Verzuim door secretaresse ondertekende akte rechtsmiddel kan voor gedekt worden gehouden

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:102 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 4 februari 2015 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Utrecht van 13 oktober 2014.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat het beroep niet is ingesteld op de wijze als bedoeld in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, aangezien de door de raadsman van de verdachte aan de griffiemedewerker verleende schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep niet is ondertekend door de raadsman maar door diens secretaresse.

Middel

Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In voormeld arrest zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen dient te voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:

(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);

(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);

(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).

Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.

Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde ingeval ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426), en evenmin op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden ingeval de verdachte dan wel een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, aangezien het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo een geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357, NJ 2013/75).

Het vorenoverwogene geldt op overeenkomstige wijze indien de schriftelijke volmacht van de advocaat niet door deze zelf maar door een ander, zoals in het onderhavige geval door zijn secretaresse, is ondertekend. Ook zo een verzuim kan voor gedekt worden gehouden ingeval de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de niet door de advocaat zelf ondertekende volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.

Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte en zijn raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de onderhavige volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ook in geval van voltooide poging kan er nog sprake zijn van vrijwillige terugtred

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:109 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 dagen ter zake van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een beroep gedaan op vrijwillige terugtred en daartoe het volgende aangevoerd:

"Mocht uw hof tot een bewezenverklaring komen, dan dient cliënte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Er is namelijk sprake van vrijwillige terugtred. De politierechter heeft het beroep hierop verworpen omdat de "verbalisanten" (bedoeld was blijkbaar de beveiligers) de verdachte hebben aangesproken en deze zich wellicht betrapt heeft gevoeld. Uit het dossier blijkt niet dat de beveiligers de verdachten aanspraken. Ze zagen het juist aan, om te zien wat er zou gebeuren. Er is geen indicatie dat mijn cliënte zich betrapt voelde. Cliënte heeft zelf gekozen om weg te gaan, ze deed dat niet uitsluitend onder invloed van een externe prikkel. Ik wijs u op de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 juli 2010 met LJN nummer BN 0993."

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt verworpen:

"Het hof gaat, aan de hand van de verschillende verklaringen die zich in het dossier bevinden, uit van de volgende gang van zaken.

Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte en haar medeverdachte hem opvielen omdat ze namelijk meteen bij binnenkomst twee schijnbaar willekeurige kledingstukken uit de rekken pakten, zonder er echt naar te kijken. Getuige [getuige 1] heeft voorts bij de politie verklaard (dossierpagina 13) dat de verdachte en haar medeverdachte vervolgens kledingstukken over de tassen van de aangeefsters legden en dat zij de aangeefsters probeerden af te leiden door ze aan te stoten. Ook de aangeefsters hebben verklaard (pagina 9 en 11) dat er twee dames dicht bij hen kwamen staan en dat zij door hen licht werden geduwd. Nadat de verdachte en haar medeverdachte de aangeefsters hadden afgeleid probeerden ze de tas van een van hen open te ritsen, verklaart zowel [getuige 1] als [getuige 2] .

Getuige [getuige 2] verklaart verder (pagina 17) dat de verdachte en haar medeverdachte dicht bij de aangeefsters gingen staan en dat de medeverdachte vervolgens achter hen ging staan en probeerde met haar hand in de tas van één van de aangeefsters te komen.

Het hof is, uitgaande van hetgeen hiervoor is geschetst, van oordeel dat de verdachte en haar medeverdachte in de winkel samen hebben opgetrokken met als doel de inhoud van de tas van (een van) de aangeefster(s) te bemachtigen. Daartoe is geprobeerd een rits van een tas te openen, wat het hof aanmerkt als een uitvoeringshandeling. Er is dan ook sprake van een voltooide poging tot diefstal, zodat van vrijwillige terugtred reeds om die reden geen sprake meer kan zijn."

Middel

Het middel klaagt over de verwerping van een beroep op vrijwillige terugtred.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verwerping door het Hof van het beroep op vrijwillige terugtred ligt het oordeel ten grondslag dat geen plaats is voor vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr, indien sprake is van een zogenoemde voltooide poging. Die opvatting is onjuist.

