Nieuwe oriëntatiepunten bestraffing fraude

De Rechtspraak heeft oriëntatiepunten vastgesteld voor de bestraffing van fraude, variërend van uitkeringsfraude tot ingewikkelde witwaspraktijken. Rechters krijgen daarmee een indruk van de straffen die andere gerechten in vergelijkbare gevallen hebben opgelegd, ter bevordering van de rechtseenheid. De oriëntatiepunten spelen een steeds belangrijker rol in rechtszaken en winnen ook buiten de rechtszaal aan bekendheid.

RECHTSGELIJKHEID

Het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren (LOVS) heeft in 1998 een eerste aanzet tot een consistent straftoemetingsbeleid gegeven. De voorzitters besloten voor veel voorkomende delicten oriëntatiepunten te maken, om de rechtseenheid en rechtszekerheid te bevorderen. “Voor de wet is iedereen gelijk, we moeten dus niet hebben dat een eenvoudige winkeldiefstal in Groningen heel anders bestraft wordt dan in Maastricht”, zegt LOVS-voorzitter Jasper van den Beld.

Grote rol

Het opleggen van richtlijnen voor de strafmaat is geen optie, aangezien rechters onafhankelijk oordelen. “Rechters moeten per geval oordelen en maatwerk leveren”, zegt Van den Beld. Oriëntatiepunten zijn echter geen voorschriften, ze geven alleen weer wat collega’s doen in soortgelijke gevallen. Welke straf leggen zij gemiddeld op en welke strafverzwarende of – verlichtende omstandigheden laten zij meewegen? Dat geeft houvast bij de beoordeling van de eigen zaken.

De afgelopen jaren zijn er veel oriëntatiepunten bijgekomen. Ze spelen ook een grotere rol. “We zien steeds vaker dat rechters in hun vonnissen naar de oriëntatiepunten verwijzen of motiveren waarom zij daarvan afwijken. En hoewel ze bedoeld zijn voor intern gebruik, kijken advocaten en officieren van justitie er ook naar als ze argumenten zoeken voor een lichtere of zwaardere straf.”

Draagvlak

Ook buiten de rechtszaal krijgen oriëntatiepunten meer bekendheid. “Kamerleden en maatschappelijke organisaties vragen soms of er oriëntatiepunten gemaakt kunnen worden voor bepaalde delicten”, zegt Van den Beld. “Die wens kan van belang zijn, maar voorop staat dat rechters er zelf behoefte aan hebben. De crux is dat er draagvlak moet zijn, waardoor ze daadwerkelijk worden gebruikt. Het type delict moet zich er ook voor lenen. We hebben bijvoorbeeld geen oriëntatiepunten voor moord en doodslag omdat de omstandigheden in dat soort zaken te zeer verschillen om daar iets eenduidigs over te zeggen. Je moet geen verwachtingen wekken die je niet kunt waarmaken.”

Lange weg

Voor het opstellen van oriëntatiepunten wordt een lange weg afgelegd. Voorzitters van de strafsectoren dienen een verzoek in bij het LOVS als binnen hun gerecht gevraagd wordt om duidelijkheid over een bepaald delict. Vervolgens krijgt de Commissie Rechtseenheid van het LOVS opdracht te onderzoeken hoe andere gerechten daarover denken, of er plaatselijk al regelingen voor de bestraffing bestaan en of die nog voldoen. Strandt het verzoek niet in die fase, dan start de commissie een onderzoek. “We kijken aan de hand van uitspraken of er een lijn te ontdekken valt. Waarom straft de rechter soms veel hoger of veel lager? Bij rijden onder invloed is het promillage alcohol in het bloed bepalend, maar een delict als verkrachting is niet zo simpel. Dat kent zo veel vormen, kenmerken en omstandigheden. Is er veel geweld gebruikt, was het slachtoffer een kind? Dat scheelt nogal.”

Actueel houden

Al met al duurt het soms wel een jaar voordat oriëntatiepunten klaar zijn, ook vanwege een aantal inspraakrondes bij de gerechten. “Daarna worden ze jaarlijks geëvalueerd, om ervan verzekerd te zijn dat ze een actueel beeld blijven geven van de strafoplegging in Nederland”, zegt Van den Beld. “Want als het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld op last van de minister de strafeis in zedenzaken verhoogt, is de kans reëel dat rechters in reactie daarop na verloop van tijd ook zwaarder gaan straffen.”

Klik hier voor alle oriëntatiepunten voor straftoemeting die gelden per 1 juli 2012.

Bron: De Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Eerste Kamer aanvaard wetsvoorstellen Nationale Politie en Herziening gerechtelijke kaart

Op dinsdag 10 juli 2012 heeft de Eerste Kamer de wetsvoorstellen met betrekking tot de Nationale Politie en de herziening van de gerechtelijke kaart aanvaard.

Bij het wetsvoorstel Herziening van de gerechtelijke kaart stemden PvdA, GroenLinks, D66, VVD, SGP, ChristenUnie, CDA en PVV voor. Bij het wetsvoorstel Nationale Politie stemden ChristenUnie, VVD, PVV, CDA en SGP voor.

De Senaat verwierp de in het kader van de Nationale Politie ingediende moties-Koole (instemmingsrecht van de regioburgemeester bij rechtsbijstandverzoeken en bij de benoeming van de regionale politiechef), alsook de motie-Thom de Graaf (over het beheer en de positionering van de nationale politie). Senator Hoekstra (CDA) trok een door hem ingediende motie in.
 
