Vrijspraak babymelkpoederfraude

Rechtbank Rotterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:3403 De verdachte wordt ervan beschuldigd betrokken te zijn bij fraude met babymelkpoeder door normaal melkpoeder te verkopen alsof dat poeder was voor baby’s met koemelkallergie. Hij zou deze fraude dan wel samen met anderen hebben gepleegd, dan wel als medeplichtige hebben bevorderd. Het strafrechtelijke verwijt betreft deelneming aan de verkoop van schadelijke waren (artikel 174 Sr), aan valsheid in geschrift (artikel 225 Sr) en aan oplichting (artikel 326 Sr).

Vast staat dat de verdachte op vrij grote schaal babymelkpoeder heeft ingekocht. Ook staat vast dat vingerafdrukken van de verdachte zijn teruggevonden op blikken die voorwerp van de fraude waren, ónder het valse etiket.

Daarnaast wordt de verdachte gelinkt aan de verkoop van poeder voor baby’s met een voedselallergie nu vanaf een IP-adres dat gekoppeld is aan zijn huisadres dergelijke partijen poeder te koop zijn aangeboden. Hierbij tekent de rechtbank aan dat een neef van de verdachte bij vonnis van heden door deze rechtbank voor fraude met babymelkpoeder is veroordeeld. In de hiervoor bedoelde advertenties wordt gebruik gemaakt van een telefoonnummer dat geregistreerd staat op naam van die neef en van een e-mailadres dat bij die neef in gebruik is geweest. Het is goed denkbaar dat de neef die advertenties vanaf een eigen toestel via evenbedoeld IP-adres heeft geplaatst. De rechtbank neemt daarom niet als vaststaand feit aan dat de verdachte zelf babymelkpoeder te koop heeft aangeboden of heeft verkocht.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen moet worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk schadelijke waren heeft verkocht, opzettelijk valsheid in geschrift heeft gepleegd, met opzet personen heeft opgelicht - dan wel opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van deze misdrijven. Minst genomen moet hij dan kennis hebben gedragen van de praktijken waarvoor zijn neef bij vonnis van heden is veroordeeld. Die kennis kan niet buiten twijfel uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

Het gegeven dat vingerafdrukken van de verdachte zijn gevonden op blikken die voorwerp van fraude waren, noopt niet tot de conclusie dat de verdachte betrokken moet zijn geweest bij het ‘omkatten’ van babymelkpoeder. Denkbaar is dat de verdachte slechts behulpzaam is geweest bij het verplaatsen van die blikken. De verdachte is niet in verband te brengen met valse etiketten en met de verkoop van melkpoeder zodat valsheid in geschrift evenmin bewezen kan worden. En nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat hij op de hoogte was van de fraude, kan ook oplichting niet worden bewezen.

De verdachte zal dan ook van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Twee verdachten in fraudezaak met babymelkpoeder veroordeeld tot celstraf én werkstraf

Rechtbank Rotterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:3399 Verdachten kochten op grote schaal blikken N-1 melkpoeder in. Dit product bevat koemelkeiwit (lactose). Vervolgens vervingen zij de etiketten op deze blikken met vervalste etiketten van het –aanmerkelijk duurdere- P-2, een babymelkpoederproduct dat speciaal bestemd is voor baby’s met lactose-allergie.

Deze aldus “omgekatte” blikken N-1 werden verkocht als ware het blikken P-2. Verdachten wisten dat P-2 specifiek bestemd was voor baby’s met een lactose-allergie. Dat is op het P-2 etiket namelijk duidelijk en helder aangegeven. Indien deze baby’s dan toch een lactose product tot zich nemen, te weten het “omgekatte” blik N-1, dan zullen zij daardoor een allergische reactie krijgen. Dat is schadelijk voor hun gezondheid.

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat het gaat om schadelijke waren in de zin van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), nu de schadelijkheid van de melkpoeder voor het leven of de gezondheid niet is komen vast te staan. Bovendien zou verdachte geen wetenschap hebben gehad van het eventuele schadelijke karakter van de babymelkpoeder. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Beoordeling rechtbank 

De rechtbank heeft overwogen dat de verdachten hiermee het bepaalde in artikel 174 Sr hebben overtreden. Kort gezegd hebben zij waren verkocht, wetende dat die voor de gezondheid schadelijk zijn, terwijl die schadelijkheid door hen werd verzwegen.

Schadelijke waar in de zin van artikel 174 Sr

Artikel 174 Sr stelt strafbaar het verkopen, te koop aanbieden, afleveren of uitdelen van waren, wetende dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, terwijl die schadelijkheid wordt verzwegen.

Onder waren worden verstaan ‘handelswaren’. Dat daarvan in dit geval sprake is, staat niet ter discussie. De door verdachte en zijn medeverdachte aangeboden en verkochte merk 1 -blikken babymelkpoeder met daarop geplakte (valse) etiketten van merk 2 hadden immers een bepaalde gebruiksbestemming, namelijk als voeding voor baby’s vanaf 6 maanden met een koemelkallergie.

De rechtbank dient vast te stellen of de aangeboden babymelkpoeder gevaarlijk is voor het leven of de gezondheid van mogelijke kopers. Bij het delictsbestanddeel ‘schadelijk voor het leven of de gezondheid’, dient het schadelijke karakter voort te vloeien uit elk gebruik waarmee de verkoper redelijkerwijs rekening dient te houden. Voor vaststelling van het schadelijke karakter is niet vereist dat de schade optreedt bij ieder (normaal) gebruik door elke mogelijke consument. Voldoende is dat vastgesteld wordt dat schade kan optreden als gevolg van gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden.

In dit kader overweegt de rechtbank dat bij beantwoording van de vraag met welk gebruik redelijkerwijs rekening dient te worden gehouden, mede van belang is op welke doelgroep het gebruik is gericht. De wijze waarop verdachten de blikken melkpoeder op de markt hebben gepresenteerd speelt hierbij een belangrijke rol.

De verdachten hebben blikken babymelkpoeder met gewone koemelk (merk 1) voorzien van valse etiketten van merk 2 en zodoende de babymelkpoeder gepresenteerd als babymelkpoeder geschikt voor baby’s met een koemelkallergie. Als gevolg hiervan dienden de verdachten redelijkerwijs (juist) rekening te houden met gebruik van de babymelkpoeder door baby’s (van 6 maanden en ouder) met koemelkallergie.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat schadelijke gevolgen voor het leven of gezondheid kunnen optreden als gevolg van dit redelijkerwijs te verwachten gebruik. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst hiervoor naar het rapport van de Nederlandse Voedsel – en Warenautoriteit (NVWA) van 16 juli 2015, het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van 24 november 2015 en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 14 april 2016. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de analyse opgesteld door merk 3 zelf.

In het rapport van de NVWA wordt ten aanzien van de risico’s door ‘omlabeling’ overwogen:

‘Door vervanging van de originele labels van blikken merk 1 door (vervalste) labels van merk 2, ontstaan ernstige risico's voor de gezondheid van zuigelingen die merk 2 (moeten) consumeren. Deze zuigelingen zijn sowieso een bijzonder kwetsbare groep vanwege hun allergie op koemelk. De doelgroep waarvoor het legitieme product merk 2 bedoeld is, kan en zal allergische reacties vertonen op de koemelkeiwitten die zich in het product merk 1 bevinden als onderdeel van de normale samenstelling, met als gevolg ernstige gezondheidsrisico's. De gezondheidsrisico's kunnen zijn onder andere, en variëren in ernst: eczeem en huidprobleem, darmproblemen zoals obstipatie, kramp of diarree, slecht eten, moeheid en vertraagde groei. Op deze basis is het omgelabelde product merk 1 met een merk 2 label zonder meer aan te merken als een schadelijk levensmiddel voor de gezondheid van de zuigelingen waarvoor merk 2 eigenlijk bedoeld is. De schadelijkheid van dit vervalste product blijkt uit de definitie van schadelijke levensmiddel in artikel 14, 4e lid onder c van de Verordening (EG) 178/2002. (…)

Conclusies

Uit bovenstaande opsomming van feiten is mij verbalisant verbalisant gebleken dat:

- de producten merk 1 en merk 2 levensmiddelen zijn in de zin van artikel 3 van de Verordening (EG) 178/2002;

- het product merk 1 voorzien van valse labels van merk 2 beschouwd moet worden als een schadelijke levensmiddel zoals gedefinieerd in artikel 14, 4e lid onder c van de Verordening (EG) 178/2002;

(…)’

In het rapport van het RIVM wordt de vraag beantwoord wat de gezondheidsrisico’s zijn indien zuigelingen met koemelkallergie merk 1 consumeren. De conclusies luiden als volgt:

‘1) Kinderen met koemelkallergie zullen door inname van merk 1 allergische klachten ontwikkelen, omdat de hoeveelheid eiwit die ze innemen relatief hoog is en de allergische klachten al bij een geringe hoeveelheid koemelk kunnen ontstaan.

