Veroordeling Paarlberg voor onder meer witwassen blijft in stand

Hoge Raad 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:349

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 mei 2012 de verdachte ter zake van

  1. medeplegen van gewoontewitwassen
  2. medeplegen van valsheid in geschrift
  3. oplichting
  4. witwassen
  5. ingevolge de Belastingwet verplicht voor raadpleging beschikbaar te stellen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, voor dit doel in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
  6. medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Namens de verdachte heeft mr. D.M. Drok beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. R. de Bree en mr. G. Meijer bij schriftuur negen middelen van cassatie voorgesteld.

Beoordeling Hoge Raad

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Conclusie AG

Eerste middel

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1. In het bijzonder bevat het de klacht dat het hof, in strijd met het recht op informatie (art. 6, derde lid onder a, EVRM) en in strijd met het karakter van het voortbouwend appel, een verrassingsbeslissing heeft genomen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof een “verrassingsbeslissing” heeft genomen door voorbij te gaan aan de door de verdediging opgeworpen vier mogelijke conclusies (scenario’s) ten aanzien van de tien tenlastegelegde betalingen van betrokkene 1 en aan de (mogelijke) aanwezigheid van een plausibele betalingsgrond.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de tien door betrokkene 1 betaalde geldbedragen, die betrokkene 3 onder dreiging van liquidatie ten behoeve van zichzelf had afgedwongen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Voorts heeft hof op grond van het beschikbare dossier geoordeeld dat er van achteraf geconstrueerde dan wel erbij gezochte betalingstitels sprake is die onder de tien betalingen zijn geschoven en dat deze betalingen niet zijn terug te voeren op in 1998/1999 gemaakte afspraken.

AG: Anders dan het middel aanvoert, vermag ik niet in te zien dat deze bewijsredenering zich slecht verhoudt tot de notie van het voortbouwend appel en tot de informatieplichten van artikel 6 EVRM. Dat de verdediging is uitgegaan van een dwingend beslissingsschema met daarin een beperkt aantal opties omtrent de grondslag van betrokkene 1’s betalingen, betekent geenszins dat het hof hieraan gebonden is. Waar het in essentie op neerkomt is dat de verdediging het hof een keurslijf heeft willen aanmeten en vervolgens, als blijkt dat het hof dit keurslijf naar zijn oordeel niet past, klaagt dat het hof dit keurslijf niet heeft aangetrokken. Maar zo werkt het niet in de rechtspraak. Met betrekking tot het vaststellen van de feiten heeft de rechter een eigen verantwoordelijkheid. Daarin heeft de normering van het voortbouwend appel geen verandering gebracht. Dat de door het hof opgetuigde redenering volgens de stellers van het middel “verrassend” is, brengt nog niet mee dat het hof was gehouden om de procesdeelnemers die redenering reeds ter terechtzitting voor te houden opdat zij in de gelegenheid waren daarover hun licht te laten schijnen. Het hof is wel gehouden om op de voet van art. 301, vierde lid, Sv de bevindingen waarop die redenering is gestoeld ter terechtzitting voor te houden. Tot meer verplicht deze bepaling niet.

De verdediging heeft het hof niettemin willen dwingen tot een debat over onder meer de winstverwachtingen die de verdachte naar zijn zeggen in de jaren 1999 – 2003 koesterde met betrekking tot de activa die worden bedoeld in de door de verdediging gepresenteerde betalingstitels. Dat het hof geen heil zag in zo’n debat, acht ik alleszins begrijpelijk. De vaststelling van winstverwachtingen, met name van activa van meer speculatieve aard, mag bepaald geen exacte wetenschap heten. Je kunt er (bijna) alle kanten mee op. betrokkene 1 had in elk geval geen fiducie in die activa, zo wijst ’s hofs bewijsmotivering wel uit. Voor dit bewijsverweer viel het doek reeds met ’s hofs vaststelling dat achteraf naar plausibele betalingstitels is gezocht.

’s Hofs bewijsredenering is bovendien verre van verrassend. Lezing van het requisitoir van de advocaten-generaal en van hun schriftelijke repliek leert mij dat de voedingsbodem voor ’s hofs redenering reeds daarin is gelegen. Daarop heeft de verdediging kunnen reageren, en van die gelegenheid is ook gebruik gemaakt. Van door de verdediging aangevoerde strijdigheid met het recht op informatie als bedoeld in art. 6 EVRM en met het karakter van het voortbouwend appel is dan ook geen sprake.

Het middel faalt.

Tweede Middel

Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om kennisneming van de (in een andere strafzaak) inbeslaggenomen financiële administratie van betrokkene 1, het zgn. Enclave-NN dossier.

AG: Geklaagd wordt dat het hof in zijn overwegingen blijk heeft gegeven van een onjuiste toepassing van de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM met betrekking tot het recht op kennisneming van stukken. De klacht verwijst in dit verband naar de zogeheten processtukkenjurisprudentie van de Hoge Raad, in het bijzonder het “Dev Sol”-arrest. De klacht snijdt het onderscheid aan tussen enerzijds “processtukken” en anderzijds een categorie documenten en voorwerpen waarop het processtukkenregime niet van toepassing is en ten aanzien waarvan een rechterlijke belangenafweging is toegelaten bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van dergelijke bescheiden en voorwerpen, dan wel de kennisneming ervan. De klacht strekt ten betoge dat het hof het verzoek van de verdediging ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verzoek om inzage van stukken die moet worden ondergebracht bij de tweede categorie, en dat het hof bij de afwijzing een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.

