Veroordeling boekhoudster wegens verduistering. Rb neemt bij de strafoplegging mee dat verdachte psychisch niet in balans was.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:2666 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verduistering van een aanzienlijk geldbedrag van haar werkgever. Gedurende een periode van ruim 3 jaar heeft zij - als boekhoudster werkzaam bij haar werkgever - door middel van het aanmaken van fictieve facturen en uitbetaling van deze facturen op haar eigen bankrekening een bedrag van €126.976,13 verduisterd.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte iedere maand € 400 afbetaalt op de totale vordering van € 142.400 en dat thans nog een bedrag openstaat van € 115.000.

Verdachte heeft een schuld van in totaal € 240.000. Zij heeft de feiten gepleegd toen zij in een psychische onbalans verkeerde, onder andere door relationele problemen met haar voormalige partner. Verdachte lijdt aan burn-outklachten, depressies en heeft extreme verlatingsangst. Zij is in januari 2016 gestart met een traject bij de GGZ en is inmiddels verwezen naar een gespecialiseerde GGZ-instelling voor cognitieve en schematherapie. Verdachte zal na deze strafzaak met deze behandeling beginnen. Voorts draagt verdachte zorg voor haar 15-jarige zoon die ADHD en PDD-NOS heeft.

Verdachte heeft zelf nog op zitting naar voren gebracht dat zij sinds november 2015 een jaarcontract heeft bij haar nieuwe werkgever en dat zij er alles aan wil doen om die baan te behouden.

Bewezenverklaring

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot:

  • taakstraf van 160 uur
  • voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden
  • schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 115.000

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte door haar persoonlijkheid en de situatie waarin zij zich bevond psychisch niet in balans was, hetgeen overigens niet maakt dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten daarmee goed gepraat zijn.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte zich onder behandeling van de GGZ heeft gesteld en voornemens is om zich, nadat deze strafzaak is beëindigd, te laten behandelen middels cognitieve en schematherapie. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verdachte de zorg heeft over haar 15-jarige zoon die ADHD en PDD-NOS heeft en dat zij daarnaast een baan van 32 uur per week heeft. Zij heeft voorts hoge schulden zodat het opleggen van een geldboete niet passend is.

Verdachte is bezig om haar schuld aan de benadeelde partij zoveel mogelijk af te lossen, hoewel de rechtbank zich realiseert dat de huidige aflossing van € 400,= per maand betekent dat een volledige afbetaling van deze schuld een kwestie van vele jaren zal zijn, nog los van de overige schulden die verdachte nog heeft.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordelingen voor omkoping door ex-medewerkers SNS Property Finance

Oud-directielid van SNS Property Finance (SNSPF), Buck Groenhof, is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een celstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Een tweede hoofdverdachte, Pieter G. uit Haren, kreeg 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De mannen worden veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie, omkoping, witwassen en valsheid in geschrift. Een derde verdachte uit Haren kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 240 uur voor zijn aandeel. Aan zes andere medeverdachten zijn taakstraffen tussen de 80 uur en 240 uur opgelegd.

Het vonnis valt een stuk milder uit dan de eisen van het Openbaar Ministerie. Het OM had tegen alle negen verdachten celstraf geëist, oplopend tot vier jaar cel tegen Buck Groenhof.

Werkwijze

De drie verdachten benaderden verschillende personen om werkzaamheden te gaan verrichten voor SNSPF. Daarbij werd de afspraak gemaakt dat de verdachten een deel zouden ontvangen van het uurtarief dat de via hun eigen ondernemingen ingehuurde personen van SNSPF betaald kregen. De verdachten maakten valse facturen op met als omschrijving ‘advies’ of 'advieswerkzaamheden’. Enkele medeverdachten kregen ook zelf een vergoeding voor de introductie van nieuwe medewerkers bij SNSPF. De ontvangen geldbedragen werden door de ingehuurde personen witgewassen door in hun  administratie de bedragen als legale inkomsten in te boeken.