2)De meest voorkomende klachten die optreden zijn mild en betreffen huidklachten. Daarnaast kunnen ook ernstigere klachten ontstaan zoals darmklachten en/of luchtwegklachten. Een anafylactische shock, een potentieel levensbedreigende allergische reactie, komt incidenteel voor bij baby's met koemelkallergie, en valt daarom niet uit te sluiten.

3)De voedingskundige risico's bij gebruik van merk 1 in plaats van merk 2 zijn klein. Het is niet uitgesloten dat baby's een hogere energie-inname krijgen door gebruik van merk 1 in plaats van merk 2, dit kan bij langdurig gebruik leiden tot ongewenste toename van het lichaamsgewicht.’

De analyse van merk 3 is in het Engels opgesteld door medewerker, (MD, PhD), de ‘Chief Scientific Officer at merk 3 R&D Early Life and Prof Early Life Nutrition at Emma Children’s Hospital AMC Amsterdam’ bevat onder meer de volgende vaststelling:

‘In the view of merk 3 Research, there is a potential serious health risk for 6-12 months old infants with confirmed cow's milk protein allergy to consume merk 1 1. The main reason is the presence of considerable amounts of intact cow's milk protein in merk 1 1, that provide a serious risk of (severe) allergic reactions in infants with cow's milk protein allergy.’

In het rapport van het NFI wordt de vraag beantwoord wat de mogelijke medische gevolgen zijn wanneer een kind dat overgevoelig of allergisch is voor koemelk normale babymelkpoederproducten krijgt toegediend als merk 1, in plaats van koemelkallergie-aangepaste babymelkpoederproducten als merk 2. De onderzoeker van het NFI (forensisch arts) onderschrijft de mogelijke medische gevolgen zoals deze naar voren komen in bovengenoemde rapporten vanuit zijn algemene forensische medische kennis. Uit literatuuronderzoek zou blijken dat in Nederland wordt uitgegaan van 2-3% koemelkallergie voor kinderen tot 1 jaar. In het rapport komt verder naar voren dat de klachten bij koemelkallergie aanzienlijk kunnen verschillen tussen zuigelingen. Hierover wordt overwogen:

‘De symptomen zijn in vier categorieën in te delen:

  • verschijnselen van het maagdarmkanaal (braken, diarree, darmkrampen, mogelijk obstipatie);
  • verschijnselen van de huid (urticaria galbulten, vluchtig exantheem huidslag, oedeem, mogelijk constitutioneel eczeem);
  • verschijnselen van de luchtwegen (astma, allergische conjunctivitis oog, bindvliesontsteking, allergische rinitis neus slijmsvliesontsteking);
  • algemene verschijnselen (ontroostbaar huilen, onrustig gedrag, groeivertraging,

voedselweigering, anafylaxie).’

De verschijnselen zijn, al dan niet met medisch ingrijpen, van voorbijgaande aard. Bij herhaalde blootstelling kunnen de klachten in ernst toenemen (bijvoorbeeld tot ernstige luchtwegklachten met ernstig algeheel zuurstoftekort). Hieraan kan op basis van een internationale review, betreffende meerdere decaden, het volgende worden toegevoegd.

De meerderheid van deze kinderen heeft 2 of meer verschijnselen van 2 of meer orgaansystemen. Circa 50-70% heeft verschijnselen van de huid (zwellingen, jeuk, eczeem), 50-60% van het maagdarmstelsel (misselijk, pijn, braken, diarree) en 20-30% van de

luchtwegen (piepende ademhaling, kortademigheid).

(…)

Een ernstig, potentieel fataal, mogelijk gevolg van koemelkallergie betreft de anafylactische reactie (shock). (…) Dit zou bij circa 1% van de kinderen met koemelkallergie kunnen voorkomen.

(…)

Voorts kunnen ernstige bloedrukdaling, en toegenomen doorlaatbaarheid van bloedvatwanden met algehele zwellingen en vochtophopingen optreden (waaronder op vitale plaatsen zoals bij de stembanden). Ernstige reacties doen zich met name bij oudere kinderen voor (ouder dan 7 jaar).’

Uit deze rapporten kan worden geconcludeerd dat schadelijke gevolgen voor het leven of gezondheid van koemelkallergene baby’s kunnen optreden als gevolg van het drinken van merk 1. De schadelijke gevolgen kunnen weliswaar variëren in ernst en de kans op een anafylactische shock is gering, maar dat het geven van merk 1 schadelijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van deze baby’s in de vorm van (een) allergische reactie(s) en dat deze reactie(s) bij herhaaldelijk gebruik ernstiger zullen worden, staat vast.

Opzet

Tot slot is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de mogelijke schadelijke gevolgen van merk 1 voor baby’s met koemelkallergie en dat van opzet geen sprake was. Dit verweer wordt verworpen. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachte is nu juist gericht geweest op het verkopen van merk 1 als het (duurdere) merk 2, dat bestemd is voor kinderen met koemelkallergie, door blikken van de eerste te ontdoen van hun etiket en daarop een vals etiket merk 2 te plakken. Op de etiketten van merk 2 staat op de voorkant duidelijk aangegeven ‘Dieetvoeding bij koemelkallergie’. Verder is op meerdere plekken op het etiket aangegeven dat het om dieetvoeding voor medisch gebruik gaat en onder het kopje ‘Belangrijk’ staat op het etiket dat merk 2 alleen onder medisch toezicht moet worden gebruikt en dat het wordt voorgeschreven door een consultatiebureau of arts. Vrouw verdachte (de vrouw van de verdachte) verklaarde bij de politie dat de verdachte deze blikken voor € 34 verkocht omdat ze voor koemelkallergie waren. Gelet op het voorgaande was de opzet van de verdachte en zijn medeverdachte juist gericht op het verkopen van merk 1 als merk 2 en had verdachte wetenschap van het feit dat merk 2 speciaal bestemd was voor baby’s met een koemelkallergie, terwijl merk 1 dat niet was. De rechtbank overweegt hierbij dat het een feit van algemene bekendheid is dat het toedienen van een bepaalde stof aan iemand die daarvoor allergisch is, leidt tot een allergische en dus voor de gezondheid van die persoon schadelijke reactie. Verdachte en zijn medeverdachte hebben dat schadelijke karakter opzettelijk verzwegen door de originele etiketten te verwijderen en daarvoor in de plaats valse etiketten op de blikken te plakken.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan de verkoop van waar die schadelijk is voor de gezondheid, waarbij zij dat schadelijke karakter hebben verzwegen.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1: Medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
  • Feit 3: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

  • gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 5 voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaar en
  • taakstraf van 180 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vijf en een half jaar de Belastingdienst op onrechtmatige wijze bewogen ruim € 1,5 miljoen KOT uit te keren

Rechtbank Overijssel 25 april 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1428 Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vijf en een half jaar de Belastingdienst op onrechtmatige wijze bewogen ruim € 1,5 miljoen KOT uit te keren. Hiertoe heeft hij valse aanvragen KOT opgemaakt door middel van zijn gastouderbureau en ingediend bij de Belastingdienst. Daarnaast heeft hij valse jaaroverzichten gastouderopvang opgemaakt, onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend en een gewoonte gemaakt van het witwassen van de uitgekeerde gelden die door voornoemde misdrijven naar hem werden overgemaakt.

Verdenking

De verdenking komt erop neer dat verdachte:

  • Feit 1: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 september 2015 samen met (een) ander(en) de Belastingdienst heeft opgelicht middels het indienen van valse aanvragen kinderopvangtoeslag;
  • Feit 2: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 september 2015 met (een) ander(en) een aantal jaaropgaven kinderopvang en een aantal urenregistratieformulieren valselijk heeft opgemaakt;
  • Feit 3: in de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 september 2015 samen met (een) ander(en) een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van een geldbedrag;
  • Feit 4: in de periode van 28 februari 2009 tot en met 6 maart 2013 opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan;

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de feiten sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 op grond van de inhoud van het strafdossier wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad op de onjuistheid van de aanvraagformulieren Kinderopvangtoeslag, de jaaropgaven kinderopvang en de urenregistratieformulieren. De raadsman heeft betoogd dat verdachte de aanvraagformulieren Kinderopvangtoeslag in bijzijn van zijn klanten heeft ingevuld aan de hand van gegevens die hij van de klanten kreeg.