Bij vrijwillige terugtred gaat het om het misdrijf waarop de gedragingen van de verdachte waren gericht. Het gaat niet erom of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten.

Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169, NJ 2007/29).

Hoewel het middel terecht klaagt dat de overwegingen van het Hof blijk geven van een onjuiste opvatting omtrent het begrip 'vrijwillige terugtred' als bedoeld in art. 46b Sr, behoeft het niet tot cassatie leiden in verband met het volgende.

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat het de verdachte niet is gelukt om de tas van de aangeefster open te ritsen teneinde daaruit iets weg te nemen, terwijl aan het beroep op vrijwillige terugtred slechts is ten grondslag gelegd dat de verdachte "zelf (heeft) gekozen om weg te gaan, ze deed dat niet uitsluitend onder invloed van een externe prikkel". Aldus is het beroep op 'vrijwillige terugtred' zodanig ontoereikend onderbouwd dat het Hof het beroep daarop slechts kon verwerpen. Het oordeel van het Hof is dus juist wat er ook zij van de motivering.

Conclusie AG: contrair

7. De omstandigheid dat een poging al dan niet als voltooid kan worden aangemerkt door een uitvoeringshandeling is, anders dan het Hof kennelijk van oordeel is, niet bepalend voor de beoordeling van het beroep op vrijwillige terugtred. De verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred is daarom ontoereikend gemotiveerd.

8. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-onherroepelijke niet-ontvankelijkheid onvoldoende voor succes bij beklag ex art. 552a Sv over beslag art. 94a Sv

Hoge Raad 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:73 De Rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 11 november 2014 het door klager ingediende klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast van, dan wel het beslag opgeheven inzake de inbeslaggenomen onroerende goederen, zaken en/of vorderingen van klager.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van op de voet van art. 94a Sv gelegde conservatoire beslagen gegrond verklaard en de opheffing van de conservatoire beslagen gelast. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Nu vaststaat dat zowel de straf- als de ontnemingszaak nog niet definitief zijn geëindigd, dient de rechtbank te beoordelen of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel ontnemingszaak aan klager een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijst de rechtbank naar onderstaande passages uit het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2014 (...) en het vonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2014.

Gerechtshof Den Haag 2 juli 2014:

"(...)

Conclusie

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden tezamen maken dat (voortzetting van) de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder rechtszekerheid, evenredigheid, zorgvuldigheid, en het verbod van willekeur om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de onderhavige vervolging van deze verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het openbaar ministerie is daarom niet ontvankelijk."

Rechtbank Den Haag 8 oktober 2014:

"(...)

Aangezien betrokkene in de hoofdzaak niet is veroordeeld wegens een strafbaar feit, concludeert de rechtbank dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel."

"Gezien hetgeen het gerechtshof heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel ontnemingszaak aan klager een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd. Op deze grond zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de daarmee overeenkomende last geven."

Met toepassing van de juiste maatstaf bij de beoordeling van een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag heeft de Rechtbank beoordeeld of zich hier het geval voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete of een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft dat hoogst onwaarschijnlijk geacht. Aan dit oordeel heeft de Rechtbank in het bijzonder ten grondslag gelegd dat het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen de klager bij, niet-onherroepelijk, arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:2211) niet-ontvankelijk is verklaard in de strafvervolging. De Rechtbank had bij haar oordeel evenwel niet mogen vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG onder meer over de vraag wanneer van een motorfiets i.d.z.v. de Wegenverkeerswet 1994 kan worden gesproken

Hoge Raad 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:75 Verzoeker is bij arrest van 10 juli 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens

  1. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, wegens
  2. overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke geldboete van € 390,00, subsidiair zeven dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, en wegens
  3. als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 7 oktober 2012 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, de Westerdorpsstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;”

Voorts heeft het Hof ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen:

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit. (…) Wat betreft feit 2 is volgens de raadsman geen sprake van een motor, maar van een scooter, waarvoor een rijbewijs AM volstaat. (…)

Met betrekking tot feit 2 is het hof mede gelet op het proces-verbaal van verbalisanten (p. 4 t/m 8) van oordeel dat sprake is van een motorscooter, waarvoor een rijbewijs A is vereist. Een voertuig dat sneller kan rijden dan 50 kilometer per uur is geen bromfiets (meer), maar een motorfiets. Zie art. 5.6.8 van de Regeling voertuigen. Verdachte beschikte over een rijbewijs AM en B. Er is sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het rijden zonder rijbewijs.”