Vrijspraak oplichting en verduistering

De rechtbank legt lagere straffen op dan door het Openbaar Ministerie is geëist onder meer omdat de verdachten worden vrijgesproken van oplichting van SNSPF en verduistering. Ze zijn daarvan vrijgesproken omdat niet bewezen is verklaard dat SNSPF tot betaling van de uurtarieven is overgegaan doordat de verdachten aan SNSPF een valse voorstelling van zaken hebben gegeven. De rechtbank constateert dat SNSPF kennelijk bereid was om de gevraagde tarieven te betalen.

Integriteit geschaad

Hoewel SNSPF niet is opgelicht, is de integriteit van SNSPF door de handelwijze van de verdachten wel ernstig geschaad, aldus de rechtbank. Door de betaling van de geldbedragen te verzwijgen, ontstond een risico op belangenverstrengeling. Als medewerkers van een professionele organisatie in de bankwereld hadden de verdachten zich daarvan juist zeer bewust moeten zijn. Het grote vertrouwen dat SNSPF in de verdachten in het algemeen, en in één van de hoofdverdachten als directielid in het bijzonder stelde, hebben zij op ernstige wijze geschaad. De rechtbank neemt dit verdachten zeer kwalijk en legt daarom gevangenisstraffen en taakstraffen aan verdachten op.

Ondernemingen

Aan de ondernemingen van verdachten, zijn geldboetes opgelegd van € 5.000,- tot € 50.000,-. Bij deze ondernemingen zijn ook vorderingen tot ontneming vanwederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen tot een totaalbedrag van ruim 2 miljoen euro.

 

Print Friendly and PDF ^

Verduistering van een groot geldbedrag van inmiddels overleden vader. Rb ziet geen toegevoegde waarde in opleggen straf in een uit de hand gelopen familie aangelegenheid.

Rechtbank Midden-Nederland 4 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2621 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een groot geldbedrag van zijn inmiddels overleden vader. Ter afdichting van de verduistering heeft verdachte mede gebruik gemaakt van een valse of vervalste brief van de KWF Kankerbestrijding.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft een integrale vrijspraak bepleit. Wat betreft feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van B en de verklaring van vader sr. van 3 maart 2012. Er is ook geen cent van het geld verdwenen. Er is sprake van onvoldoende wettig en bovenal overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de brief afkomstig is van een contactpersoon van mevrouw B bij het KWF. De brief was niet bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen. Daarom moet vrijspraak volgen. Wat betreft feit 3 geldt dat voor de fotoalbums zoals gevorderd vrijspraak moet volgen. Dat geldt ook voor de ring. Het is niet duidelijk waar die is gebleven.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair, 2, eerste cumulatief/alternatief, en 3 

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 primair is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Feit 1 subsidiair en 2, tweede cumulatief/alternatief 

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2, tweede cumulatief/alternatief, ten laste is gelegd. Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen is een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

Feit 2, tweede cumulatief/alternatief

De rechtbank overweegt dat de valse brief van KWF Kankerbestrijding een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. In de brief wordt gesproken over “uw gift aan het KWF Kankerbestrijding”. In het maatschappelijke verkeer kan deze brief als bewijs/ter ondersteuning worden gezien van een gift aan KWF Kankerbestrijding. Voor dit doel heeft verdachte de valse brief ook gebruikt. Verdachte wist immers dat er geen gift aan KWF Kankerbestrijding was gedaan door of namens zijn vader en dat de brief dus vals was.

Bewezenverklaring

  • Onder 1. subsidiair: Verduistering.
  • Onder 2, tweede cumulatief/alternatief: Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

De rechtbank bepaalt dat er geen straf of maatregel wordt opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat het handelen van verdachte moreel verwerpelijk is, maar ziet net als de officier van justitie geen toegevoegde waarde in het opleggen van een straf of maatregel in een uit de hand gelopen familie aangelegenheid.

