Nationale wet ter uitvoering van EU-fraudebestrijding in werking getreden

Op 15 oktober 2012 is de Wet op de verlening van bijstand aan de Europese Commissie bij controles en verificaties ter plaatse in werking getreden. Deze wet dient ter uitvoering van verordening 2185/96 over controles en verificaties ter plaatse door de Europese Commissie ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie. Verordening 2185/96 geeft de Commissie de bevoegdheid om op het grondgebied van lidstaten controles uit te voeren bij bedrijven teneinde fraude met EU-gelden op te sporen en te bestrijden. In de praktijk wordt dit gedaan door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Lidstaten zijn, evenals bedrijven, verplicht om aan de procedures mee te werken.

De wet op de verlening van bijstand geeft duidelijkheid over de uitvoering van de verplichtingen die de Nederlandse staat heeft onder de verordening, zoals welke minister verantwoordelijk is en welke bevoegdheden en plichten de aangewezen Europese en nationale functionarissen hebben.

 

 

Bron: Expertisecentrum Europees Recht

Print Friendly and PDF ^

Aanpassing verdrag uitwisseling belastinggegevens

Het verdrag om belastinggegevens tussen landen uit te wisselen, wordt aangepast. Staatssecretaris Weekers van Financiën legt het belang van een soepele uitwisseling voor de Nederlandse Belastingdienst uit. Zo is het bankgeheim geen reden meer om informatie te weigeren. "Belastingen die worden opgelegd, moeten ook worden geïnd." CDA'er Omtzigt benadrukt het belang van het uitwisselen van belastinggegevens om zwart geld op te sporen. De extra belastinginkomsten hierdoor zijn belangrijk voor overheden met financiële problemen, concludeert Bashir (SP). Ook Van Vliet (PVV) is positief over het verdrag. De staatssecretaris streeft naar meer automatische gegevensuitwisseling tussen landen.

Privacy 

Hoe zit het met de privacy bij het uitwisselen van belastinggegevens? Omtzigt vraagt zich af of er voldoende waarborgen zijn. Het is niet de bedoeling dat ook informatie over familie of collega's van een betrokkene aan een ander land wordt verstrekt, betoogt Bashir. De wetgeving van het ontvangende land bepaalt hoe met informatie wordt omgesprongen, verklaart de staatssecretaris, maar landen die toetreden worden daar wel op bevraagd.

Wederkerigheid

Het is goed dat Nederland belastinggegevens verstrekt aan andere landen, maar dan moeten die wel hetzelfde doen. Van Vliet en Omtzigt wijzen erop dat landen als Zwitserland, Duitsland en Curaçao niet altijd reageren op Nederlandse informatieverzoeken. Nog niet alle verzoeken zijn beantwoord, erkent de staatssecretaris. Hij dringt er bij de desbetreffende landen op aan om dit alsnog te doen. Bij samenwerking geldt ook voor hem: voor wat hoort wat.

De Kamer stemt op 30 oktober a.s. over het wetsvoorstel en de ingediende motie.

 

Bron: Tweede Kamer

Print Friendly and PDF ^

Bekendmaking: Besluit tot wijziging van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Dit besluit betreft een herziening van de voormalige paragraaf 1 van het Bssa. Deze herziening heeft ten doel om de stortverboden uit het Bssa beter aan te laten sluiten op de minimumstandaarden uit het LAP. Daarnaast is beoogd de duidelijkheid van het Bssa te vergroten. Hiertoe zijn onderdelen geschrapt, geïntegreerd en geherformuleerd. Ook heeft deze herziening ten doel het Bssa te vereenvoudigen en waar mogelijk de bestuurlijke en administratieve lasten af te laten nemen. Dit komt onder meer tot uiting in een hernieuwde werkwijze bij het afwijken van stortverboden. Verder zijn er enkele wijzigingen van ondergeschikte aard aangebracht in de artikelen 11a en 11k van het Bssa en zijn er onder andere als gevolg van de wijziging van het Bssa wetstechnische wijzigingen aangebracht in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Belangrijkste wijzigingen als gevolg van het besluit

Het gewijzigde Bssa onderscheidt 45 categorieën van afvalstoffen waarvoor stortverboden gelden. Een aantal categorieën is ongewijzigd gebleven, een aantal is geheel nieuw en diverse categorieën zijn beter gespecificeerde bestaande categorieën.

Een deel van de categorieën betreft afvalstoffen die nooit gestort mogen worden (categorieën 1 tot en met 14). Het aantal afvalstromen waarvoor dit geldt, is uitgebreid in vergelijking met het Bssa zoals dat tot nu toe luidde.