Middel

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer met betrekking tot feit 2 dat niet kan worden bewezenverklaard dat het betrokken voertuig een motorscooter betreft waarvoor een rijbewijs A is vereist.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.

Conclusie AG

De AG geeft, in verband met het voorgedragen cassatiemiddel, weer (a) de relevante onderdelen van het eerste lid onderdeel e van art. 1 WVW 1994, handelend over de definitie van het begrip bromfiets, (b) de relevante onderdelen van het tweede lid van art. 1.1 Regeling voertuigen, handelend over de definities van het begrip bromfiets en het begrip motorfiets, en (c) art. 5.6.8 Regeling voertuigen.

8. Uit deze omschrijvingen blijkt dat enkel kan worden gesproken van een bromfiets indien deze een door de constructie bepaalde maximumsnelheid heeft van niet meer dan 45 km/h en tevens een verbrandingsmotor heeft met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm³. Een motorvoertuig valt onder de classificatie motorfiets indien het uitgerust is met een motor met inwendige verbranding, met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³ of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h.

9. Voorts zijn voor de beoordeling van het middel van belang de overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0746,NJ 1994/150 (VR 1993/73), waarin de Hoge Raad oordeelt dat wijzigingen aan een motorrijtuig van invloed kunnen zijn op de classificatie van dit motorrijtuig:

“3.4 In het eerste onderdeel van het middel wordt betoogd dat een motorrijtuig dat eenmaal is toegelaten als bromfiets een bromfiets blijft ongeacht de daaraan aangebrachte wijzigingen. Het onderdeel faalt omdat niet valt in te zien en uit art. 1 lid 1 onder d WVR en art. 4 lid 1 onder a RVV ook niet volgt, dat een motorrijtuig dat aanvankelijk onder de omschrijving van bromfiets viel, als gevolg van daaraan aangebrachte wijzigingen niet in een andere categorie terecht zou kunnen komen, waardoor het niet langer als bromfiets kan worden aangemerkt.”

10. Ook enkele beschouwingen uit de conclusie van de A-G Asser vóór het voormelde arrest verdienen vermelding:

“3.14. De rechtbank heeft in r.o. 8 van haar vonnis, waartegen zich middelonderdeel 1 keert, overwogen dat uit de definitie van het begrip bromfiets in WVR en RVV volgt

‘dat er, naast bromfietsen andere motorvoertuigen zijn die weliswaar uiterlijk en qua constructie grote overeenstemming met bromfietsen vertonen, maar toch geen bromfiets in de zin der wet zijn omdat zij bijvoorbeeld over een verbrandingsmotor met een grotere cylinderinhoud dan 50 cm³ beschikken, dan wel omdat daarmee een grotere snelheid bereikt kan worden dan 40 kilometer per uur’.

Ook volgt uit die definitie, aldus de rechtbank,

‘dat een motorvoertuig dat ten tijde van de fabricage daarvan aan de definitie van bromfiets voldeed en daarmee toen als een bromfiets in de zin der wet aangemerkt diende te worden, dat karakter nadien kan verliezen doordat bijvoorbeeld de cylinderinhoud van de verbrandingsmotor daarvan vergroot wordt of doordat er anderszins wijzigingen aan worden aangebracht waardoor een hogere maximumsnelheid dan 40 kilometer per uur bereikt kan worden’.