Rekening houdende met het feit dat het OM precies om die reden de zaak eerder geseponeerd heeft, verdachte geen strafblad heeft, de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en de ouderdom van de feiten zal de rechtbank gebruik maken van het rechterlijk pardon.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft geprobeerd de Rabobank in Zwolle op te lichten door een geldbestelling op te halen die was gedaan op naam van een ander

Rechtbank Overijssel 3 mei 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1569 Verdachte heeft, samen met anderen, geprobeerd de Rabobank in Zwolle op te lichten door een geldbestelling op te halen die was gedaan op naam van een ander en ten laste van de rekening van een ander. Daarbij zijn privé-gegevens gebruikt die enkel de bank en de rechthebbende behoren te kennen. De Rabobank heeft de geldbestelling van € 38.000,- klaargelegd, waarna verdachte en zijn mededaders naar Zwolle zijn gegaan om deze geldbestelling op te halen. De oplichting is mislukt omdat de rechthebbende van de rekening bemerkte dat er een geldbestelling was gedaan voordat het geld door verdachte en zijn mededaders was opgehaald.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat het bestanddeel “medeplegen” niet kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat ook hier het bestanddeel “medeplegen” niet kan worden bewezen, zodat verdachte ter zake van dit feit ook moet worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is van een strafbaar feit omdat het een ondeugdelijke poging betreft. Het feit had nooit tot een voltooiing kunnen komen omdat er geen afspraak was gemaakt met de bank wie het geld zou komen ophalen. De raadsman heeft ter zake geconcludeerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De overwegingen van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende, in de bijlage bij dit vonnis uitgewerkte, bewijsmiddelen: de aangiftes namens bedrijf 1 B.V. en de Rabobank, het proces-verbaal van de observatie op 6 januari 2016, het proces-verbaal van verdenking van 6 januari 2016, het proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2016, de verklaringen van medeverdachte medeverdachte 1 afgelegd op 7 en 14 januari 2016, de verklaring van verdachte afgelegd op 25 januari 2016 en de verklaring van medeverdachte medeverdachte 2 afgelegd op 14 januari 2016.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen van medeverdachte 1 voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze verklaringen voldoende betrouwbaar zijn. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat zowel verdachte als medeverdachte 1 in hun verklaringen zichzelf belasten, dat de verklaringen van verdachte en medeverdachte 1 op belangrijke onderdelen elkaar ondersteunen, dat de verklaringen van verdachte en medeverdachte 1 ook op belangrijke onderdelen steun vinden in de hiervoor genoemde verklaring van medeverdachte 2 en dat de verklaringen van verdachte en medeverdachte 1 (daarnaast) aansluiten bij de overige genoemde bewijsmiddelen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat verdachte op enig moment medeverdachte 2 heeft benaderd met de vraag of medeverdachte 2 iemand wist om een geldbestelling op te halen. medeverdachte 2 heeft daarbij verklaard dat verdachte het plan had om geld te bestellen en dat verdachte iemand nodig had om dat op te halen. medeverdachte 2 heeft tevens verklaard dat hij hiervoor naam 1 had gevraagd, maar dat deze geen belangstelling had. Blijkens de verklaring van medeverdachte 1 heeft medeverdachte 2 daarna medeverdachte 1 gevraagd, waarbij medeverdachte 2 tegen medeverdachte 1 heeft gezegd dat hij gemachtigd zou worden om een geldbestelling op te halen en dat hij daarmee €1.000 kon verdienen. Daarna heeft medeverdachte 1 zijn persoonsgegevens verstrekt.

Op 30 december 2016 is er vervolgens door een tot op heden onbekend gebleven persoon, die zich valselijk en in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als de heer eigenaar bedrijf 1, een telefonische geldbestelling ten laste van bedrijf 1 B.V. bij de Rabobank Zwolle gedaan van €38.000, waarbij is medegedeeld dat het geldbedrag zou worden opgehaald door medeverdachte 1 en waarbij de persoonsgegevens van medeverdachte 1 zijn doorgegeven. Vervolgens is de afspraak gemaakt dat het geldbedrag op 6 januari 2016 om 11:00 uur door medeverdachte 1 kon worden opgehaald.