In de afwijzing van de verzoeken om het Enclave NN-dossier aan het dossier toe te voegen, dan wel daarvan inzage te verlenen, ligt als ’s hofs kennelijke oordeel besloten dat de financiële administratie van betrokkene 1 niet tot de processtukken in de onderhavige strafzaak gerekend kunnen worden. Dat oordeel is juist, in aanmerking genomen dat de financiële administratie niet het resultaat is van het opsporingsonderzoek gericht tegen de verdachte, maar van het opsporingsonderzoek naar een ander misdrijf, te weten de liquidatie van betrokkene 1. Het verzoek tot toevoeging dan wel kennisneming van bedoeld dossier is derhalve een verzoek dat aan de maatstaf van de noodzakelijkheid van art. 315 Sv dient te worden getoetst. In de hiervoor onder 17 weergegeven overweging heeft het hof geoordeeld dat het toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk acht. Aldus heeft het hof, anders dan het middel wil, de juiste maatstaf toegepast. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of het afwijzende oordeel van het hof begrijpelijk is in het licht van de argumenten waarop het verzoek rust.

Het oordeel van het hof dat toewijzing van het in het middel bedoelde verzoek niet noodzakelijk is berust op twee gronden. De eerste is dat er volgens de bevindingen van het openbaar ministerie geen andere stukken in het dossier van de moordzaak die van belang zijn voor het onderzoek in de onderhavige zaak aanwezig zijn, dan de stukken die al in deze zaak zijn gevoegd. Daarbij heeft het hof betrokken dat het openbaar ministerie de keuze welke stukken uit de moordzaak wel en welke niet in de onderhavige zaak heeft gevoegd heeft verantwoord door te wijzen op de afstemming die er is geweest met de onderzoeksteams met betrekking tot de moordzaak en de afpersingszaak tegen betrokkene 3 en anderen, alsmede dat de financiële man van betrokkene 1, betrokkene 4, de politie heeft geattendeerd op de tien tenlastegelegde betalingen en de titels daarvoor. Daarbij is (steeds) bezien of de door betrokkene 1 in de dagboekaantekeningen genoteerde bedragen op iets anders zouden kunnen duiden dan op de tenlastegelegde betalingen. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de verdediging in de verschillende fasen van de behandeling van deze zaak andere mogelijkheden heeft gehad om inzicht te krijgen in de (financiële) zaken van betrokkene 1. Het hof wijst daarbij nadrukkelijk op vier getuigen (betrokkene 4, betrokkene 5, betrokkene 6 en betrokkene 7) die – blijkens hun verklaring – goed op de hoogte waren van de administratie van betrokkene 1. Die mogelijkheden hebben, zo lees ik de overwegingen van het hof, evenwel niet geleid tot een gegrond vermoeden dat zich in het Enclave NN-dossier nog (andere) stukken bevinden die redelijkerwijs van belang zijn in de onderhavige strafzaak. Het verzoek om voeging dan wel kennisneming van de gehele financiële administratie van betrokkene 1 bezit dan ook de kenmerken van een “fishing expedition”. In het licht van het voorgaande komt het oordeel van het hof dat toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk is mij niet onbegrijpelijk voor.

Het middel faalt.

Derde Middel

Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover betrekking hebbende op het oordeel dat de tiende betaling van betrokkene 1 aan de verdachte uit misdrijf afkomstig was niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het hof zich heeft beroepen op bepaalde niet in de gebezigde bewijsmiddelen vermelde gegevens zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

AG: Het hof heeft geoordeeld dat ook de tiende betaling als een afgedwongen betaling kan worden aangemerkt, nu die betaling blijkens de verklaring van de verdachte samenhangt met de overige betalingen en deel uitmaakt van het totaalbedrag dat betrokkene 1 aan de verdachte moest betalen. Gelet op de inhoud van de onder 29 weergeven door het hof als bewijsmiddel gebezigde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2010, waarnaar door het hof in voetnoot 80 is verwezen, heeft het hof genoegzaam voldaan aan het vereiste van nauwkeurigheid, terwijl geen sprake is van een ongeoorloofde conclusie door het hof ten aanzien van de verklaring van de verdachte.

Het middel faalt.

Vierde Middel

Het vierde middel betreft feit 1 en klaagt dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat een lening als verstrekt aan HSIJ werkelijk is afgelost en dat die aflossing onderdeel vormt van de tien betalingen, zonder voor die afwijkende beslissing een toereikende motivering te geven.

AG: Het hof heeft, in afwijking van hetgeen namens de verdediging is aangevoerd, geconcludeerd dat sprake is van afgedwongen betalingen waarvoor in de zakelijke verhoudingen van destijds tussen de verdachte en betrokkene 1 een plausibele betalingsgrond is gezocht en in meer of mindere mate is gevonden. Blijkens zijn overwegingen, zoals bij de bespreking van het eerste middel onder 6 is weergegeven, heeft het hof geoordeeld dat er betalingen zijn gedaan die boekhoudkundig niet zijn thuis te brengen, maar die aan beide zijden, wel boekhoudkundig moesten worden verwerkt, en wel aldus dat een en ander geen vragen zou oproepen bij een eventuele controle, dat daartoe onderliggende verplichtingen aangedragen of gezocht moesten worden, en dat daarvoor zelfs speciaal iemand aan het werk is gezet. Dat de achteraf gevonden betalingstitels op grond van de zakelijke verhoudingen in 1998/1999 tussen de verdachte en betrokkene 1, ook boekhoudkundig, nog wel in meer of mindere mate aannemelijk zijn te maken, doet volgens het hof aan het voorgaande niet af. Door aldus te overwegen heeft het hof (ook) ten aanzien van het in het middel bedoelde onderdeel van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het hof is aanvaard.

Het middel faalt.