3.15. Het middelonderdeel betoogt nu dat dit oordeel berust op een onjuiste interpretatie van de genoemde definitie. Reeds een zuiver taalkundige uitleg van de betrokken wettelijke bepalingen noopt, aldus het onderdeel, tot de opvatting dat met name de zinsneden ‘uitgerust met (een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van ten hoogste 50 cm³)’ en ‘geconstrueerd voor (een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 40 km per uur)’ gedoeld wordt op de uitrusting en constructie van het voertuig ten tijde van de fabricage. Volgens het onderdeel wordt deze opvatting ondersteund door ‘het feit dat bromfietsen na fabricage worden gekeurd en voorzien van een goedkeuringsmerk’. ‘De wettelijke regeling in het WVR en het RVV is’, zo betoogt het onderdeel voorts, ‘gebaseerd op een keuring voor alle voertuigen, op grond van de resultaten van welke keuring deze worden ingedeeld in een bepaalde categorie’. Hieraan verbindt het onderdeel de conclusie dat nadat een voertuig eenmaal is gekeurd als bromfiets en voorzien van een goedkeuringsmerk, geen ‘wisseling van categorie’ meer kan plaatsvinden. ‘(Ook) een opgevoerde bromfiets als waarom het in dit geding gaat, is (en blijft) een bromfiets’, aldus tenslotte het onderdeel dat er aan toevoegt dat de uitleg van de rechtbank van de genoemde bepalingen in het kader van het systeem van de wegenverkeerswetgeving onjuist is.

3.16. Uitgaande van de definitie in art. 1 WVR en in de andere eerdergenoemde besluiten, vind ik geen steun voor dit betoog. Dat het woord ‘geconstrueerd’ zo'n beperkte betekenis heeft als het middelonderdeel stelt en niet tevens zou kunnen slaan op een constructie, gewijzigd nadat de bromfiets door de fabrikant in het verkeer is gebracht, kan ik nergens uit afleiden. Steun daarvoor vind ik in elk geval niet in de geschiedenis van de totstandkoming van die definitie, die zelf ook niet verwijst naar het bepaalde bij of krachtens art. 80a lid 2 aanhef en onder g WVR m.b.t. de keuringseisen en het keurmerk. De gelijkstelling van voertuigen met een gele plaat met bromfietsen wijst eerder in tegenovergestelde richting. Die gelijkstelling, ingevoerd om de handhaving van de voor bromfietsen (en bromfietsers) geldende voorschriften te vergemakkelijken, zou praktisch niet nodig zijn geweest indien juist zou zijn wat het middelonderdeel betoogt, want de problemen bij de opsporing van overtredingen m.b.t. de eisen voor bromfietsen (en bromfietsers) werden en worden nu juist gevormd door de voertuigen die er — ook door het voeren van het in art. 80a onder g WVR bedoelde merk — uitzien als bromfietsen van de goedgekeurde soort met de goedgekeurde motor, maar waaraan niet direct waarneembare wijzigingen zijn aangebracht waardoor zij harder kunnen rijden dan toegestaan, welke wijzigingen slechts door een tijdrovend technisch onderzoek zouden kunnen worden vastgesteld.”

11. Verder heeft de hier relevante lagere rechtspraak aansluiting gezocht bij Richtlijn 95/1/EG, door voor het classificeren van een voertuig als bromfiets in het bijzonder de maximumsnelheid te betrekken. Zie bijvoorbeeld de volgende overwegingen van het Hof Leeuwarden van 2 juli 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1175:

“3.13. Bij Besluit van 24 november 1994, Stb. 603 zijn onder meer art. 3.6.12 (thans 3.6.18) en 5.6.8 VR gewijzigd.

Art. I onder AA van dit Besluit houdt in dat artikel 3.6.12 wordt gewijzigd in:

"Bromfietsen moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG."

De Nota van toelichting op dit onderdeel houdt in:

"Een van de bijzondere richtlijnen in het kader van richtlijn 92/61/EEG (goedkeuring twee- of driewielige motorvoertuigen) is richtlijn 95/1/EG (de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen). De implementatie van laatstbedoelde richtlijn geschiedt in artikel 3.6.12. Omdat richtlijn 95/1/EG geen vermogenslimiet stelt, doch slechts de methode waarop het netto-maximumvermogen moet worden bepaald, kan het Voertuigreglement geen vermogenslimiet meer voorschrijven. Ingevolge richtlijn 95/1/EG ligt het zwaartepunt voor bromfietsen bij de door de constructie bepaalde maximum snelheid."