Vervolgens heeft verdachte de jaaropgaven aan de hand van deze aanvraagformulieren ingevuld omdat de klanten geen urenregistratie formulieren indienden bij verdachte, ondanks dat hen daarom was gevraagd.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman gesteld dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij geld vanuit zijn BV naar Turkije mocht overboeken zonder daarover belasting te betalen. Hij heeft daar geen kwade bedoelingen mee gehad. Daarbij heeft de raadsman aangegeven dat verdachte bereid is het bedrag terug te betalen aan de Nederlandse Staat, maar dat dit bedrag aanzienlijk minder is dan de 1,5 miljoen euro die op de tenlastelegging staat vermeld. De raadsman heeft voorts gesteld dat verdachte inderdaad onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan nu hij zijn vermogen in Turkije heeft vergeten op te geven.

Wettelijk kader

Om ouders in de gelegenheid te stellen werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen (de Wet Kinderopvang, hierna: WKO), die ziet op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en beoogt de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en is in 2006 opgenomen in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). De WKO regelt onder andere de voorwaarden voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en bij gastouders en het recht op kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

Op grond van artikel 1, letter b WKO wordt onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint. Op grond van artikel 1, letters b en c WKO wordt onder gastouderopvang verstaan: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5, eerste lid WKO aanspraak kan maken op KOT, voor ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de gastouder zijn hoofdverblijf heeft.

Een ouder heeft aanspraak op een KOT in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien het kinderopvang betreft in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau (art. 5 lid 1 WKO).

Vraagouder zijn ouders met kinderen. Over het algemeen werken vraagouders. Hun kinderen hebben daarom opvang nodig. Voor deze opvang bestaat er een tegemoetkoming, namelijk Kinderopvangtoeslag (KOT). In de regel vragen de vraagouders deze tegemoetkoming aan middels hun eigen Digi-D code.

Om als vraagouder in aanmerking te komen voor KOT moet er worden voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1.5 en 1.6 van de WKO:

  • er moet sprake zijn van inkomen uit (in beginsel arbeid) bij zowel de vraagouder als de toeslagpartner van de vraagouder;
  • er moet sprake zijn van opvang voor kinderen die deel uitmaken van de thuissituatie;
  • het gastouderbureau ende gastouder zijn ingeschreven in het landelijk register kinderopvang (LRKP).

Omdat de kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming is in de kosten van de kinderopvang dient een vraagouder een eigen bijdrage over te maken aan het gastouderbureau. Een eigen bijdrage is een gedeelte van de kosten die de vraagouder zelf dient te dragen.

In artikel 1.1 van de WKO staat de definitie beschreven van een gastouder. Kort samengevat wordt er gezegd: Een gastouder is een persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt. Gastouderopvang komt tot stand door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Gastouders passen op de kinderen van de vraagouders op het moment dat de vraagouders aan het werk zijn. Om als vraagouder recht te hebben op KOT moet de gastouder ingeschreven staan in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen.

Een gastouderbureau (GOB) is een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders en gastouders geschiedt. Een gastouderbureau regelt de opvang tussen de gastouder en de vraagouder. Dit betekent dat het gastouderbureau bemiddelt. Daarnaast heeft een gastouderbureau een kassiersfunctie. Dit houdt in dat het gastouderbureau dient zorg te dragen voor de inning van de eigen bijdrage van de vraagouders met betrekking tot de opvang.

De kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de vraagouder als bedoeld in artikel 52 van de WKO. De vraagouder dient zelf steeds een eigen bijdrage te voldoen aan de gastouder (artikel 5 en/of 7 van de Wet kinderopvang juncto artikel 8 Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang en tegemoetkoming geld voor de opvang van de vraagouders) en draagt zorg voor de betaling van de oppasvergoeding aan de gastouders in de kosten van de kinderopvang.

Oordeel rechtbank

Verdachte heeft vanaf 2008 meerdere bedrijven onder zich gehad. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel exploiteerde verdachte:

  • eenmanszaak bedrijf 1 van 16 oktober 2008 en 31 december 2009;
  • bedrijf 2 van 26 april 2010 tot en met 1 juni 2013;
  • bedrijf 1 van 26 april 2010 tot en met 1 juni 2013.

Vanaf 1 januari 2010 is verdachte bestuurder en enig aandeelhouder geworden van bedrijf 2 bedrijf 2 was op haar beurt grootaandeelhouder en bestuurder van gastouderbureau bedrijf 1

Daarnaast had verdachte een eigen administratiekantoor genaamd bedrijf 3 en heeft hij een bedrijf dat zich bezighield met de tuning van auto’s genaamd bedrijf 4.

Verdachte bemiddelde in kinderopvang onder de naam Gastouderbureau bedrijf 1. Alle kinderopvangcentra en gastouderbureaus moeten vanaf 2010 geregistreerd zijn, evenals de gastouders, in het LRKP. De gemeente controleert samen met GGD of een gastouderbureau aan de eisen voldoet. Gastouderbureau bedrijf 1 was geregistreerd in het LRKP van 1 januari 2010 tot en met 30 december 2010 en van 8 juni 2011 tot en met 5 november 2014.

Verdachte is – naar eigen zeggen – in de Turkse gemeenschap in de omgeving van Harderwijk door ouders met jonge kinderen benaderd met de mededeling of men geld van de Belastingdienst kon krijgen als op hun kinderen werd gepast. In een later stadium heeft verdachte ook middels advertenties actief geworven. Hij bood daarbij aan om namens hen, vraagouders, de benodigde aanvraagformulieren voor de KOT in te vullen.

Feit 1: Oplichting

Uit het dossier en uit hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard leidt de rechtbank af dat verdachte namens de vraagouders die staan genoemd in de tenlastelegging en anderen aanvragen KOT opstelde, contracten gastouderbureau en jaaroverzichten gastouderopvang heeft opgemaakt en deze geschriften heeft ingediend bij de Belastingdienst.

Vanuit de controle van de Belastingdienst is onderzoek verricht naar bankrekeningen welke onder verdachte geschaard kunnen worden. Bij de bankrekeningen van gastouderbureau bedrijf 1 was te zien dat er bedragen Kinderopvangtoeslag van Belastingdienst/Toeslagen werden overgemaakt naar gastouderbureau bedrijf 1 voor meerdere vraagouders. Daarnaast was te zien op de bankrekening van gastouderbureau bedrijf 1 dat bedragen "Oppasvergoeding" overgemaakt werden naar verschillende gastouders.

In de regel heeft een gastouderbureau een kassiersfunctie. Een gastouderbureau bemiddelt de opvang tussen de vraagouders en de gastouders. Een gastouderbureau houdt de genoten opvanguren bij aan de hand van een urenregistratie die wordt opgesteld door de vraag- en gastouder. Vervolgens wordt aan de hand van het aantal opvanguren een factuur uitgedaan naar de vraagouder waarop de bureaukosten van het gastouderbureau worden berekend en het aantal opvanguren. De vraagouder betaalt deze factuur voor een gedeelte met de KOT en een ander gedeelte is de eigen bijdrage. Het gastouderbureau betaalt de gastouder uit aan de hand van het aantal opvanguren.

In het totaal is een bedrag van € 1.154.963,09 ontvangen door gastouderbureau bedrijf 1 voor diverse vraagouders. Van dit bedrag is ongeveer € 830.000,00 overgemaakt naar de gastouders.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de financiële administratie van het gastouderbureau bedrijf 1. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de aanvragen KOT invulde aan de hand van de gegevens die hij kreeg van de vraagouders en dat hij die uren in hun bijzijn invulde en opstuurde naar de Belastingdienst.Verdachte heeft voorts verklaard dat hij bij gebrek aan urenregistratieformulieren zich baseerde op de in de contracten vermelde uren, in combinatie met zijn inschatting uit het blote hoofd met betrekking tot eventuele afwijkingen ten aanzien van de contracturen.