Vijfde Middel

Het vijfde middel betreft de motivering van feit 1. Het middel klaagt dat het hof zonder in het bijzonder de redenen hiervoor op te geven is voorbij gegaan aan het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de verdachte de (voor witwassen) vereiste wetenschap ontbrak, nu niet is gebleken van betalingen aan betrokkene 3 door de verdachte.

AG: Hetgeen door de verdediging ter zitting is betoogd komt er – kort gezegd – op neer dat (gewoonte)witwassen van de van afpersing van betrokkene 1 afkomstige geldbedragen niet is bewezen, nu niet is gebleken van (terug)betalingen door de verdachte aan betrokkene 3, noch van het parkeren van de door de verdachte ontvangen geldbedragen op een buitenlandse bankrekening teneinde die op een later moment aan betrokkene 3 uit te keren. Het hof heeft dit betoog kennelijk niet aangemerkt als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dit (onuitgesproken) oordeel is niet onbegrijpelijk. De hierboven geciteerde passage is niet meer dan een enkel argument in het kader van het bewijsverweer dat de verdachte niet ten behoeve van betrokkene 3 is opgetreden als ontvanger en bewaarder van de van betrokkene 1 afgeperste gelden, c.q. bij hem het opzet daartoe ontbrak. Zoals hiervoor al betoogd gaat de motiveringsplicht van de feitenrechter niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

’s Hofs oordeel is te meer begrijpelijk doordat het betoog is gespeend van overtuigingskracht. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ligt het juist niet in de lijn der verwachting dat een (omvangrijke) betaling van de verdachte richting betrokkene 3 zou kunnen worden getraceerd, net zo min als een spoor van het ‘parkeren’ van gelden ten behoeve van betrokkene 3. Hoe zou dát in de boeken moeten worden verantwoord?

De stelling dat de verdachte de gelden ter bestrijding van eigen liquiditeitsproblemen heeft aangewend verdraagt zich trouwens zeer wel met de door het hof vastgestelde rol van de verdachte als bewaarder van gelden voor betrokkene 3. Door de van betrokkene 1 ontvangen gelden te eigen bate aan te wenden, zou de vordering van betrokkene 3 immers niet komen te vervallen. Mocht het hof volgens Uw Raad toch responsieplichtig zijn geweest, dan is de weerlegging van de door de verdediging betrokken stelling dermate vanzelfsprekend dat zij reeds in de bewijsmotivering ligt besloten.

Het middel faalt.

Zesde Middel

Het zesde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 6, eerste en derde lid onder d, EVRM de bewezenverklaring van feit 1 in beslissende mate heeft gebaseerd op de verklaringen van één getuige die door de verdediging niet ondervraagd kon worden en dat het hof heeft nagelaten de verdediging in staat te stellen de verklaringen van die getuige in voldoende mate te onderzoeken en te betwisten.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, nu het hof heeft nagelaten de verdediging in de gelegenheid te stellen om de verklaringen van betrokkene 1 middels diens financiële administratie te onderzoeken en mogelijk te weerleggen, de procedure in zijn geheel niet omgeven is geweest met voldoende waarborgen om de beknotting van het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6, derde lid, EVRM te compenseren.

AG: Vaststaat dat de verdediging in de onderhavige zaak niet in enig stadium van het geding gelegenheid heeft gehad om betrokkene 1 als getuige te (doen) ondervragen. Nog voordat de strafzaak tegen de verdachte was aangevangen is betrokkene 1 immers om het leven gebracht. In de bewoordingen van het EHRM heeft er dan ook een “goede reden” bestaan voor het achterwege blijven van de oproeping van deze getuige en de daaropvolgende ondervraging van deze getuige door de verdediging. Het hof ziet – in navolging van de rechtbank – betrokkene 1 als belangrijkste getuige en als enige leverancier van direct (en dus ‘decisive’) bewijs tegen de verdachte. Het gaat daarbij om de schriftelijke weergave van de zogeheten “achterbankgesprekken” en de “dagboekaantekeningen”. Blijkens de hiervoor onder 44 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof zich ervan rekenschap gegeven dat voor het gebruik als bewijs van de verklaringen van betrokkene 1, is vereist dat voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om de verdediging in staat te stellen de verklaringen van betrokkene 1 inhoudelijk te betwisten. Voorts heeft het hof onderkend dat stevige eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van het aanwezige steunbewijs. Deze overweging hangt, naar ik begrijp, niet samen met de vraag of betrokkene 1 de doorslaggevende bron was van het belastende bewijsmateriaal, want die vraag had het hof al positief beantwoord. Zij houdt volgens mij verband met de vraag naar de ‘counterbalancing factors’. Daarbij kan namelijk de bewijswaarde (betrouwbaarheid) van de verklaringen van betrokkene 1 mede in de overwegingen van de feitenrechter worden betrokken, zonder dat daartoe uitsluitend steunbewijs uit een van betrokkene 1 onafhankelijke bron in aanmerking mag worden genomen. Het hof heeft aan de geloofwaardigheid van de tot betrokkene 1 te herleiden informatie een (hierboven aangehaalde) overweging gewijd, waarvan de begrijpelijkheid in cassatie op zichzelf niet wordt aangevochten.

Bovendien zijn naar het oordeel van het hof aan de verdediging in casu voldoende compensatiemogelijkheden geboden. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft erop gewezen dat vele door de verdediging op dit punt naar voren gebrachte onderzoekswensen zijn toegewezen, dat een aanzienlijk aantal getuigen op dit punt is gehoord, alsmede dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen de “achterbankgesprekken” te beluisteren en naar aanleiding daarvan verbeteringen in de transcripties heeft doen aanbrengen. Van schending van art. 6 EVRM is in mijn ogen dan ook geen sprake.

