Debat Aanpassing verjaringstermijn misdrijven

De Eerste Kamer heeft gisteren met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie gedebatteerd over het wetsvoorstel Aanpassing verjaringstermijn misdrijven. Dit wetsvoorstel breidt het aantal categorieën in het Wetboek van Strafrecht uit waarvoor geen verjaring van strafvervolging geldt. Het gaat daarbij om misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat en zedenmisdrijven tegen kinderen met een straf van acht jaar. Daarnaast wordt de verjaringstermijn voor misdrijven met een maximum gevangenisstraf van acht jaar of meer verlengd van twaalf naar twintig jaar. In het debat stelden diverse woordvoerders vragen over de motieven van de regering voor dit wetsvoorstel en de positie van verjaring binnen het strafrecht. Kans op gerechtelijke dwaling en slachtofferbelang

Senator Beuving (PvdA) steunde de opvatting van de regering dat misdadigers niet enkel door tijdsverloop hun vervolging mogen ontlopen. Om die reden is in 2005 de verjaringstermijn afgeschaft bij misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf staat. Zij vroeg de minister naar de concrete motieven om de verjaringstermijn nu ook te laten vervallen voor misdrijven met een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer. Een langere of (oneindige) verjaringstermijn vergroot volgens Beuving onder meer de kans op gerechtelijke dwaling en dient daarom  afdoende te worden gemotiveerd.

Ook senator Scholten (D66) herinnerde eraan dat de verjaringstermijn in het leven is geroepen om gerechtelijke dwalingen als gevolg van tijdsverloop te voorkomen. Zij merkte verder op dat ‘het veranderde slachtofferdenken’ dat de regering als argument gebruikt om de verjaringstermijn aan te passen naar haar mening te weinig feitelijk is onderbouwd. Volgens haar is niet met zekerheid te zeggen dat het oneindig verlengen van de termijn bijdraagt aan de juridische emancipatie van het slachtoffer.

Senator De Boer (GroenLinks) vroeg de minister wat het slachtofferbelang is bij verruiming of afschaffing van de verjaringstermijn. Zij stelde dat hiermee de verwachting wordt gewekt dat vervolging ook daadwerkelijk zal plaatsvinden, terwijl politie en justitie er vanwege het ruime tijdsverloop wellicht voor zullen kiezen van vervolging af te zien.

Verjaring binnen het strafrecht

Senator Broekers-Knol (VVD) vroeg de minister in het debat naar een wetenschappelijk onderbouwde visie over het doel, nut en effect van strafrecht in het algemeen en de verjaringstermijn in het bijzonder. Ook vroeg zij hoe de groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal - bijvoorbeeld door getuigen afgestaan DNA-materiaal - bewaard zal worden. Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie zegde haar toe de Kamer schriftelijk te zullen informeren over de gevraagde visie. Ook zegde hij senator Broekers-Knol toe een protocol te ontwerpen voor getuigen die hun DNA hebben afgestaan zodat zij op voorhand hun rechtspositie kennen.

Senator Holdijk (SGP) gaf aan geen fundamentele kritiek op het wetsvoorstel te hebben. Hij stelde dat psychische en sociale effecten van het onrecht het strafrecht beïnvloeden. Dit verklaart dan ook de opheffing van de verjaringstermijn bij oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Hij stelde:“Onrecht moet worden vergolden en verjaart dus nooit.”

Senator Ruers (SP) vroeg in zijn bijdrage aandacht voor het rapport van de Algemene Rekenkamer ‘Prestaties in de strafrechtketen’ waarin staat dat in een groot aantal gevallen processtukken verdwijnen in de correspondentie tussen politie en Openbaar Ministerie. Bovendien blijkt volgens hem uit het rapport dat de prestaties in de strafrechtketen zwaar onder de maat zijn. Hij pleitte ervoor te onderzoeken wat de voornaamste reden is voor de verjaring van strafrechtzaken en aan de hand daarvan te bezinnen op de herziening van de verjaringstermijn.