Echter, nog afgezien van het feit dat verdachte met deze werkwijze niet anders dan bewust moet worden geacht te hebben aanvaard dat hij aldus door te handelen zoals hij deed tot een onjuiste vaststelling van de daadwerkelijke opvanguren zou komen, betrekt de rechtbank in haar oordeel voorts het volgende: Uit de getuigenverhoren die zich in het dossier bevinden komt naar voren dat:

  • alle vraagouders (9), op één na, DigiD en wachtwoorden hebben afgegeven aan verdachte;
  • de aanvragen en wijzigingen KOT zijn ingevuld en ingediend door verdachte;
  • de opvanguren op de jaaroverzichten te hoog zijn;
  • er nauwelijks of geen verplichte eigen bijdrage is betaald door de vraagouders;
  • in een aantal gevallen de gekoppelde vraagouder en gastouder elkaar niet kennen;
  • er nauwelijks of geen urenregistraties en urenlijsten werden bijgehouden.

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling bewust onjuiste, valse, gegevens in deze aanvragen heeft ingevuld waardoor de Belastingdienst geheel of gedeeltelijk ten onrechte KOT heeft verleend en uitbetaald.

Feit 2: valsheid in geschrift

Uit de WKO vloeit voort dat aan het einde van het jaar er jaaroverzichten kinderopvang moeten worden verstrekt aan de vraagouders. Om het werkelijke aantal opvanguren vast te stellen is er een urenregistratie nodig. Op urenstaten vullen gast- en vraagouder de daadwerkelijk opgevangen uren in, ze ondertekenen deze beide. Deze jaaroverzichten moeten vervolgens aan Belastingdienst/Toeslagen worden verstrekt om vast te kunnen stellen wat het definitieve bedrag aan KOT was over het betreffende jaar.

Op basis van de gegevens op de jaaroverzichten van gastouderbureau bedrijf 1 is te zien welke vraagouders en gastouders aan elkaar gekoppeld zijn.

De uren die op de jaaroverzichten staan vermeld komen bijna allemaal exact overeen met de uren op de KOT aanvragen die verdachte eerder heeft opgesteld. Uit de jaaroverzichten blijkt dat een groot deel van de vraagouders 2400 uren opvang per jaar of 200 uren per maand afneemt.

Een groot deel van de vraag- en gastouders geeft aan dat ze van verdachte geen urenstaten hoefden bij te houden en dat er minder opvanguren zijn geweest dan de uren die op de jaaroverzichten staan.

Drie gastouders hebben verklaard helemaal geen werkzaamheden als gastouder te hebben verricht in een bepaalde periode.

Verdachte heeft bij zijn verhoor bij de FIOD en ter zitting verklaard dat er bijna geen urenregistraties aanwezig waren omdat de gastouders deze vergaten in te sturen en dat hij daarom de jaaroverzichten opstelde aan de hand van de eerder opgestelde KOT aanvragen. Hij heeft daarbij aangegeven dat de daadwerkelijke opvanguren meestal overeen kwamen met de contracturen.

De rechtbank acht deze stelling niet aannemelijk omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de opvanguren ondanks ziekte, zwangerschapsverlof, schoolvakanties, en vakantie van de gast- en vraagouder, nagenoeg geheel conform de contracten konden plaatsvonden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk onjuiste gegevens in deze geschriften heeft ingevuld nu het aantal uren gastouderopvang niet met het werkelijke aantal verleende uren overeenkomt. Dit heeft structureel plaatsgevonden, waarbij verdachte de jaaropgaven en urenregistratieformulieren bewust niet heeft gefundeerd op enige deugdelijke registratie van daadwerkelijk plaatsgevonden opvang. Desondanks heeft verdachte deze gegevens ten grondslag gelegd ter verantwoording van de door hem aangevraagde KOT bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft vervolgens geheel of gedeeltelijk ten onrechte KOT verleend, uitbetaald en in stand gehouden.

Het onder feit 2 tenlastegelegde valsheid in geschrifte is naar het oordeel van de rechtbank dan ook dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3: gewoontewitwassen

De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat voor bewezenverklaring van (gewoonte) witwassen sprake moet zijn van gedragingen die meer omvatten dan het enkele voorhanden hebben van die gelden en die gericht zijn op of het karakter hebben van een daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die gelden.

Verdachte heeft zijn inkomsten verkregen uit verschillende bronnen te weten; uitkeringen KOT, diverse contante teruggaven van de gastouders en inkomsten uit zijn overige bedrijven.

Aan de hand van de bankrekeningen van verdachte, echtgenote verdachte, zijn echtgenote,

bedrijf 1 en bedrijf 2 komt naar voren dat bedragen (in totaal € 228,882) werden overgeboekt naar Turkije. Er werden bedragen overgeboekt vanaf de rekeningen van voornoemde B.V.’s naar bankrekeningen van verdachte en zijn vrouw. Daarnaast werden bedragen overgeboekt naar, wat later bleek, familieleden van zijn vrouw echtgenote verdachte.

Uit de verklaringen van verdachte, welke hij heeft herhaald ter zitting, komt naar voren dat er panden zijn aangekocht in Turkije. Volgens verdachte gaat het om twee bedrijfspanden en vier woningen. Daarnaast heeft verdachte een huis laten bouwen in het dorp plaats 1 in Turkije. Verdachte heeft voorts verklaard dat alle panden op naam van zijn vrouw staan, echtgenote verdachte.

Verdachte heeft verder verklaard dat zijn echtgenote verdachte een spaarrekening heeft bij de bank 1 in Turkije met een saldo van ruim € 186.677.

Vanuit de bankrekeningen komt naar voren dat contante opnamen zijn gedaan in Turkije over een periode van 13 juli 2009 tot en met 27 oktober 2014. In het totaal is een bedrag van € 113.133,91 contant opgenomen over deze periode in Turkije.

Gezien het feit dat vanaf 2008 tot en met 2014 een groot aantal contante opnamen in en overboekingen naar Turkije plaatsvinden en aldaar diverse onroerend goederen zijn aangeschaft, is door deze vermenging de omvang van uit misdrijf verkregen gelden niet vast te stellen.

Doorstelselmatig te handelen als hiervoor omschreven heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een gewoonte gemaakt van het overdragen en omzetten van aanzienlijke geldbedragen, die afkomstig waren uit de door hem gepleegde strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van verbergen en/of verhullen van de geldbedragen als bedoeld in art. 420ter Sr juncto art. 420bis lid 1 Sr.

Feit 4: Onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting

De Belastingdienst heeft over 2008-2012 aangiften inkomstenbelasting van verdachte ontvangen. Deze zijn in de periode 28 februari 2009 tot en met 6 maart 2013 bij de belastingdienst ingediend.

De Belastingdienst heeft berekend dat verdachte over 2008 en 2009 onvoldoende inkomsten, dan wel winst uit onderneming heeft aangegeven in box 1.

Verdachte is met ingang van 2010 directeur grootaandeelhouder van bedrijf 2 en bedrijf 2 is op haar beurt weer enig aandeelhouder van bedrijf 1 Daarnaast had verdachte een eigen administratiekantoor genaamd bedrijf 3 en heeft hij een bedrijf dat zich bezighoudt met de tuning van auto’s genaamd bedrijf 4.

Op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 dient verdachte een gebruikelijk loon te genieten welke voldoet aan de eisen die artikel 12 a van deze wet.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zijn eigen aangifte inkomstenbelasting van 2008 tot en met 2012 heeft ingediend bij de Belastingdienst. Hij heeft tevens verklaard dat hij zijn zakelijke inkomsten niet heeft aangegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting 2008 tot en met 2012. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij alle verworven panden, die hierboven staan vermeld en de gelden die op de Turkse bankrekeningen niet heeft meegenomen bij zijn aangiftes inkomstenbelasting. Tot slot heeft verdachte een stuk grond geërfd in Turkije. Volgens verdachte gaat het om een stuk grond van 60.000 m2. Ook dit is niet meegenomen bij de berekening van zijn inkomsten.

Het verweer van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij geld vanuit zijn B.V.’s hier te lande mocht overboeken naar Turkije zonder daarover belasting te betalen aan de Nederlandse Staat en bovendien simpelweg is vergeten zijn overige vermogensbestanddelen aldaar op te geven aan de Belastingdienst, zal de rechtbank passeren gelet op de bewezenverklaringen van de feiten onder 1 (oplichting), 2 (valsheid in geschrift) en 3 (gewoontewitwassen). Tegen die achtergrond – dat wil zeggen mede uit die bewezenverklaarde gedragingen – leidt de rechtbank het opzet af van verdachte tot het doen van onjuiste aangiften zoals ten laste gelegd onder vier.