Het middel faalt.

Zevende Middel

Het zevende middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 4 (witwassen). Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Ten eerste bevat onderdeel i de klacht dat het hof onder meer art. 7 EVRM heeft geschonden door bewezen te verklaren dat sprake is geweest van witwassen, terwijl het ging om vermenging van geld voor de datum van inwerkingtreding van de witwasbepaling en de verdachte na die datum niet méér heeft gedaan dan het voorhanden hebben van aandelen. Voorts wordt blijkens de toelichting op onderdeel ii geklaagd over het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de ƒ 2,9 miljoen van misdrijf afkomstig is. Ten slotte klaagt onderdeel iii over de verwerping van een bewijsverweer.

AG: Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het verwerven van de aandelen ’t Gooier Hoofd, nu deze (witwas)handeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus 1998, dus ruim vóór de datum waarop witwassen strafbaar is gesteld. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte met van misdrijf afkomstige gelden gekochte aandelen in de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006 voorhanden heeft gehad.

In de toelichting op onderdeel i wordt, met een beroep op het legaliteitsbeginsel (art. 7 EVRM), geklaagd dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat zijn vermogen werd “besmet” door de overboekingen van de bedoelde 8,85 miljoen gulden en dat hij zodoende niet kon voorzien dat hij per 14 december 2001 strafbaar zou handelen door geen afstand te doen van dat deel van zijn vermogen dat is vermengd met geldbedragen die afkomstig zijn van (vermeende) misdrijven. Derhalve is de bewezenverklaring in strijd met het verbod van terugwerkende kracht.

De klacht ziet eraan voorbij dat het verwerven van geldbedragen in de wetenschap dat deze van misdrijf afkomstig zijn, alsook het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed reeds vóór de inwerkingtreding van de witwasbepalingen strafbaar was, en wel op grond van art. 416, leden 1 en 2, Sr (opzetheling). Van de door de verdediging veronderstelde onvoorzienbaarheid van strafbaarheid is dan ook geen sprake. In dat licht kan evenmin worden gezegd dat met de bewezenverklaring een onevenredige inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van de verdachte (art. 1, Eerste Protocol, EVRM), zoals door de steller van het middel nog is aangevoerd.

Onderdeel ii klaagt blijkens de toelichting daarop dat het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de ƒ 2,9 miljoen van misdrijf afkomstig is, niet in voldoende mate begrijpelijk is althans niet van een toereikende motivering is voorzien.

Het hof heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat – zoals door de verdediging is aangevoerd – het bedrag van ƒ 2,9 miljoen afkomstig is van de verkoop door de verdachte van aandelen in Threeglen. Het hof wijst daarbij op ongerijmdheden in de verklaringen van de verdachte ten opzichte van die van betrokkene 13, die als mede-aandeelhouder ook bij de verkoop betrokken zou zijn geweest, alsmede op een vermogensoverzicht van de verdachte dat geen steun biedt aan de verklaringen van de verdachte en van betrokkene 13 over de beweerde overdracht. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat het hof zonder nader onderzoek de lezing van de verdediging over de herkomst van het bedrag niet aannemelijk heeft geacht, mist het derhalve feitelijke grondslag.

Het hof constateert vervolgens dat het niet geven van een aannemelijke en/of verifieerbare verklaring voor de genoemde betaling die terug te voeren is op een legale titel, op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van witwassen. Daarvoor is meer nodig. In samenhang bezien met andere omstandigheden kan, naar het oordeel van het hof, wél gezegd kan worden dat het niet anders kan dan dat die betaling van misdrijf afkomstig is. Het hof neemt daarbij in aanmerking: dat sprake is van een aanzienlijk bedrag, ƒ 3 miljoen , met een nietszeggende omschrijving “by one of our clients”; dat het bedrag van betrokkene 1 afkomstig was, die al in 1994 in verband werd gebracht met XTC-handel en het witwassen van crimineel geld; dat de verdachte al in 1996/1997 door een medewerker op de hoogte was gebracht van de omstandigheid dat banken en makelaars hem tegenwierpen dat er met betrokkene 1 werd samengewerkt en dat de verdachte volgens eigen zeggen (daarom) eind 1997 de banden met betrokkene 1 wilde verbreken; dat de verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd omtrent de titel op grond waarvan het geld aan hem is betaald; dat (het merendeel van) het geld na ontvangst telkens kort na elkaar is doorgeboekt naar verschillende bankrekeningen. Anders dan het middel wil, acht ik deze gevolgtrekking door het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het oordeel dat bedoeld bedrag van misdrijf afkomstig is bovendien toereikend en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting gemotiveerd.

Ten slotte wordt in onderdeel iii geklaagd over het oordeel van het hof dat door vermenging van de bewezenverklaarde geldbedragen (van 5,95 miljoen en 2,9 miljoen gulden) het totale overgeboekte bedrag van 37 miljoen gulden is “besmet”.