Overgangsrecht

Senator Van Bijsterveld (CDA) merkte op dat het wetsvoorstel geen overgangsregeling bevat voor reeds gepleegde strafbare feiten waarvan op het moment van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel de verjaringstermijn nog niet is verlopen. Zij vroeg de minister of hij de Kamer wil informeren over eventuele ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese Hof op het gebied van het overgangsrecht. De minister zegde haar toe dit toe.

Minister Opstelten gaf in het debat aan dat het strafrecht moet aansluiten bij de in de maatschappij levende opvattingen zonder dat het zich laat beïnvloeden door ‘de waan van de dag’. De verwachtingen bij wetsvoorstel moeten zijns inziens bescheiden zijn, maar het maakt wel meer maatwerk mogelijk. De strafbehoefte bij ernstige strafbare feiten blijft immers langdurig bestaan en het belang van het slachtoffer is in het strafrecht steeds zwaarder gaan wegen. Daarnaast wees de minister op voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van onder meer DNA-technologie die betere vervolging mogelijk maken, ook na verloop van tijd. In dergelijke gevallen biedt de verruiming of opheffing van de verjaringstermijn de mogelijkheid om te vervolgen waar dat nu nog niet zo is.

Aan het eind van het debat gaven diverse woordvoerders aan zich te willen beraden over het wetsvoorstel. Op dinsdag 13 november 2012 zal over het wetsvoorstel worden gestemd.

 

Bron: Eerste Kamer

Print Friendly and PDF ^

Activiteitenbesluit inzichtelijk

Het Activiteitenbesluit is vanaf 1 november 2012 inzichtelijk gemaakt in het Ondernemingsdossier. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu zet hiermee een volgende stap op weg naar het beter informeren van ondernemers. Nu de AIM beschikbaar is via het Ondernemingsdossier, kan de ondernemer een praktisch overzicht van de regels die op zijn bedrijf van toepassing zijn in zijn eigen dossier binnenhalen en deze vertalen in te nemen maatregelen. Koppeling AIM met Ondernemingsdossier

De AIM (de Activiteitenbesluit Internetmodule, een regelhulp voor het Activiteitenbesluit) bestond al langer. Nieuw is dat het ministerie van IenM deze regelhulp nu ook beschikbaar stelt via het Ondernemingsdossier. Vooral voor de rubber- en kunststofindustrie, een branche die veel met milieuregels van doen heeft, is dit een belangrijk voordeel. De bedrijven kunnen namelijk de gestelde eisen via het NRK werkboek Milieu vertalen in acties. Ook veel recreatieondernemers kunnen er hun voordeel mee doen. IenM is de eerste wetgever die haar regels inzichtelijk maakt via het Ondernemingsdossier. Het ministerie ziet deze samenwerking als een pilot om ervaring op te doen met het koppelen van twee belangrijke instrumenten.

Het Ondernemingsdossier

Het Ondernemingsdossier maakt de gegevensuitwisseling tussen bedrijven en overheidsinstellingen eenvoudiger. In het dossier slaan bedrijven eenmalig de gegevens op die bijvoorbeeld nodig zijn voor een vergunning, melding of toezicht. Vervolgens machtigen zij verschillende overheden om deze gegevens in te zien. Moet er een vergunning worden aangevraagd of een maatregel worden getroffen, dan geeft het Ondernemingsdossier tijdig een waarschuwing, daarna kan digitaal een aanvraag of melding worden gedaan. Zo wordt voorkomen dat ondernemers meerdere keren dezelfde informatie moeten aanleveren. Elke ondernemer heeft zijn eigen Ondernemingsdossier en bepaalt welke overheden hij toegang geeft tot zijn Ondernemingsdossier.