De rechtbank concludeert op grond hiervan dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan bij de Belastingdienst.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Oplichting, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: Opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik; en
  • het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik;
  • Feit 3: Medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;
  • Feit 4: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Brein achter PlanB4you veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf

Rechtbank Amsterdam 4 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2016:2659

Een 55-jarige man is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van oplichting en gewoontewitwassen. De rechtbank acht bewezen dat de man als oprichter en eigenaar van het netwerkconcept PlanB4you op gewiekste en overtuigende wijze ongeveer 17.000 personen in binnen- en buitenland heeft bewogen tot de inleg van geldbedragen van in totaal bijna 5 miljoen euro. Hij hield de leden voor dat hij het inleggeld zou investeren in daadwerkelijke economische projecten waarmee torenhoge rendementen gehaald zou worden. In werkelijkheid waren deze beloften op drijfzand gebaseerd en wist hij louter zichzelf te verrijken.

Geen piramidespel

De rechtbank spreekt de man vrij voor het in de markt zetten van een piramidespel en daarmee overtreding van de Wet op de Kansspelen. De rechtbank acht het concept PlanB4you een ‘Ponzi Scheme’ en geen piramidespel. Het verschil is dat bij een piramidespel de deelnemers weten dat het te behalen rendement afhankelijk is van de inleg van nieuw aan te brengen leden, terwijl bij een ‘Ponzi Scheme’ deze wetenschap niet aanwezig is. In dit geval waren de leden in de veronderstelling dat het meeste geld verdiend werd uit de voorgespiegelde winstgevende economische activiteiten.

Kans op herhaling

De rechtbank acht de kans op herhaling aanzienlijk nu de man op zitting heeft verklaard PlanB4you nog steeds een uitstekend concept te vinden om geld mee te verdienen en het spijtig vindt dat de uitvoering door het OM is gedwarsboomd. Nog tijdens het strafrechtelijk onderzoek ging hij door met het concept en maakte plannen voor verplaatsing naar Dubai of Bulgarije. Als bijkomende straf oordeelt de rechtbank dat hetvonnis ongeanonimiseerd gepubliceerd wordt op Rechtspraak.nl. De door het OM geëiste geldboetes voor de door verdachte opgezette ondernemingen PlanB4you en Create Commerce wijst de rechtbank af. PlanB4You B.V. is  inmiddels failliet en Create Commerce heeft inmiddels al een boete van ruim een half miljoen euro opgelegd gekregen door de rechter in eerste aanleg in België.

Gedupeerden

In de strafzaken hebben zich 522 gedupeerden als benadeelde partij gevoegd. Hun verzoek om schadevergoeding is niet behandeld vanwege het grote aantal benadeelde partijen en de complexiteit van de vorderingen. Zij kunnen terecht bij de curator van de failliete ondernemingen of een verzoek om schadevergoeding indienen bij de civiele rechter.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling PlanB4you B.V. ‘Piramidespel’ vs. ‘Ponzi scheme’.

Rechtbank Amsterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2660

Verdachte, PlanB4you B.V., heeft in een periode van anderhalf jaar op gewiekste en overtuigende wijze circa 17.000 personen in binnen- en buitenland bewogen tot de inleg van geldbedragen van in totaal bijna 5 miljoen euro in het concept PlanB4You. Dit concept werd tijdens gelikte presentaties gepresenteerd als een mogelijkheid om samen met anderen mee te verdienen aan daadwerkelijke economische activiteiten en projecten.

Het concept bleek echter qua economische haalbaarheid en uitgesproken rendementsgaranties op drijfzand te berusten. Verdachte beloofde de leden torenhoge gegarandeerde en van meet af aan opvraagbare rendementen. De door hem gepresenteerde activiteiten, waaruit deze rendementen voldaan zouden moeten worden, bevonden zich evenwel nog louter in een prille startfase, zonder enigszins uitgewerkte bedrijfs- en marketingplannen, cashflow prognoses, een deugdelijke administratie dan wel betrokkenheid van een boekhouder of accountant. De winstbedragen die verdachte aan de leden presenteerde betroffen dan ook, anders dan hij deed voorkomen, geen daadwerkelijk met bedrijfsactiviteiten gemaakte winsten, maar bedragen die verdachte zelf verzon. Daar waar verdachte ten behoeve van zichzelf en zijn naasten een aantrekkelijk inkomen en aanzienlijke vermogensbestanddelen uit deze activiteiten wist te behalen, ging vervolgens PlanB4You B.V. failliet en zijn de leden inmiddels de dupe van deze oplichting; zij zullen hun inleg naar waarschijnlijkheid niet, althans niet volledig, terug krijgen, laat staan dat zij het beloofde rendement kunnen incasseren.

Klik hier voor de uitspraak in de zaak van de feitelijk leidinggever en hier voor de uitspraak in de zaak tegen Create Commerce, een Belgische zusteronderneming van PlanB4you.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij zich in de periode van 1 juli 2013 tot en met 18 februari 2015 heeft schuldig gemaakt aan

  1. het medeplegen van oplichting, waarbij personen zijn bewogen tot afgifte van ongeveer 5 miljoen euro;
  2. het medeplegen van het exploiteren van een piramidespel; en
  3. het medeplegen van gewoontewitwassen van ongeveer 5 miljoen euro.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle primair ten laste gelegde feiten. De oplichting in vereniging kan worden bewezen op grond van de bevindingen van de FIOD en de verklaringen van getuigen, waaruit blijkt dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen heeft ingezet. Verdachte exploiteerde geen goed lopende onderneming, maar verkocht gebakken lucht teneinde zichzelf te bevoordelen. Het concept PlanB4You is een ‘Ponzi scheme’ en dient aldus aangemerkt te worden als een verboden piramidespel, zoals bedoeld in de Wet op de Kansspelen. Enkele leden waren er immers van op de hoogte dat zij uitbetaald kregen van de inleg van latere leden. Nu de inleg van de leden is verworven door enig misdrijf, is het voorhanden hebben van die gelden aan te merken als witwassen. De misdrijven betreffen in kwestie de oplichting door verdachte en het deelnemen aan een piramidespel door alle leden van PlanB4You.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst beoordelen of de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gedragingen op zich bewezen kunnen worden en vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachte rechtspersoon deze ten laste gelegde strafbare feiten – al dan niet in vereniging – heeft gepleegd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 51 Sr.

Feit 1: Oplichting

Gewekt vertrouwen

medeverdachte heeft door middel van het lanceren van het concept PlanB4You het vertrouwen gewekt dat de verdienmodellen het voorgespiegelde rendement zouden behalen. Hij kwam bovendien in persoon naar de meeste presentaties. Hiermee heeft medeverdachte, zo blijkt uit de verklaringen van aanwezigen, de indruk gewekt dat hij open stond voor kritische vragen en feedback niet schuwde. Door de informatie uit de presentaties te herhalen, veel informatie te verstrekken in korte tijd en rekenvoorbeelden te presenteren versterkte medeverdachte de verwachting dat binnen afzienbare tijd met PlanB4You aanvullend inkomen kon worden gegenereerd. medeverdachte heeft zijn stellingen verder kracht bij gezet door herhaaldelijk te verklaren dat hij het concept in Nederland en België is begonnen, omdat in deze twee landen de strengste wetgeving voor ondernemingen en financiële producten van kracht is. In de tenlastelegging wordt hetgeen door medeverdachte zou zijn voorgewend uitgewerkt in acht feitelijke gedragingen die kunnen worden samengevat in de volgende vier categorieën:

  1. mededelingen over inkomsten van PlanB4You;
  2. mededelingen over dagwinsten;
  3. mededelingen over Profit Parts;
  4. mededelingen over uitbetalingen aan leden van PlanB4You.