Net als voorheen kan het in sommige gevallen noodzakelijk zijn om afvalstoffen in afwijking van het stortverbod toch te storten. In artikel 4 (nieuw) is, net als voorheen in artikel 4, eerste lid, de mogelijkheid opgenomen dat gedeputeerde staten aan de omgevingsvergunning voor een stortplaats het voorschrift verbinden dat voor daarbij aangewezen afvalstoffen het in artikel 1, eerste lid, (nieuw) bedoelde verbod niet geldt nadat gedeputeerde staten (op grond van artikel 6 Bssa) hebben verklaard dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is voor de betreffende afvalstof(fen) of de minister, middels de ministeriele regeling op grond van artikel 5 Bssa, een afvalstof heeft aangewezen, waarvoor naar zijn oordeel in Nederland geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is dan storten. De afweging of het milieuhygiënisch gezien verantwoord is om die afvalstof(fen) – indien noodzakelijk – te storten heeft dus al plaatsgevonden bij de besluitvorming op de aanvraag om vergunning voor de stortplaats. De mogelijkheid van afwijking van bepaalde stortverboden is derhalve reeds in de omgevingsvergunning vastgelegd. Het voorschrift als bedoeld in artikel 4 krijgt echter pas betekenis als zich de omstandigheid voordoet dat een verklaring wordt afgegeven dat geen andere wijze van beheer voor een afvalstof mogelijk is.

Voor de afgifte van de verklaring is een nieuwe werkwijze opgesteld. In de oude situatie gaf de minister de verklaring af dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is. Hierna kon de provincie aan de stortplaatsexploitant toestemming verlenen om te storten. Deze werkwijze is thans met dit besluit gewijzigd. Nu bepaalt de provincie zelfstandig of een afvalstof in afwijking van het stortverbod mag worden gestort. De verklaring van de minister is niet meer nodig. Daarnaast krijgt de minister de mogelijkheid om bij ministeriele regeling afvalstoffen waarvoor structureel een tekort aan verwerkingscapaciteit is of afvalstoffen die door een calamiteit met spoed moeten worden verwijderd, aan te wijzen, waarvoor naar zijn oordeel geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is dan storten.

De Regeling niet-herbruikbaar en niet-verbrandbaar bouw- en sloopafval is thans overbodig. In het gewijzigde Bssa is daarvoor geen rechtsbasis meer opgenomen. De Regeling verklaring stortverbod afvalstoffen wordt vervangen door een regeling op grond van artikel 7 (nieuw) Bssa.

 

Bron: Stb. 2012, 466 

 

Print Friendly and PDF ^

Samenvatting advies wetsvoorstel inzake de bestrijding van kilometertellerfraude: Raad van State twijfelt aan noodzaak verbod wijzigen kilometerteller

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het wijzigen van de tellerstand van motorrijtuigen. De regering heeft het wetsvoorstel op 9 oktober 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarmee is ook het advies van de Raad van State openbaar geworden. Doel van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel beoogt fraude met kilometertellers in voertuigen tegen te gaan. Daartoe wordt een verbod geïntroduceerd op het (doen) wijzigen of beïnvloeden van kilometertellers. Daarmee samenhangend wordt de mogelijkheid gecreëerd voor een uitbreiding van de verplichte registratie van kilometertellerstanden. Deze registratie maakt het voor consumenten en handelaren mogelijk om onlogische opeenvolgingen van kilometertellerstanden te signaleren. Met de verplichte registratie wordt de huidige, grotendeels op vrijwillige basis verzamelde, registratie van kilometertellerstanden door de stichting Nationale Auto Pas, vervangen door een publiekrechtelijke registratie door de Dienst Wegverkeer (RDW).

Noodzaak en effectiviteit van het verbod op het wijzigen van de kilometerteller

De Afdeling advisering is in haar advies kritisch over het nut en de noodzaak van een verbod op het wijzigen van de kilometerteller. De Afdeling advisering wijst op de al bestaande strafbepalingen die zien op oplichting, bedrog bij verkoop en valsheid in geschrifte. De toelichting op het wetsvoorstel maakt onvoldoende duidelijk wat de toegevoegde waarde is van de voorgestelde nieuwe strafbepaling. Net als bij de bestaande strafbepalingen zal het immers moeilijk blijven om te bewijzen wie de kilometerteller heeft gewijzigd. Het wordt uit de toelichting op het wetsvoorstel evenmin duidelijk of het Openbaar Ministerie prioriteit zal geven aan handhaving van de bepaling. Als handhaving weinig prioriteit krijgt, zal een verbod minder effectief zijn.

Daarbij is het naar het oordeel van de Afdeling advisering in de eerste plaats aan de burger om zich te verweren tegen kilometertellerfraude. Het Burgerlijk Wetboek biedt de burger daar ook mogelijkheden voor, die in het recente verleden nog zijn uitgebreid. In de praktijk blijkt de stichting Nationale Auto Pas ook succesvol juridische stappen te hebben ondernomen tegen aanbieders van kilometertellercorrecties. De Afdeling adviseert naar aanleiding hiervan opnieuw te bezien of het verbod noodzakelijk en effectief zal zijn voor het tegengaan van kilometertellerfraude.