Het Ondernemingsdossier is een gezamenlijk initiatief van bedrijfsleven en overheid. Met het dossier wil de overheid de administratieve lasten voor de betrokken ondernemers met minimaal 15% verminderen. De brancheorganisaties van de horeca (KHN i.s.m. Bedrijfschap Horeca & Catering), rubber- en kunststofindustrie (NRK) en de recreatiesector (RECRON), hebben samen met gemeenten, provincies, het ministerie van Economische Zaken en Innovatie (EL&I) en rijksinspecties de handen ineengeslagen voor de realisatie van het Ondernemingsdossier. Het Ondernemingsdossier wordt inmiddels gebruikt door 157 ondernemingen, 33 gemeenten, 3 provincies en 2 rijksinspecties en groeit snel.

 

Bron: Ministerie van I&M

Print Friendly and PDF ^

Nationale wet ter uitvoering van EU-fraudebestrijding in werking getreden

Op 15 oktober 2012 is de Wet op de verlening van bijstand aan de Europese Commissie bij controles en verificaties ter plaatse in werking getreden. Deze wet dient ter uitvoering van verordening 2185/96 over controles en verificaties ter plaatse door de Europese Commissie ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie. Verordening 2185/96 geeft de Commissie de bevoegdheid om op het grondgebied van lidstaten controles uit te voeren bij bedrijven teneinde fraude met EU-gelden op te sporen en te bestrijden. In de praktijk wordt dit gedaan door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Lidstaten zijn, evenals bedrijven, verplicht om aan de procedures mee te werken.

De wet op de verlening van bijstand geeft duidelijkheid over de uitvoering van de verplichtingen die de Nederlandse staat heeft onder de verordening, zoals welke minister verantwoordelijk is en welke bevoegdheden en plichten de aangewezen Europese en nationale functionarissen hebben.

 

 

Bron: Expertisecentrum Europees Recht

Print Friendly and PDF ^

Aanpassing verdrag uitwisseling belastinggegevens

Het verdrag om belastinggegevens tussen landen uit te wisselen, wordt aangepast. Staatssecretaris Weekers van Financiën legt het belang van een soepele uitwisseling voor de Nederlandse Belastingdienst uit. Zo is het bankgeheim geen reden meer om informatie te weigeren. "Belastingen die worden opgelegd, moeten ook worden geïnd." CDA'er Omtzigt benadrukt het belang van het uitwisselen van belastinggegevens om zwart geld op te sporen. De extra belastinginkomsten hierdoor zijn belangrijk voor overheden met financiële problemen, concludeert Bashir (SP). Ook Van Vliet (PVV) is positief over het verdrag. De staatssecretaris streeft naar meer automatische gegevensuitwisseling tussen landen.

Privacy 

Hoe zit het met de privacy bij het uitwisselen van belastinggegevens? Omtzigt vraagt zich af of er voldoende waarborgen zijn. Het is niet de bedoeling dat ook informatie over familie of collega's van een betrokkene aan een ander land wordt verstrekt, betoogt Bashir. De wetgeving van het ontvangende land bepaalt hoe met informatie wordt omgesprongen, verklaart de staatssecretaris, maar landen die toetreden worden daar wel op bevraagd.

Wederkerigheid

Het is goed dat Nederland belastinggegevens verstrekt aan andere landen, maar dan moeten die wel hetzelfde doen. Van Vliet en Omtzigt wijzen erop dat landen als Zwitserland, Duitsland en Curaçao niet altijd reageren op Nederlandse informatieverzoeken. Nog niet alle verzoeken zijn beantwoord, erkent de staatssecretaris. Hij dringt er bij de desbetreffende landen op aan om dit alsnog te doen. Bij samenwerking geldt ook voor hem: voor wat hoort wat.

De Kamer stemt op 30 oktober a.s. over het wetsvoorstel en de ingediende motie.