Ad.1: mededelingen over inkomsten van PlanB4You

In de promotiefilmpjes, die PlanB4You via het eigen Youtube-kanaal beschikbaar heeft gesteld, werd medegedeeld dat PlanB4You inkomsten genoot uit advertenties, banners, publiciteit en projecten. Een deel van deze mededelingen is afgevlakt, zo hebben de raadsvrouwen aangevoerd. Dat verdachte op de live presentaties heeft verklaard, dat er nog geen advertentie-inkomsten werden gegenereerd, doet echter aan de leugenachtige aard van deze eerdere mededeling niet af, onder meer omdat gelet op het aantal leden verreweg het merendeel van deze leden moet zijn ingestapt alleen op basis van informatie die hen via het internet heeft bereikt en niet via de bijeenkomsten. Bovendien is gesteld noch gebleken dat ook de mededelingen over andere inkomsten dan advertentie-inkomsten zouden zijn afgevlakt.

Ad.2: mededelingen over dagwinsten

Via verschillende communicatiekanalen werd meegedeeld dat de verkoop van producten uit de webwinkel dermate veel zou opleveren, dat ten minste € 0,30 winst per dag per Brickx aan de leden kon worden gegarandeerd. De gemiddelde dagwinst zou liggen op € 1. Er is in de promotiefilmpjes van PlanB4You een rekensom gemaakt, waaruit volgde dat de dagopbrengst werd berekend door de opbrengsten uit publiciteit en projecten te delen door het totaal aantal actieve Brickx van alle leden. Doordat dagwinsten ook daadwerkelijk zijn gecommuniceerd aan de leden en op basis daarvan ook rendement is toegekend aan leden, is de indruk gewekt bij de leden dat dagelijks inkomen werd gegenereerd en dagelijks winst werd gemaakt.

Ad.3: mededelingen over Profit Parts

Via verschillende communicatiekanalen werd meegedeeld dat de Profit Parts gezien moesten worden alscrowd funding. Leden investeerden in PlanB4You, dat de geïnvesteerde gelden zou aanwenden om projecten en nevenbedrijven op te starten. De koers zou worden bepaald aan de hand van vraag en aanbod, en de meerwaarde na verkoop door het lid zou winst zijn. Dat de koers zou stijgen was zeker, nu de projecten en ondernemingen waarvoor deze gelden werden aangewend vanaf de start winstgevend zouden zijn. Om deze verwachting kracht bij te zetten heeft medeverdachte meermalen via nieuwsberichten op de website en Facebook aan de leden medegedeeld dat de opbouw van diverse Toko Johny’s aanstaande was.

Ad.4: mededelingen over uitbetalingen aan leden van PlanB4You

Aan de leden is voorgehouden dat zij op termijn hoge inkomsten konden genieten uit PlanB4You. Meerdere leden hebben verklaard te hebben deelgenomen vanwege de winstverwachting en het hoge rendement dat hen gegarandeerd werd. Op de website van PlanB4You werd de dagwinst vermeld en in het persoonlijke account van ieder lid werd vermeld hoeveel dat lid reeds aan extra inkomen had verdiend. Dit waren grote bedragen die bovendien exponentieel groeiden. Om deze mededelingen kracht bij te zetten heeft medeverdachte uitbetalingen verricht aan leden. Tussen 1 juli 2013 en 31 december 2014 is ruim 1,2 miljoen euro uitbetaald aan leden.

De werkelijkheid

De werkelijkheid achter het concept PlanB4You was op de volgende onderdelen anders dan de gewekte indruk.

Inkomsten van PlanB4You, de webwinkel en dagwinsten

Niets van de mededelingen over inkomsten uit advertenties, banners, publiciteit en projecten was waar, zo heeft medeverdachte ter terechtzitting bekend. De advertentieruimte op de website was niet verkocht, PlanB4You heeft geen projecten opgestart en van enige substantiële opbrengst uit de webwinkel is niet gebleken. Het geld dat in de webwinkel werd uitgegeven bestond bovendien vooral uit virtueel geld, te weten het verplicht uit te geven kwart deel van de winst die, zoals het aan de leden werd voorgespiegeld, zou zijn gemaakt met hun inleg op klikblokjes en Brickx. In werkelijkheid werd er geen winst gemaakt, zodat de inkomsten van de webshop bestonden uit niet-bestaand geld, terwijl de producten die de webshop inkocht en aan leden toezond met bestaand geld moesten worden ingekocht. De inkomsten van PlanB4You bestonden voor een verwaarloosbaar deel uit gelden die niet zijn ingelegd door de leden, maar anderszins zijn verworven. De verkoop van producten was minimaal. Van winst was al helemaal geen sprake. Dagwinsten werden verzonnen door medeverdachte en door hem, voorafgaand aan iedere maand, doorgegeven aan de website-beheerder, die de bedragen op verzoek van medeverdachte per dag op de website heeft weergegeven. Aldus is de indruk gewekt bij de leden dat dagelijks winst werd gemaakt uit de webwinkel. Dit betekent dat de inkomsten van PlanB4You vanaf de start tot en met 2014 bestaan uit inleggeld van de leden, hetgeen ongeveer 5 miljoen euro bedraagt, en uit de opbrengsten uit de webwinkel, die ongeveer € 50.000 belopen.

Geen opgestarte projecten en ondernemingen

Er zijn geen projecten gestart of nevenondernemingen opgericht. De gelden die de leden hebben ingelegd ten behoeve van de Profit Parts zijn, net als de overige inleggelden, op de rekeningen van medeverdachte en zijn vennootschappen terecht gekomen, en daarmee is nimmer geïnvesteerd in bedrijfseconomische activiteiten. medeverdachte heeft deze informatie structureel achtergehouden, terwijl alleen hij wist dat van de opstart van winstgevende projecten en ondernemingen geen sprake was.

Geen bedrijfsplan of toetsing

Voor het concept PlanB4You is nimmer een bedrijfsplan opgesteld en het concept PlanB4You is nimmer door een professional getoetst. Er is geen administratie bijgehouden. Pas nadat een strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachte en zijn medeverdachten was gestart heeft hij ervoor gekozen eenquick scan van het concept PlanB4You uit te laten voeren door een forensisch onderzoeksbureau. Desondanks heeft medeverdachte tijdens bijeenkomsten gesproken over een bedrijfscontrole, uitgevoerd door het gerenommeerde advocatenkantoor naam advocatenkantoor, waar zijn partner werkzaam is, welke controle zo hebben geleid tot het oordeel dat het een legitiem bedrijfsconcept zou zijn. Van een controle door naam advocatenkantoor is echter nimmer sprake geweest.

Privé-uitgaven

Ondanks uitgebleven zakelijke investeringen heeft medeverdachte wel op grote schaal privé-uitgaven gedaan, bestaande uit de aanschaf van onder meer een Maserati, Porsche en een Mini Cooper voor zichzelf, zijn familie en zijn vrienden. Ook heeft medeverdachte de nodige gelden aangewend ten behoeve van de betaling van de woningen van hem, zijn familie en zijn vrienden, en heeft hij hoge bedragen opgenomen bij geldautomaten en uitgegeven middels betaalautomaten, onder meer op diverse vakanties, waarbij gebruik werd gemaakt van rekeningen waarop nagenoeg niets anders binnenkwam dan inleggelden van leden. Tussen 1 juli 2013 en 31 december 2014 is ruim 1 miljoen euro overgeboekt naar de privéspaarrekening van medeverdachte en is ruim 8 ton euro besteed bij geld- en betaalautomaten, aan auto’s en aan vrienden en familieleden. De leden van PlanB4You waren van deze bestedingen niet op de hoogte, zo blijkt uit de verklaringen die meerdere leden hebben afgelegd, inhoudende dat zij nooit zouden hebben deelgenomen aan het concept PlanB4You en hun inleggeld hebben betaald indien zij zouden hebben geweten dat deze gelden aangewend zouden worden voor privédoeleinden.

De oplichtingsmiddelen

Gelet op het bovenstaande staat vast dat medeverdachte in strijd met de waarheid mededelingen heeft gedaan over het concept PlanB4You. De volgende vraag, die moet worden beantwoord, is of medeverdachte hierbij gebruik heeft gemaakt van één van de wettelijke oplichtingsmiddelen. Net als de officieren van justitie en de raadsvrouwen zal de rechtbank haar beoordeling beperken tot de oplichtingsmiddelen listige kunstgrepen en het samenweefsel van verdichtsels, aangezien de in de tenlastelegging verfeitelijkte gedragingen kennelijk op deze middelen betrekking hebben.

Er is sprake van listige kunstgrepen in geval van een of meer bedrieglijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten.