Het hof, heeft in cassatie onbestreden, geoordeeld dat zowel het bedrag van ƒ 2,9 miljoen als het bedrag van ƒ 5,95 miljoen, uiteindelijk deel is gaan uitmaken van het saldo op de rekening waarmee de aandelen ’t Gooier Hoofd zijn gekocht. Wél wordt in cassatie bestreden ’s hofs oordeel dat door vermenging van deze overboekingen het totale overgeboekte bedrag van ƒ 37 miljoen is besmet, dat dit zowel geldt voor het deel waarmee de debetstand is aangevuld als voor het deel dat is overgeboekt naar Loeff voor de aanschaf van de aandelen ’t Gooier Hoofd, en dat gelet hierop niet van belang is in welke volgorde de verschillende betalingen op de rekening van Mediamax Group zijn geboekt. Dit oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Achtste Middel

Het achtste middel klaagt over het (impliciete) oordeel van het hof dat de onder feit 5 genoemde vennootschappen ingevolge de belastingwet verplicht waren om boeken bescheiden en andere gegevensdragers en of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, alsmede dat het hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat deze verplichting enkel rustte op Merwede Group BV.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste toepassing, dan wel onjuiste uitleg van art. 47 AWR (en in het voetspoor daarvan van de strafbaarstelling ingevolge art. 68 AWR). De blijkens de bewezenverklaring aanwezig geachte verplichting ingevolge art. 47 AWR ontstaat immers enkel indien de belastingdienst aan de betreffende belastingplichtige heeft verzocht om de gegevens. Gegevensverstrekking door een groepsmaatschappij of vrijwillig verstrekte gegevens vallen niet onder het bereik van genoemde bepalingen. Het enkele gegeven dat de stukken zijn verstrekt in het kader van een boekenonderzoek binnen een groep maakt niet dat de vennootschap op wie de stukken betrekking hebben onder de reikwijdte van art. 47 AWR valt, aldus de stellers van het middel.

AG: Buiten kijf wijst het samenstel van deze bepalingen uit dat de strafbaarstelling van artikel 68, tweede lid, onder c, AWR (oud), voor zover relevant, uitsluitend bestrijkt het voor raadpleging beschikbaar stellen van die valse of vervalste gegevens en gegevensdragers waar de inspecteur met zoveel woorden om heeft gevraagd. Het verzoek constitueert de verplichting.

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de inspecteur, wil zijn verzoek de verplichting tot beschikbaarstelling in het leven roepen, gespecificeerd opgave moet doen van ieder afzonderlijk document. Sterker nog, voorafgaande aan zijn controle zal de inspecteur niet altijd nauwkeurig op de hoogte (kunnen) zijn van de inhoud van de boekhouding die de belastingplichtige voert. Op de kennisneming daarvan is het onderzoek nu juist gericht. De inspecteur, of namens hem de controleambtenaar, zal dus redelijkerwijs kunnen volstaan met een verzoek om inzage in bijvoorbeeld de ordners met de facturen die de belastingplichtige over een bepaald tijdvak heeft betaald, c.q. de administratie over een bepaalde periode. Een dergelijk meer generiek verzoek is inderdaad geformuleerd in de brieven van de controlerende ambtenaren van de fiscus van 26 januari en 13 juli 2006, waaruit het hof heeft geciteerd.

Als ik het middel goed begrijp schuilt in dat laatste niet de klacht. De brieven van de fiscus hadden moeten worden geadresseerd aan de afzonderlijke vennootschappen waarvan de financiële administratie voorwerp van onderzoek was, en niet slechts tot de moedervennootschap van de betreffende BV. ’s Hofs bewijsoordeel geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de hiervoor aangehaalde bepalingen, aldus versta ik de rechtsklacht die door het middel wordt aangesneden.

Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de in de bewezenverklaringen opgesomde facturen en administratie waarin die facturen zijn verwerkt aan de inspecteur voor raadpleging beschikbaar zijn gesteld bij gelegenheid van boekenonderzoek bij Merwede Real Estate BV op 2 maart 2006 en boekenonderzoek op 11 en 13 september 2006 bij onder andere Merwede Group BV en Woodham & Packard Interiors. De aankondiging van deze onderzoeken was, behalve telefonisch, tevens op schrift gesteld en de betreffende brieven waren beide gericht aan Merwede Group BV. Omtrent alle in de bewezenverklaringen genoemde vennootschappen heeft het hof blijkens de hierboven aangehaalde overwegingen vastgesteld dat de verdachte daarvan de (economische) eigenaar was en dat de verdachte een doorslaggevende stem had in de beslissingen van de vennootschappen. Met uitzondering van M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV, betreffen alle in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen (volle) dochters van Merwede group BV, en alle genoemde vennootschappen waren gevestigd in hetzelfde pand: de Ridderhofstad Bolenstein te Maarssen. Dezelfde kleine groep van personen hield zich, naar ik begrijp: zonder onderscheid, met de administratie van deze vennootschappen bezig.

De enige door het middel opgeworpen vraag, namelijk of ’s hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eis van een voorafgaand verzoek tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van de betreffende gegevens of gegevensdragers, beantwoord ik negatief. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van miskenning van die wettelijke eis. Klaarblijkelijk heeft het hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen vanwege de geschetste, in cassatie onbetwiste maatschappelijke realiteit, – in dit verband – kunnen worden vereenzelvigd en dat uit de gang van zaken kan worden afgeleid dat het verzoek om beschikbaarstelling mede was gericht tot de afzonderlijke vennootschappen in de administratie waarvan de valse facturen zijn aangetroffen. Die vennootschappen kunnen zich niet met een formele redenering verschuilen achter de vennootschappelijke sluier, aldus versta ik het hof. Dit oordeel is voor het overige van feitelijke aard. Mede in het licht van hetgeen daaromtrent in cassatie niet is aangevoerd, is voor verdere toetsing daarvan thans geen plaats.

Het middel faalt.

Negende Middel

Het negende middel klaagt over ’s hofs motivering van de strafoplegging.