 

Bron: Tweede Kamer

Print Friendly and PDF ^

Bekendmaking: Besluit tot wijziging van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Dit besluit betreft een herziening van de voormalige paragraaf 1 van het Bssa. Deze herziening heeft ten doel om de stortverboden uit het Bssa beter aan te laten sluiten op de minimumstandaarden uit het LAP. Daarnaast is beoogd de duidelijkheid van het Bssa te vergroten. Hiertoe zijn onderdelen geschrapt, geïntegreerd en geherformuleerd. Ook heeft deze herziening ten doel het Bssa te vereenvoudigen en waar mogelijk de bestuurlijke en administratieve lasten af te laten nemen. Dit komt onder meer tot uiting in een hernieuwde werkwijze bij het afwijken van stortverboden. Verder zijn er enkele wijzigingen van ondergeschikte aard aangebracht in de artikelen 11a en 11k van het Bssa en zijn er onder andere als gevolg van de wijziging van het Bssa wetstechnische wijzigingen aangebracht in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Belangrijkste wijzigingen als gevolg van het besluit

Het gewijzigde Bssa onderscheidt 45 categorieën van afvalstoffen waarvoor stortverboden gelden. Een aantal categorieën is ongewijzigd gebleven, een aantal is geheel nieuw en diverse categorieën zijn beter gespecificeerde bestaande categorieën.

Een deel van de categorieën betreft afvalstoffen die nooit gestort mogen worden (categorieën 1 tot en met 14). Het aantal afvalstromen waarvoor dit geldt, is uitgebreid in vergelijking met het Bssa zoals dat tot nu toe luidde.

Net als voorheen kan het in sommige gevallen noodzakelijk zijn om afvalstoffen in afwijking van het stortverbod toch te storten. In artikel 4 (nieuw) is, net als voorheen in artikel 4, eerste lid, de mogelijkheid opgenomen dat gedeputeerde staten aan de omgevingsvergunning voor een stortplaats het voorschrift verbinden dat voor daarbij aangewezen afvalstoffen het in artikel 1, eerste lid, (nieuw) bedoelde verbod niet geldt nadat gedeputeerde staten (op grond van artikel 6 Bssa) hebben verklaard dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is voor de betreffende afvalstof(fen) of de minister, middels de ministeriele regeling op grond van artikel 5 Bssa, een afvalstof heeft aangewezen, waarvoor naar zijn oordeel in Nederland geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is dan storten. De afweging of het milieuhygiënisch gezien verantwoord is om die afvalstof(fen) – indien noodzakelijk – te storten heeft dus al plaatsgevonden bij de besluitvorming op de aanvraag om vergunning voor de stortplaats. De mogelijkheid van afwijking van bepaalde stortverboden is derhalve reeds in de omgevingsvergunning vastgelegd. Het voorschrift als bedoeld in artikel 4 krijgt echter pas betekenis als zich de omstandigheid voordoet dat een verklaring wordt afgegeven dat geen andere wijze van beheer voor een afvalstof mogelijk is.

Voor de afgifte van de verklaring is een nieuwe werkwijze opgesteld. In de oude situatie gaf de minister de verklaring af dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is. Hierna kon de provincie aan de stortplaatsexploitant toestemming verlenen om te storten. Deze werkwijze is thans met dit besluit gewijzigd. Nu bepaalt de provincie zelfstandig of een afvalstof in afwijking van het stortverbod mag worden gestort. De verklaring van de minister is niet meer nodig. Daarnaast krijgt de minister de mogelijkheid om bij ministeriele regeling afvalstoffen waarvoor structureel een tekort aan verwerkingscapaciteit is of afvalstoffen die door een calamiteit met spoed moeten worden verwijderd, aan te wijzen, waarvoor naar zijn oordeel geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is dan storten.

De Regeling niet-herbruikbaar en niet-verbrandbaar bouw- en sloopafval is thans overbodig. In het gewijzigde Bssa is daarvoor geen rechtsbasis meer opgenomen. De Regeling verklaring stortverbod afvalstoffen wordt vervangen door een regeling op grond van artikel 7 (nieuw) Bssa.

 

Bron: Stb. 2012, 466 

 

Print Friendly and PDF ^