Voor het antwoord op de vraag, of uit door verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat leden van PlanB4You door een samenweefsel van verdichtsels werden bewogen tot afgifte van geldbedragen, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de geheel of gedeeltelijk onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Listige kunstgrepen

De rechtbank acht in het bijzonder het fingeren van de dagwinsten op de website van PlanB4You een bedrieglijke handeling, die geschikt is om het leugenachtige voorwendsel van een winstgevend concept en de valse voorstelling daarvan in rekenvoorbeelden bij leden ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. Hetzelfde geldt voor het fingeren van een koers van de Profit Parts, terwijl de waardevermeerdering in feite werd gegenereerd op grond van een te manipuleren rekenmodel. Gelet hierop heeft medeverdachte zich bediend van listige kunstgrepen, waarbij overigens niet is bedoeld te oordelen dat deze zich hebben beperkt tot de twee hierboven weergegeven voorbeelden.

Samenweefsel van verdichtsels

Voor de beoordeling van dit oplichtingsmiddel beschouwt de rechtbank het concept PlanB4You als één geheel. Als wordt gekeken naar het totaal aan mededelingen, en dan in het bijzonder de garanties ten aanzien van te behalen rendementen, afgezet tegen de bedrijfseconomische werkelijkheid, dan kan niet anders dan worden geconcludeerd dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. De wijze waarop deze mededelingen werden gepresenteerd heeft bovendien bijgedragen aan hun vertrouwenwekkende en indringende aard. Te meer nu het concept zich volgens medeverdachte nog in een opstartfase bevond, had van hem een veel grotere terughoudendheid verwacht mogen worden.

Causaal verband

Leden van PlanB4You hadden slechts de behoefte om aanvullend inkomen te verdienen, zo verklaren zij. Het voorwenden van alle bestaande dan wel aanstaande inkomsten heeft, gelet op hun motief tot deelname, bijgedragen aan het uiteindelijke besluit van leden om in te stappen. Fictie werd immers gepresenteerd als werkelijkheid met een aantrekkelijk geldelijk voordeel in het verschiet. De mededelingen hebben bovendien een dermate vertrouwenwekkende werking gehad, dat zij er bij vele leden toe hebben geleid dat zij aan het concept PlanB4You zijn blijven meedoen. Dat een enkeling heeft verklaard het concept PlanB4You te doorzien en te vermoeden dat het niet klopte, doet aan dit oordeel niet af, nu alle betalende leden van PlanB4You ten minste ten aanzien van de dagwinsten en de koersbepaling van de Profit Parts zijn voorgelogen. Dit betekent dat het overgrote deel van de leden is bewogen tot afgifte van inleggelden door een samenweefsel van verdichtsels, waar enige listige kunstgrepen als het ware onderdeel van uitmaken. Een klein deel van de leden heeft het samenweefsel van verdichtsels mogelijk doorzien, maar wordt geacht dan ten minste bewogen te zijn tot afgifte van inleggelden door listige kunstgrepen. Immers, ook een tactisch vroege deelname aan een vermoed onhoudbaar netwerk marketing concept, met de verwachting te kunnen verdienen voordat het concept omvalt, veronderstelt dat de aanbieder zich houdt aan zijn eigen spelregels.

Oogmerk bevoordeling

Nu medeverdachte heeft ontkend het oogmerk te hebben gehad om zichzelf dan wel een ander te bevoordelen, dient de rechtbank te toetsen in hoeverre zijn gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op een dergelijke bevoordeling. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden. Het concept PlanB4You is vanaf juli 2013 op de markt gepresenteerd en is in oktober 2013 van start gegaan, ondanks dat daarvoor geen bedrijfsplan op papier is uitgewerkt. Het beweerdelijke voornemen om projecten en nevenondernemingen op te zetten is nimmer gerealiseerd, ondanks dat herhaaldelijk tijdens bijeenkomsten en via de sociale media is gecommuniceerd dat dit wel het geval was. Gedurende deze gehele periode bleven de inleggelden binnenstromen. Het beschikbare startkapitaal liep al snel in de miljoenen. Ook dit royale startkapitaal heeft medeverdachte er niet toe bewogen het concept PlanB4You deugdelijk uit te werken en de aanverwante projecten en ondernemingen daadwerkelijk op te starten. medeverdachte heeft nagenoeg geen zakelijke uitgaven gedaan met de inleggelden. Daarentegen heeft hij wel veelvuldig hoge privé-uitgaven gedaan met de inleggelden van de leden. Gelet hierop zijn de gedragingen van medeverdachte er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht geweest om hemzelf en anderen te bevoordelen en had hij dus het vereiste oogmerk van bevoordeling.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande heeft medeverdachte door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels de leden van PlanB4You bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van ‘de leden van/deelnemers aan PlanB4You’ en aangezien de nadere specificering van bij naam genoemde leden daaronder valt, zal dit laatste onderdeel niet afzonderlijk bewezen worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank laat het handelen van de verdachte zich kwalificeren als oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het ‘piramidespel’

Bij de beoordeling van de vraag, of de exploitatie door verdachte van het concept PlanB4You aangemerkt dient te worden als de exploitatie van een piramidespel, betrekt de rechtbank in de eerste plaats het kader uit de Wet op de Kansspelen en voorts hetgeen daarover in de parlementaire geschiedenis is overwogen.

Het toetsingskader

Artikel 1a, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen bepaalt dat onder een piramidespel wordt verstaan ‘een gelegenheid waarbij deelnemers een goed afgeven of een verplichting aangaan teneinde daaruit een voordeel te verwerven dat geheel of ten dele afhankelijk is van de afgifte van een goed of het aangaan van een verplichting door latere deelnemers’. De kern van een piramidespel is, zo leidt de rechtbank af uit de Memorie van Toelichting, dat deelnemers moeten trachten door middel van een opschuifsysteem aan de top van een piramide te komen, en dat het opschuifsysteem zo werkt dat de deelnemers of organisatoren steeds nieuwe deelnemers werven, die vervolgens een bedrag betalen aan de deelnemer die hen heeft geworven en/of aan deelnemers of organisatoren die zich hoger in de piramide bevinden.

Gegeven deze overwegingen van de wetgever gaat de rechtbank ervan uit dat, om van een piramidespel als bedoeld in de aangehaalde wetsbepaling te kunnen spreken, de deelnemers moeten begrijpen dat het telkens werven van nieuwe deelnemers een voorwaarde is om de voorgespiegelde rendementen te blijven behalen.

Een ‘Ponzi scheme’

Gelegenheden, systemen of concepten waarbij het halen van voorgespiegelde rendementen de factoafhankelijk is van de inleg van geld door latere deelnemers, omdat de bedragen die worden uitgekeerd aan eerdere deelnemers met name worden voldaan uit de inleg van nieuwe deelnemers, terwijl de deelnemers wordt voorgespiegeld dat de hoge rendementen worden behaald met slimme investeringen, vallen niet onder het begrip piramidespel, omdat de deelnemers geen weet van hebben van het feit dat hun rendement afhankelijk is van inleg door nieuwe deelnemers. Dergelijke systemen worden aangeduid als ‘Ponzi scheme’ of ‘Ponzifraude’.

De termen ‘Piramidespel’ en ‘Ponzi scheme’ worden soms ten onrechte als inwisselbare begrippen gehanteerd. Hoewel ze overeenkomsten hebben, zijnde dat het rendement van de eerdere deelnemers afhankelijk is van de toestroom van nieuwe deelnemers en dat de eerste groep deelnemers grote rendementen kan behalen terwijl de laatste - doorgaans veel grotere - groep deelnemers het nakijken heeft, omdat er altijd een moment komt waarop er geen of nauwelijks nieuwe deelnemers bijkomen uit wiens inleg hun rendement zou moeten zijn voldaan, is het essentiële verschil dat het de deelnemers aan een piramidespel - in elk geval in enige mate - duidelijk is dat hun rendement afhankelijk is van de inleg van aan te brengen nieuwe deelnemers en geldt dat juist niet voor de deelnemers aan een ‘Ponzi scheme’.

Het concept PlanB4You

Het concept PlanB4You is in essentie een ‘Ponzi scheme’. Er is de leden voorgehouden dat er geld werd verdiend met advertenties, publiciteit, verkoop uit de webshop en projecten, en dat er dagelijks winst werd gemaakt die ook aan de leden werd uitgekeerd, terwijl van dergelijke bedrijfseconomische activiteiten en geldelijke opbrengsten geen of nauwelijks sprake was. Leden werden de facto betaald uit de inleggelden van latere leden.