Ten eerste klaagt het middel erover dat het hof “de ernst van de afpersing die ten grondslag ligt aan het onder 1 tenlastegelegde” bij het bepalen van de strafmaat heeft betrokken. Voor zover het middel klaagt dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wetenschap had van de ernst van de afpersing, stelt het een eis die het recht niet kent. Voorts geldt dat het hof onder 1 heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een tiental van afpersing van betrokkene 1 afkomstige geldbedragen en dat de verdachte wetenschap had dat de bedragen van misdrijf afkomstig waren. Dat het hof de ernst van de afpersing van betrokkene 1 door betrokkene 3, welke omstandigheid genoegzaam ter terechtzitting is gebleken, bij de strafoplegging heeft betrokken komt mij gelet op het voorgaande geenszins onbegrijpelijk voor.

Ten tweede klaagt het middel dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de strafoplegging in verband met de op de verdachte uitgeoefende druk.

Namens de verdediging is bij gelegenheid van pleidooi en dupliek in het kader van een beroep op psychische overmacht aangevoerd dat de verdachte onder druk van betrokkene 3 zou hebben meegewerkt aan het witwassen van de van afpersing van betrokkene 1 afkomstige geldbedragen. Dat verweer heeft het hof verworpen.

Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer opgevat als een verweer omtrent de strafbaarheid van de verdachte en niet (tevens) als een strafmaatverweer. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Overigens maakt ’s hofs verwerping van het beroep op overmacht evenzeer duidelijk waarom het hof de gestelde druk die op de verdachte zou zijn gelegd door de afperser(s) van betrokkene 1 bij de strafmaat niet in aanmerking heeft genomen: de verdachte heeft deze druk steeds ontkend.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Uitkeringsfraude: slagende bewijsklacht opzet

Hoge Raad 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:303

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 november 2011 een vonnis bevestigd van de Rechtbank te Maastricht van 14 oktober 2010, waarbij de rechtbank de verdachte wegens 1. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en 2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd heeft veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep bepleit dat de verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het valselijk opmaken van de periodieke verklaringen. Daartoe is ter terechtzitting – kort gezegd – aangevoerd dat het geld dat de verdachte van haar familie ontving een lening betrof en dat zij niet wist dat geldleningen als inkomsten moeten worden aangemerkt. Voorts is ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte dacht dat zij de leningen niet hoefde op te geven, omdat zij bij de aanvraag van de uitkering heeft vermeld dat zij geld leende van haar familie om de hypotheeklasten te kunnen voldoen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij de aanvraag van de uitkering heeft aangegeven dat zij deze leningen niet maandelijks zou opgeven.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het vonnis van de rechtbank houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat verdachte voor haar verhoor van woensdag 2 april 2008 niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen. Ingevolge de Salduz-jurisprudentie kan hetgeen verdachte in dit verhoor heeft verklaard daarom niet als bewijs dienen. Voorts waren de gelden die verdachte van haar familie heeft ontvangen leningen en geen “inkomen” in de zin van de Algemene bijstandswet. Het feit dat nu, in 2010, door de bestuursrechter achteraf geoordeeld is dat toch sprake is van inkomsten, doet hier niet aan af. De strafrechter moet immers niet kijken naar de situatie achteraf, maar op het moment van de beweerdelijk gepleegde overtreding. Bovendien kan niet gezegd worden dat verdachte het opzet had de Sociale Dienst te misleiden, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen aan haar ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, samen met haar toenmalige partner en huidige medeverdachte medeverdachte, in januari 2002 een bijstandsuitkering aangevraagd bij de gemeente Maastricht. Deze uitkering is met ingang van 19 december 2001 aan hen verstrekt. Verdachten hebben vervolgens iedere maand een zogenoemde “Periodieke verklaring” ontvangen, waarop zij inkomen en veranderingen in hun vermogenspositie dienden op te geven. De Periodieke verklaringen over de onder feit 1 ten laste gelegde periode (de maanden februari 2002 tot en met oktober 2003) bevinden zich allemaal in het dossier. Ook de Periodieke verklaringen over de onder feit 2 ten laste gelegde periode (de maanden november 2003 tot en met januari 2008) bevinden zich allemaal in het dossier. Op al deze verklaringen is vraag 3: “Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kinderen in de periode toegenomen?”, steeds beantwoord met: “nee”. Vraag 4: “heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten?” is ook met nee beantwoord, met uitzondering van de maanden maart, april, mei, juni, juli en augustus 2002. Bij deze laatstgenoemde maanden is opgegeven dat inkomen is genoten vanwege verkopen op een rommelmarkt. Op alle verklaringen is als woonplaats Maastricht ingevuld en zijn twee handtekeningen geplaatst.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de Periodieke verklaringen heeft ingevuld en ondertekend. Zij heeft ook verklaard dat zij in de beide ten laste gelegde periode maandelijks geld van haar vader en haar oom ontving. Dit geld was bedoeld om de woonlasten van de eigen woning te dekken. Het was de bedoeling dat de ontvangen bedragen zouden worden terug betaald. Dit is tot op heden niet gebeurd. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij het ontvangen geld bewust niet op de bovengenoemde Periodieke verklaringen heeft ingevuld. Zij dacht dat dit niet nodig was. medeverdachte heeft bij de Sociale Recherche verklaard dat hij wist dat verdachte geld van haar vader en oom kreeg als bijdrage in de woonlasten. Evenals verdachte heeft hij de ontvangen bedragen bewust niet op de Periodieke verklaringen (zoals genoemd onder feit 1) vermeld, omdat hij dacht dat ze dit geld niet hoefde op te geven aan de Sociale Dienst.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte en medeverdachte opzettelijk hebben nagelaten de ontvangen bedragen op de betreffende Periodieke verklaringen te vermelden en aldus hebben nagelaten dit geld op te geven aan de Sociale Dienst.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of dit nalaten aan verdachte (en aan medeverdachte) kan worden verweten.