Blijkens de verklaring van medeverdachte 1 heeft hij op maandag 4 januari 2016 van medeverdachte 2 gehoord dat het op woensdag 6 januari 2016 zou gaan gebeuren, waarbij medeverdachte 2 aan medeverdachte 1 de instructie heeft gegeven dat hij naar de Rabobank in Zwolle moest gaan om de geldbestelling op te halen.

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat uit de bewijsmiddelen weliswaar niet kan worden afgeleid welke persoon of personen voor het doen van de geldbestelling en het maken van de afspraak (meerdere malen) telefonisch contact met de Rabobank in Zwolle heeft/hebben gehad, maar wel (minst genomen) dat verdachte en medeverdachte 2 kennis en wetenschap hadden van deze geldbestelling, de gemaakte afspraak en van het plan om op deze wijze de Rabobank te bewegen tot afgifte van het bedrag van €38.000.

Deze kennis en wetenschap volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het gegeven dat medeverdachte 2 op 6 januari 2016 met medeverdachte 1 naar Zwolle is gereden, alwaar zij elkaar, volgens de verklaring van verdachte, rond 11:00 uur verdachte zouden treffen. Nabij de Rabobank in Zwolle hebben verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1 vervolgens inderdaad elkaar getroffen. Daarbij heeft verdachte aan medeverdachte 1 instructies gegeven, waarna medeverdachte 1 de Rabobank is ingegaan en in de bank zich valselijk en in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als gemachtigde van bedrijf 1 B.V. en heeft gevraagd om afgifte van de reeds ten laste van bedrijf 1 B.V. gedane geldbestelling van €38.000.

Ook acht de rechtbank redengevend dat verdachte heeft verklaard dat het bedrag van €38.000 zou worden verdeeld volgens een verdeelsleutel waaruit volgt dat een deel van het geld zou toekomen aan (een) tot op heden onbekend gebleven persoon of personen (“diegenen die erachter zitten”), een deel aan verdachte zou toekomen en een deel aan medeverdachte 2. Daarbij heeft verdachte verklaard dat hij van zijn deel nog weer een afdracht aan medeverdachte 2 moest doen, omdat medeverdachte 2 medeverdachte 1 had geregeld.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat door een samenspel tussen verdachte, medeverdachte 2, medeverdachte 1 en (een) tot op heden onbekend gebleven persoon of personen het feit gepleegd is kunnen worden. Daarbij heeft verdachte ten minste als schakel gefungeerd tussen de tot op heden onbekend gebleven persoon of personen door aan medeverdachte 2 de opdracht te geven om een persoon te vinden die het geldbedrag bij de Rabobank in Zwolle op zou kunnen halen, waarbij hij voor derden onbekende informatie over de geldbestelling en de afspraak over het moment van het ophalen van de geldbestelling aan medeverdachte 2 heeft doorgegeven en hij op 6 januari 2016 op het tijdstip van de afspraak bij de Rabobank in Zwolle is verschenen waarbij hij aan medeverdachte 1 instructies heeft gegeven over het bedrijf en de persoon namens wie medeverdachte 1 zou zijn gemachtigd. medeverdachte 2 op zijn beurt heeft uitvoering gegeven aan het van verdachte verkregen verzoek door eerst naam 1 en daarna medeverdachte 1 te benaderen om de geldbestelling bij de Rabobank in Zwolle op te halen, waarbij medeverdachte 2 medeverdachte 1 heeft toegezegd dat medeverdachte 1 hiervoor €1.000 zou krijgen, medeverdachte 2 op maandag 4 januari 2016 tegen medeverdachte 1 heeft gezegd dat het op woensdag 6 januari 2016 zou gaan gebeuren en dat medeverdachte 2 op die woensdag 6 januari 2016 medeverdachte 1 naar Zwolle heeft gebracht. medeverdachte 1 op zijn beurt heeft ermee ingestemd dat hij tegen betaling van een bedrag van €1.000 een geldbestelling op zou halen bij de Rabobank in Zwolle, daartoe heeft hij zijn persoonsgegevens afgegeven, is hij op woensdag 6 januari 2016 met medeverdachte 2 naar de Rabobank in Zwolle gereden, alwaar hij, na instructies van verdachte ontvangen te hebben, zich in de Rabobank in Zwolle valselijk heeft voorgedaan als een persoon die door de heer eigenaar bedrijf 1 zou zijn gemachtigd om de geldbestelling van €38.000 op te halen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1 ieder voor zich een grote bijdrage aan het gepleegde feit hebben geleverd en dat de handelingen van zowel verdachte, als medeverdachte 2 en medeverdachte 1 ieder voor zich benodigd waren om tot het feit te kunnen komen. Deze bijdragen van verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1 zijn ieder voor zich van materieel wezenlijke betekenis geweest. Deze handelingen tezamen maken dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1, waarbij zij het oogmerk hadden van wederrechtelijke bevoordeling, te weten het bewegen van de Rabobank tot afgifte van een geldbestelling ten laste van bedrijf 1 B.V. De rechtbank betrekt daarbij dat verdachte en medeverdachte 2 van meet af aan weet hebben gehad van de wederrechtelijkheid van hun handelen, omdat zij wisten dat de Rabobank zou worden bewogen tot afgifte van een geldbestelling waarop zij geen rechtens geldige aanspraak maakten. Ook medeverdachte 1 moet de wederrechtelijkheid van zijn handelen hebben ingezien, nu hij door voor hem redelijk onbekende personen is ingeschakeld om een (groot) geldbedrag als gemachtigde van een voor hem eveneens onbekend bedrijf en persoon bij de Rabobank in Zwolle op te halen waarvoor hij (maar liefst) een bedrag van €1.000 betaald zou krijgen. In het licht van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 1 zich samen met (een of meer) anderen schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot oplichting van de Rabobank in Zwolle.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen is. Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken kan niet worden geconcludeerd dat verdachte bij het tenlastegelegde feit betrokken is geweest, nu daaruit onvoldoende blijkt dat verdachte de tenlastegelegde oplichtingshandelingen al dan niet in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft gepleegd.