De rechtbank is van oordeel dat het concept PlanB4You, nu dat als een geheel werd aangeboden, ook als een geheel moet worden beoordeeld. Hoewel de leden aanvullend rendement werd beloofd als zij nieuwe leden zouden aanbrengen, te weten via verdienmodel 3 (het ‘actief inkomen’) en verdienmodel 4 (het ‘passief inkomen’), en in die zin gelegenheid werd gegeven om, zoals artikel 1a, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen stelt, een voordeel te verwerven dat deels afhankelijk was van de afgifte van een goed door latere deelnemers, blijkt uit de rekenvoorbeelden in het dossier dat dit aanvullende rendement in financiële zin in grote mate ondergeschikt was aan het rendement dat kon worden behaald met het klikblokje, de Brickx en de Profit Parts van het lid zelf. Het aanbrengen van nieuwe leden stond geenszins op de voorgrond. Vanuit PlanB4You is, zo volgt uit meerdere getuigenverklaringen en informatiemateriaal van PlanB4You, telkens benadrukt dat er geen verplichting bestond om nieuwe leden te werven en dat het bijbehorende verdienmodel optioneel was. Dit ondergeschikte karakter is ook bij de leden bekend. Leden spreken bovendien niet of nauwelijks over het aanbrengen van andere leden. De leden legden dan ook geen geld in PlanB4You in ‘teneinde’ een voordeel te verwerven dat afhankelijk was van de inleg door nieuwe leden, maar ‘teneinde’ geld te verdienen uit het klikblokje, de Brickx en Profit Parts, doordat hen werd voorgehouden dat PlanB4You winst maakte die aan de leden werd uitgekeerd.

Gegeven het voorgaande acht de rechtbank de toezeggingen en werking van verdienmodel 3 en 4 van dermate ondergeschikt belang, dat PlanB4You als geheel niet kan worden aangemerkt als een piramidespel als bedoeld in de Wet op de Kansspelen. Het onder 2 ten laste gelegde kan dan ook niet worden bewezen. verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Feit 3: Witwassen

Voorwerp

De officieren van justitie hebben in hun requisitoir het volgende vermeld: ‘Bij alle verdachten is het voorwerp ten aanzien waarvan de witwashandelingen plaatsvinden een geldbedrag, en goederen als auto’s.’ Vervolgens hebben zij gerekwireerd tot een bewezenverklaring met betrekking tot alleen een geldbedrag en wordt er over auto’s niets meer opgemerkt. Gelet op de redactie van de tenlastelegging is het onderdeel met betrekking tot de auto’s subsidiair opgevoerd. Gelet hierop zal de rechtbank eerst het primair ten laste gelegde ‘een of meer geldbedrag(en) (van) (in totaal) (minstens) € 3.158.061,-’ beoordelen.

Herkomst

De rechtbank begrijpt dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag betrekking heeft op een deel van de inleggelden van de leden van PlanB4You. Gelet op hetgeen onder 4.3.2. is overwogen kan worden bewezen dat al deze inleggelden afkomstig zijn uit oplichting. De officieren van justitie hebben gesteld dat deze inleggelden mede afkomstig zijn uit het misdrijf deelname aan een piramidespel door de leden. Aangezien de rechtbank het concept PlanB4You niet kwalificeert als een piramidespel als bedoeld in de Wet op de kansspelen, wordt deze stelling verworpen.

De kwalificatie-uitsluitingsgrond

Bovenbedoelde oplichting is medegepleegd door onder anderen medeverdachte, PlanB4You B.V. en Create Commerce BVBA. Dit betekent dat voor deze verdachten sprake is van een eigen misdrijf. De verdediging van medeverdachte heeft in dit verband een beroep gedaan op recente rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Die rechtspraak komt erop neer dat, als een verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden gehad terwijl aannemelijk is dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit een door hem zelf begaan misdrijf, uit de motivering van het oordeel, dat sprake is van witwassen, moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

In dit geval hebben de verdachten de inleggelden niet slechts verworven en voorhanden gehad, maar hebben zij daarmee ook allerlei transacties verricht of laten verrichten. Er zijn bedragen geboekt van en naar rekeningen van de verdachten en van en naar rekeningen van derden, zowel in Nederland als in België. Bovendien zijn er bedragen contant opgenomen en daarmee betalingen verricht in winkels. Gelet hierop is eveneens sprake van het overdragen en omzetten van bedragen. Aangezien de tenlastelegging zich beperkt tot transacties die zijn verricht in Nederland en België, zullen de transacties die in het dossier worden beschreven als verricht buiten deze landen niet bewezen kunnen worden verklaard. Dit overdragen en omzetten heeft overigens overduidelijk niet plaatsgevonden onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte, die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. In zoverre zal het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond dan ook worden verworpen.

Op verschillende momenten is beslag gelegd op tegoeden op rekeningen van de verdachten. Van in ieder geval een deel van de inleggelden kan niet worden vastgesteld dat er voorafgaand aan dit beslag al transacties mee hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat ten aanzien van dat deel wel sprake is van het enkel verwerven en voorhanden hebben van bedragen onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf. Aangezien niet kan worden vastgesteld dat deze gedragingen ook kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze bedragen, kunnen deze gedragingen niet als witwassen worden gekwalificeerd. In zoverre zal het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond dan ook worden gehonoreerd.

Gewoonte

Blijkens de wetsgeschiedenis is sprake van een gewoonte bij een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel voor wat betreft de objectieve aard van de feiten als voor wat betreft de subjectieve gerichtheid van de dader, zijnde de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan. Gelet op de wijze waarop verdachte en medeverdachten de inleggelden hebben verworven, vervolgens die gelden hebben door geboekt en besteed, alsmede de lange periode waarbinnen dit met grote regelmaat plaatsvond, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gewoonte.

Conclusie

Het geldbedrag, waarmee de te kwalificeren witwasgedragingen zijn verricht, kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet exact worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen bewezen, zoals hierna in rubriek 5. is vermeld.

De strafbaarheid van PlanB4You ex artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht

Feit 2

Eerder is geconcludeerd dat het onder 2 ten laste gelegde geen bewezenverklaring van een strafbare gedraging oplevert. Reeds hieruit volgt dat niet kan worden bewezen dat verdachte dit ten laste gelegde feit heeft begaan en dat hiervoor een vrijspraak moet volgen.

Feit 1 en 3

Met inachtneming van de maatstaven ter bepaling of een strafbare gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend ingevolge art 51 (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 en 2016:733) overweegt de rechtbank al volgt.

Uit het overwogene volgt dat Create Commerce samen met PlanB4You B.V. dienden als vehikels voor de oplichtings- en witwasgedragingen van medeverdachte en zijn medewerkers. Zij dienen geen ander doel dan dat. medeverdachte was de feitelijke daadwerkelijke bepaler van de gang van zaken bij deze rechtspersonen en tot in detail verantwoordelijk voor en actief betrokken bij de uitvoering daarvan. Van PlanB4You B.V. was hij bovendien formeel de (enig) bestuurder.

Hieruit volgt dat deze strafbare gedragingen mede hebben plaatsgevonden en zijn verricht in de sfeer van de onderhavige verdachte rechtspersoon. Zij kunnen derhalve worden toegerekend aan die rechtspersoon. Uit de feitelijke gang van zaken binnen deze rechtspersoon als hiervoor is omschreven, volgt tevens dat het ten laste gelegde oogmerk op de oplichting en het opzet op het gewoontewitwassen kan worden toegerekend aan deze rechtspersoon.

Medeplegen feit 1 en 3

Uit het overwogene leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte rechtspersoon, PlanB4You B.V., medeverdachte en zijn medewerkers alsmede een ook daarop gericht opzet van de verdachte rechtspersoon. Dit betekent dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde medeplegen van oplichting en gewoontewitwassen van geldbedragen kan worden bewezen. zoals hierna in rubriek 5. is vermeld.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafoplegging

Gezien de ernst van het feit zou een geldboete van aanzienlijke omvang op zijn plaats zijn. Nu evenwel de verdachte rechtspersoon per 15 maart 2016 failliet is verklaard en een op te leggen geldboete ten laste zou gaan van de uitkering aan gedupeerde leden, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van geldboete geen redelijk strafrechtelijk doel kan dienen. De rechtbank zal dan ook afzien van de oplegging van een geldboete.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^