Volgens de verdediging is dit niet het geval. In de eerste plaats omdat het hier zou gaan om gelden die noch als “vermogen”, noch als “inkomen” aangemerkt kunnen worden en dus niet vallen onder de in de vragen 3 en 4 genoemde begrippen en in de tweede plaats omdat verdachte, noch medeverdachte het oogmerk tot misleiding zou hebben gehad.

De rechtbank is van oordeel dat het in de onderhavige strafzaak niet van belang is of de ontvangen bedragen – achteraf – al dan niet als inkomen dan wel vermogen gekwalificeerd moeten of kunnen worden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het doel van de Periodieke verklaringen nu juist is de Sociale Dienst zo volledig mogelijk te informeren over de (al dan niet gewijzigde) financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Dit kan alleen indien alle gelden die de uitkeringsgerechtigde in de betreffende periode heeft ontvangen op te geven. Aan de hand van de verstrekte gegevens kan de Sociale Dienst vervolgens beoordelen of de ontvangsten wel of niet van invloed zijn op het recht op, of de hoogte van, de ontvangen of nog te ontvangen bijstand. Indien niet alle gegevens bekend zijn is het voor de Sociale Dienst onmogelijk dit goed te doen. Dit laatste brengt tevens mee dat verdachte ook het oogmerk had te misleiden. Het feit dat zij wellicht nog steeds van plan is de ontvangen bedragen ooit terug te betalen doet hier niet aan af.

Rest de vraag of verdachte, zoals door de verdediging is aangevoerd, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen hebben dat zij de ontvangen bedragen niet aan de Sociale Dienst hoefde te melden.

Zowel verdachte als medeverdachte medeverdachte hebben verklaard bij de aanvraag te hebben gemeld dat zij maandelijks een substantieel bedrag van familie kregen om de woonlasten te kunnen blijven voldoen. De getuigen getuige 1 en getuige 2 (beiden medewerkers van de Sociale Dienst) daarentegen hebben beiden onder ede ter terechtzitting verklaard dat noch verdachte, noch medeverdachte dit bij hun aanvraag kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft geconstateerd dat op pagina 10 van het rapport dat getuige 2 naar aanleiding van de aanvraag heeft opgesteld, wel melding wordt gemaakt van twee leningen. Zowel getuige 2 als verdachte hebben echter ter terechtzitting verklaard dat het hier ging om leningen die waren verstrekt vóór de ten laste gelegde periode. Gelet op het vorenstaande en gezien ook de strekking van een bijstandsuitkering – te weten een verstrekking voor de kosten van levensonderhoud voor degene die daarin niet uit eigen middelen kan voorzien – is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte of medeverdachte ook van de toekomstige bijdragen door verdachte familie melding hebben gemaakt bij de aanvraag van de uitkering. Ook is het niet aannemelijk geworden dat getuige 2 dan wel getuige 1 zich in die zin tegenover verdachte en medeverdachte heeft uitgelaten dat bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij de ontvangen bedragen niet op de Periodieke verklaringen hoefde in te vullen.”

Middel

Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van het ten laste gelegde opzet.

Conclusie AG Bleichrodt

De rechtbank overweegt ten eerste dat de verdachte en haar medeverdachte hebben verklaard dat zij de ontvangen bedragen bewust niet hebben opgegeven. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten om de bedragen op te geven aan de Sociale Dienst. De rechtbank gaat naar mijn mening in haar bewijsoverweging voorbij aan de kern van het gevoerde verweer. De kern daarvan is niet dat de verdachte geen opzet zou hebben gehad op het met “nee” invullen van de vragen 3 en 4, maar dat zij geen opzet heeft gehad dat deze opgave niet naar waarheid zou zijn. Indien de rechtbank ervan is uitgegaan dat voor de bewezenverklaring niet is vereist dat het opzet van de verdachte zich uitstrekt tot het in strijd met de waarheid invullen van de verklaringen, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte kan worden afgeleid dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het niet naar waarheid invullen van de periodieke verklaringen, is dat oordeel, in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet begrijpelijk.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad op misleiding. De rechtbank leidt dit af uit de algemeen geformuleerde omstandigheid dat de Sociale Dienst alleen haar werk kan doen indien bij haar alle ontvangen bedragen bekend zijn. Ook deze overweging acht ik in het licht van het door de verdediging aangevoerde niet begrijpelijk. De verdachte heeft niet aangevoerd dat zij geen oogmerk had de ingevulde periodieke verklaringen als echt en onvervalst te gebruiken, maar zij heeft ontkend dat zij opzet had op het in strijd met de waarheid opmaken van het desbetreffende geschrift omdat zij gelden die zij uit een lening ontving niet als inkomsten en vermogen beschouwde die op de periodieke verklaring vermeld zouden moeten worden. Ook in dit opzicht acht ik het oordeel van de rechtbank – en daarmee van het hof - niet begrijpelijk. Uit het overwogene kan niet volgen dat de verdachte opzet op het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen had.

De rechtbank overweegt vervolgens dat zij de vraag moet beantwoorden of “dit nalaten” aan de verdachte kan worden verweten, waarmee zij kennelijk doelt op het met “nee” beantwoorden van de hiervoor genoemde vragen 3 en 4. Daarop aansluitend, beoordeelt de rechtbank of de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gehad dat zij de ontvangen bedragen niet aan de Sociale Dienst hoefde te melden. Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat de leningen wel ter sprake zijn gekomen bij de aanvraag van de uitkering. Dit betoog wordt door de raadsman geplaatst in het kader van het verweer dat opzet op het in strijd met de waarheid invullen van de formulieren niet bewezen kan worden (p. 10 van de pleitnota). Over gerechtvaardigd vertrouwen wordt in hoger beroep niet gerept. Kennelijk heeft het hof de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, opgevat als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Die uitleg komt mij niet juist voor. Het overwogene kan bovendien niet bijdragen aan het bewijs dat de verdachte opzet zou hebben op het in strijd met de waarheid invullen van de periodieke verklaringen. Een beroep op afwezigheid van alle schuld kan immers eerst aan de orde komen als bewezen is dat sprake is van opzet.