Artikel I onder XX van het besluit houdt onder meer in dat artikel 5.6.8 wordt gewijzigd in:

"- 1. Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h, moeten bij voortduring blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximumsnelheid.

- 2. (…)"

De Nota van Toelichting op dit onderdeel houdt onder meer in: "De vervanging van art. 5.6.8 houdt verband met de vervanging van artikel 3.6.12 als voorzien bij artikel I onder AA. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij laatstbedoeld artikel. Zoals aldaar vermeld, komt ingevolge richtlijn 95/1/EG het zwaartepunt voor bromfietsen te liggen bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, welke beslist niet hoger mag liggen dan 45 km/h dan wel 25 km/h. Ook de in voorbereiding zijnde EG-richtlijn tegen het opvoeren legt voor bromfietsen het zwaartepunt bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid. Blijkt de snelheid overschreden te kunnen worden, dan is dat een indicatie dat de brommer is opgevoerd. Het is derhalve noodzakelijk te bepalen, dat de maximale constructiesnelheid bij voortduring niet overschreden mag worden. Artikel 5.6.8 strekt daartoe.”

12. Gelet op het voorgaande, meen ik dat wanneer een motorvoertuig een maximumsnelheid kan bereiken die hoger is dan 45 km/h, vermeerderd met 5 km/h, en niet in het kentekenregister is geregistreerd als bromfiets, dit motorvoertuig moet worden gekwalificeerd als motorfiets in de zin van de verkeerswetgeving.

13. Het Hof heeft in zijn, hierboven onder 6 geciteerde, overweging slechts verwezen naar art. 5.6.8 Regeling Voertuigen. Uit dit artikel blijkt alleen dat bromfietsen bij voortduring geen hogere snelheid mogen bereiken dan 45 km/h, vermeerderd met 5 km/h. Uit dit artikel blijkt niet waaruit het onderscheid bestaat tussen bromfietsen en motorfietsen. In zoverre zou de steller van het middel kunnen worden toegegeven dat hij een punt heeft.

14. Dat neemt echter niet weg dat het middel enig belang mist en derhalve tevergeefs is voorgesteld. Anders dan de steller van het middel doet voorkomen, is het geen vereiste dat de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ moet bevatten om te kunnen spreken van een motorfiets. Blijkens de hiervoor aangehaalde regelgeving en rechtspraak is het hebben van een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h, reeds voldoende om een motorvoertuig in te delen in de categorie motorfiets. Zou het Hof de hier toepasselijke regelgeving met meer precisie hebben aangehaald, dan zou het tot dezelfde slotsom zijn gekomen als in de bestreden uitspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. HR herhaalt de aan een appelschriftuur te stellen eisen.

Hoge Raad 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17 Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op de voet van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van een vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Maastricht waarbij hij is veroordeeld tot een geldboete van € 250 wegens vernieling.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Gelijk de advocaat-generaal in zijn vordering is het hof van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, nu verdachte na het instellen van het hoger beroep noch een schriftuur houdende inhoudelijke grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Het hof beschouwt de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet als een inhoudelijke grief waardoor het hof zich genoodzaakt zou zien om de zaak inhoudelijk te behandelen."

Middel

Het middel houdt in dat het Hof verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep omdat het Hof verdachtes bij schriftuur opgegeven reden voor het hoger beroep niet heeft gezien als een grief als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.40 onder meer het volgende overwogen:

"Ingevolge art. 410, eerste lid, Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. In die bepaling worden geen nadere materiële eisen gesteld waaraan de appelschriftuur, die ook door de verdachte zelf kan worden ingediend, dient te voldoen (...) Daarom ligt in de rede aan de formulering van de grieven thans geen hoge eisen te stellen."

Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan art. 416, tweede lid, Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat "de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg" niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^