Een publiekrechtelijke kilometertellerregistratie

De Afdeling advisering is tevens kritisch over het voorstel om de RDW de kilometertellerstanden te laten registreren in een databestand. Dit wordt momenteel immers al gedaan door een private partij, de stichting Nationale Auto Pas. De Afdeling advisering wijst daarbij op het uitgangspunt dat de overheid zich beperkt tot haar kerntaken, en alleen optreedt wanneer een doelstelling niet door zelfregulering kan worden bereikt. De stichting Nationale Auto Pas heeft, op initiatief van de autobranche, consumenten de mogelijkheid geboden om de geloofwaardigheid van een kilometertellerstand te controleren voordat zij een voertuig kopen. Dit heeft geleid tot positieve resultaten. Het ligt volgens de Afdeling advisering dan ook voor de hand om dit private initiatief te ondersteunen, in plaats van het werk van deze stichting over te laten nemen door de overheid. Ook op dit punt adviseert de Afdeling de noodzaak van het wetsvoorstel opnieuw te bezien.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Raad van State en het nader rapport van de minister.

Print Friendly and PDF ^

Ontwerpbesluit wijziging Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (BSSA)

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, Atsma, heeft gisteren het ontwerpbesluit aan de voorzitter van de Tweede Kamer gezonden. De Kamer krijgt de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbesluit voordat het aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd.

Achtergrond

Het beleid ten aanzien van de verwerking van grond, is er op gericht om grond daar waar mogelijk, eventueel na behandeling ervan, nuttig toe te passen. Nuttige toepassing kan in de eerste plaats na reiniging van de grond. Ingevolge het Landelijke Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP2) is het verwerken van grond echter ook mogelijk middels immobilisatie. Immobilisatie houdt in het vastleggen van verontreinigde onderdelen van grond. Er zijn twee vormen van immobilisatie: koude immobilisatie en thermische immobilisatie.

Ingevolge het LAP2 is koude immobilisatie van grond gelijkwaardig aan reiniging. Koude immobilisatie wordt steeds vaker toegepast en de kosten ervan zijn concurrerend met die van reiniging. Na koude immobilisatie kan de grond worden hergebruikt als bouwstof en hoeft niet meer gestort te worden.

Anders dan koude immobilisatie, wordt thermische immobilisatie vanwege de hoge kosten en het gebrek aan mogelijkheden nauwelijks toegepast. Thermische immobilisatie is in het LAP2 dan ook niet gelijkwaardig gesteld aan de techniek van reiniging.

Ten behoeve van het wettelijke vastleggen van de techniek van immobilisatie van ernstig verontreinigde grond is artikel 28a van de Wet bodembescherming (Wbb) aangepast (Stb. 2012, nr. 114). De Minister van Infrastructuur en Milieu kan er dientengevolge op sturen dat ernstig verontreinigde grond, indien geschikt, geïmmobiliseerd in plaats van gestort moet worden. In de praktijk zal dit enkel koude immobilisatie betreffen.

In het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (BSSA) is bepaald dat grond, waaronder ook als grond te kwalificeren slib van riolen, kolken of gemalen (RKG-slib), veegvuil en zeefzand wordt verstaan, niet mag worden gestort. Om te voorkomen, dat de mogelijkheden tot hergebruik van grond onbenut worden gelaten, mag alleen gestort worden als de Minister van Infrastructuur en Milieu een verklaring heeft afgegeven waaruit blijkt dat de grond niet-reinigbaar is.

Nu niet alleen reiniging, maar ook immobilisatie van grond mag plaatsvinden, is in dit wijzigingsbesluit het BSSA zodanig aangepast, dat grond pas mag worden gestort als een verklaring van de minister kan worden overlegd, waaruit blijkt dat de grond zowel niet reinigbaar als niet koud-immobiliseerbaar is. Indien grond dus koud geïmmobiliseerd kan worden, mag het niet worden gestort. De minister zal in dat geval namelijk geen verklaring meer afgeven. Hiermee wordt voorkomen, dat onnodig beslag gelegd wordt op stortcapaciteit en onnodig gebruik wordt gemaakt van primaire oppervlaktedelfstoffen.

Besloten is thermische immobilisatie niet uit de uitzondering op de betreffende stortverboden van grond te halen. Zoals aangegeven, wordt door de hoge kosten thermische immobilisatie nauwelijks toegepast. Het feitelijk verbieden van het storten van grond die thermisch immobiliseerbaar is, zou onevenredige nalevingskosten met zich brengen.

In de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 zullen nadere regels worden opgenomen over de beoordeling van de koude-immobiliseerbaarheid van grond.

Bron: Rijksoverheid

 

Print Friendly and PDF ^