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte als feit 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het als feit 1 tenlastegelegde heeft begaan

Bewezenverklaring

Feit 1: medeplegen van poging tot oplichting.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden en gelast de tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijk opgelegde straffen van drie maanden en twee maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak: Niet bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken als bedoeld in art. 227b Sr

Rechtbank Noord-Nederland 4 mei 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2223

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in strijd met artikel 80 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, door (telkens) opzettelijk na te laten om onverwijld en/of uit eigen beweging het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) er volledig van op de hoogte te stellen dat verdachte volle dagen en/of volle weken werkzaamheden verrichte en/of 40 uren per week werkte, althans meer uren werkte dan eerder opgegeven aan en/of bekend bij het UWV, met betrekking tot het bedrijf 1]en/of een of meer andere bedrijf/bedrijven. 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij acht het tenlastegelegde bestanddeel "opzet" in voorwaardelijke zin bewezen, gelet op de belastende getuigenverklaringen en de op verdachte rustende informatieplicht. Verdachte dacht misschien wel dat het zo mocht maar had beter moeten informeren of zich laten informeren volgens de officier. Zij heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft aangevoerd dat hij dient te worden vrijgesproken nu hij niet verkeerd heeft gehandeld. Hij had begrepen dat hij werkzaamheden mocht verrichten zolang het maar geen productiewerk betrof, voor welke werkzaamheden hij (ten dele) was afgekeurd en een WAO-uitkering ontving. Dat hij managementtaken uitvoerde en daarvoor een gering inkomen ontving was besproken met het UWV en aan het UWV opgegeven.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

De rechtbank is, met name gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de indruk die de rechtbank van verdachte ter terechtzitting heeft verkregen, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken. Verdachte heeft vlak voor het begin van de tenlastegelegde periode in 2004 bij het UWV aangegeven dat hij werk heeft verricht en inkomen heeft genoten. Op grond van de indruk die de rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft verkregen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte er ten volle van overtuigd was dat hij in de periode erna niet meer informatie had hoeven te verstrekken aan het UWV dan hij reeds gedaan had. Niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten inlichtingen te verstrekken aan de uitkeringsinstantie.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^