen in acties. Ook veel recreatieondernemers kunnen er hun voordeel mee doen. IenM is de eerste wetgever die haar regels inzichtelijk maakt via het Ondernemingsdossier. Het ministerie ziet deze samenwerking als een pilot om ervaring op te doen met het koppelen van twee belangrijke instrumenten.

Het Ondernemingsdossier

Het Ondernemingsdossier maakt de gegevensuitwisseling tussen bedrijven en overheidsinstellingen eenvoudiger. In het dossier slaan bedrijven eenmalig de gegevens op die bijvoorbeeld nodig zijn voor een vergunning, melding of toezicht. Vervolgens machtigen zij verschillende overheden om deze gegevens in te zien. Moet er een vergunning worden aangevraagd of een maatregel worden getroffen, dan geeft het Ondernemingsdossier tijdig een waarschuwing, daarna kan digitaal een aanvraag of melding worden gedaan. Zo wordt voorkomen dat ondernemers meerdere keren dezelfde informatie moeten aanleveren. Elke ondernemer heeft zijn eigen Ondernemingsdossier en bepaalt welke overheden hij toegang geeft tot zijn Ondernemingsdossier.

Het Ondernemingsdossier is een gezamenlijk initiatief van bedrijfsleven en overheid. Met het dossier wil de overheid de administratieve lasten voor de betrokken ondernemers met minimaal 15% verminderen. De brancheorganisaties van de horeca (KHN i.s.m. Bedrijfschap Horeca & Catering), rubber- en kunststofindustrie (NRK) en de recreatiesector (RECRON), hebben samen met gemeenten, provincies, het ministerie van Economische Zaken en Innovatie (EL&I) en rijksinspecties de handen ineengeslagen voor de realisatie van het Ondernemingsdossier. Het Ondernemingsdossier wordt inmiddels gebruikt door 157 ondernemingen, 33 gemeenten, 3 provincies en 2 rijksinspecties en groeit snel.

 

Bron: Ministerie van I&M

Print Friendly and PDF ^