Senatoren Strik (GroenLinks), Koole (PvdA) en De Graaf (D66) gaven in hun stemverklaring aan het zeer te betreuren dat de minister van Veiligheid en Justitie niet voor de weg van een novelle heeft gekozen. De drie senatoren gaven aan dat zij op dit moment geen gefundeerd oordeel kunnen geven over de door de minister toegezegde wijzigingsvoorstellen, aangezien deze pas zullen worden ingediend nadat er over het voorliggende wetsvoorstel is gestemd. GroenLinks, PvdA en D66 stemden daarom principieel tegen.
De bij het wetsvoorstel Herziening gerechtelijke kaart ingediende motie-Beuving vond unanieme steun in de Kamer. Deze motie verzoekt de regering zich te beperken tot een meer gematigde vorm van schaalvergroting in Oost-Nederland door de rechtbanken Almelo en Zwolle (het Zwolse deel van Zwolle-Lelystad) te laten fuseren tot de rechtbank Overijssel en de rechtbanken Arnhem en Zutphen te laten fuseren tot de rechtbank Gelderland. Minister Opstelten zegde al eerder toe deze motie bij aanvaarding te zullen uitvoeren. Nu zowel het wetsvoorstel als de motie zijn aangenomen, zal de minister het wetsvoorstel met spoed moeten wijzigen. Hoewel de wetsvoorstellen met betrekking tot de Nationale Politie gebaseerd zijn op dezelfde geografische indeling als de Herziening gerechtelijke kaart, heeft dit voor de Nationale Politie in beginsel geen rechtstreeks gevolg.
 
Print Friendly and PDF ^

Spreekrecht slachtoffers en nabestaanden ruimer

Per 1 september wordt het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces uitgebreid. De Eerste Kamer stemde dinsdag 10 juli in met het wetsvoorstel dat dit regelt.
Nu nog mag één nabestaande zijn verhaal op de terechtzitting doen. Straks krijgen naast de levensgezel van het overleden slachtoffer maximaal drie nabestaanden het recht om op zitting te spreken. Dat kunnen behalve een kind of ouder van het slachtoffer ook andere familieleden zijn zoals grootouders, kleinkinderen, nichten, neven, tantes en ooms met wie het slachtoffer een hechte band had.

Verder krijgen ouders of voogden spreekrecht bij minderjarige slachtoffers die vanwege hun jeugdige leeftijd niet in staat zijn op zitting te vertellen over de gevolgen van het misdrijf. Minderjarige slachtoffers die zelf op zitting kunnen spreken, mogen dat blijven doen. Daar komt geen verandering in.

Namens slachtoffer

Nieuw is ook dat het spreekrecht uitgeoefend kan worden namens slachtoffers, die als gevolg van het misdrijf fysiek of geestelijk niet in staat zijn het woord te voeren. De kring van sprekers is dezelfde als die van de nabestaanden. Slachtoffers of nabestaanden die zelf geen gebruik van hun spreekrecht durven of willen maken, mogen dat straks ook hun raadsman of medewerkers van Slachtofferhulp Nederland laten doen. Het slachtoffer mag op de zitting spreken over de gevolgen die het strafbaar feit voor hem heeft gehad. De verdediging kan hem daarover niet ondervragen. In de opzet van het spreekrecht past namelijk dat slachtoffers alleen een verklaring afleggen en dat deze niet voor weerlegging in aanmerking komt.

Positief advies

De Raad voor de rechtspraak bracht eerder een positief advies uit over het concept-wetsvoorstel. Ook maakte de Raad een inschatting van de gevolgen voor de werklast voor de Rechtspraak. De verwachting is dat als gevolg van de wet 1200 mensen per jaar extra zullen spreken in de rechtszaal. Nu maken jaarlijks 230 tot 260 mensen gebruik van spreekrecht in de rechtszaal, blijkt uit onderzoek.

Bron: De Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel conservatoir beslag op vermogen van verdachten

De Staat zal in de toekomst al tijdens het opsporingsonderzoek conservatoir beslag kunnen leggen op het vermogen van de verdachte van een misdrijf ten gunste van het slachtoffer. Het beslag wordt gelegd als de rechter-commissaris daarvoor toestemming heeft gegeven.

In spoedeisende gevallen, zoals bij ontdekking op heterdaad, kan met mondelinge toestemming worden volstaan. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie.

Het kabinet wil voorkomen dat een slachtoffer van een misdrijf zijn schade niet vergoed krijgt omdat de verdachte kans heeft gezien voor zijn veroordeling zijn bezittingen weg te sluizen. De maatregelen vloeien voort uit het regeerakkoord en geven nadere invulling aan het beleid om de positie van slachtoffers te versterken en daders harder aan te pakken.

Na beslag van de Staat op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer, beslist uiteindelijk de zittingsrechter over de vergoeding van de schade. Moet de verdachte betalen, dan wordt altijd eerst het slachtoffer gecompenseerd. Een eventueel restant gaat naar de Staat ter voldoening van de door de rechter opgelegde boete of toegekende ontnemingsvordering. Legt de zittingsrechter geen schadevergoedingsmaatregel op, dan vervalt het beslag automatisch zodra de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Inmiddels heeft de Raad van State advies uitgebracht.

Klik hier voor de Memorie van Toelichting.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe Handreiking Vrijstellingsbesluit Wbp

Deze handreiking bij het Vrijstellingsbesluit Wbp helpt om te beoordelen of een verwerking van persoonsgegevens is vrijgesteld van de wettelijke meldingsplicht bij het College bescherming persoonsgegevens of bij de functionaris voor de gegevensbescherming.

De vraag of een verwerking moet worden gemeld, is van belang voor vrijwel elke organisatie of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor het verwerken van persoonsgegevens. Maar ook anderen, bijvoorbeeld betrokkenen van wie gegevens worden verwerkt, kunnen belang stellen in deze vraag.

Bron: CPB

Print Friendly and PDF ^