Ook overigens kan de bewezenverklaring van het opzettelijk in strijd met de waarheid invullen van de vragen 3 en 4 van de periodieke verklaringen niet uit de door het hof – in navolging van de rechtbank – gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is daarmee ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beroep op niet-ontvankelijkheid OM wegens schending gelijkheidsbeginsel: niet alle op zee aangehouden piraten zijn vervolgd

Hoge Raad 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:286

Feiten

Tijdens een surveillance op 4 november 2010 wordt door het Franse marinefregat Floréal het zeilschip Choizil aangetroffen, voor anker liggend bij het eiland Koyaama, gelegen voor de Somalische kust. De Floréal neemt waar dat de Choizil is voorzien van tenminste 50 jerrycans met vermoedelijk benzine. Daardoor rijst het vermoeden dat het zeiljacht gebruikt zou worden voor piraterij. Na enkele dagen wordt bekend dat het betreffende zeiljacht was gekaapt en dat er drie gijzelaars aan boord waren. Op 7 november 2010 strandde het zeilschip Choizil op de kust van Somalië in de buurt van de kustplaats Baraawe. Naast het zeilschip lag een skiff, die met de Choizil meegevaren was. Het Franse marinepersoneel stelt daarop een onderzoek in naar de skiff en het zeiljacht. Tijdens dit onderzoek wordt de buitenboordmotor van de skiff gedemonteerd en worden op Choizil een Rocket Propelled Grenade (RPG) en munitie voor een AK47 aangetroffen. Voorts wordt de schipper van de Choizil, betrokkene 1, aangetroffen. Hij wordt aan boord gebracht van de Hr. Ms. Amsterdam om naar Mombassa (Kenia) te worden overgebracht.

Op 19 november 2010 wordt aan boord van de Hr. Ms. Amsterdam een mogelijke Pirate Action Group (PAG) waargenomen die reeds op 18 november 2010 werd geobserveerd bij het eiland Koyaama. De PAG bestaat uit een whaler en twee skiffs. Door personeel van de boordhelikopter van de Hr. Ms. Amsterdam wordt waargenomen dat zich aan boord van de whaler grote hoeveelheden brandstofvaten, ladders en andere materialen bevinden. Voorts wordt waargenomen dat de twee skiffs in de onmiddellijke nabijheid van de whaler varen.

Op basis van deze waarnemingen krijgt het personeel toestemming van de commandant van de ‘Standard Nato Maritime Group 1’ (CTF 508) om de genoemde vaartuigen te boarden. Eveneens wordt toestemming verleend om gericht vuur (non-disabling fire) te mogen uitbrengen. Bij het zien van de boordhelikopter vluchten beide skiffs op hoge snelheid bij de whaler vandaan. Tijdens de daarop ingezette achtervolging van een van de skiffs (hierna skiff 1) wordt door het helikopterpersoneel waargenomen dat goederen, waaronder een wapen (AK47), overboord worden gegooid. Ondanks waarschuwingen via de VHF-radio en waarschuwingsschoten vaart skiff 1 met hoge snelheid door richting de kust. Hierop dwingt de helikoptereenheid de skiff tot stoppen door met gericht vuur de voorkant van de skiff te raken. Ondertussen wordt een RHIB (snelle boot) richting de whaler gestuurd en de zes opvarenden in de whaler worden middels tie-wraps veiliggesteld.

De helikoptereenheid zet vervolgens de achtervolging in op de tweede skiff (hierna: skiff 2). Aan boord van de skiff ziet de helikopterbemanning vier opvarenden en een groot aantal jerrycans. De helikoptereenheid dwingt skiff 2 tot stoppen middels waarschuwingsschoten. De beide skiffs worden onder controle gebracht en onder nationale (Nederlandse) aansturing worden de dertien opvarenden om 12:35 uur als ‘detainees’ aan boord van Hr. Ms. Amsterdam genomen en worden hun persoonsgegevens vastgelegd. De opvarenden worden tevens gewezen op de reden waarom zij staande zijn gehouden. De opvarenden worden vervolgens tijdelijk vastgehouden in de Temporary Holding Facility (THF) van de Hr. Ms. Amsterdam, met als doel het afleggen van verklaringen en op basis hiervan het afwachten van overleg met en beslissing van het Nederlandse openbaar ministerie.

Onder de inzittenden van de whaler bevindt zich de verdachte, onder de inzittenden van de skiff 2 bevinden zich de medeverdachte 4 en de medeverdachte 3 en onder de inzittenden van skiff 1 bevindt zich de medeverdachte 5. Aan boord van een op de Hr. Ms. Amsterdam ingestelde onderzoek blijkt dat skiff 1 dermate karakteristieke kenmerken vertoont, dat het vermoeden rijst dat deze skiff in verband kan worden gebracht met de skiff die op 7 november 2010 was gebruikt bij de kaping van de Choizil.

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 20 december 2012 verdachte wegens medeplegen van zeeroof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Middel

Het eerste middel houdt in dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging door daarbij ten onrechte te overwegen dat het gelijkheidsbeginsel niet zou zijn geschonden. Hierbij zou het Hof een verkeerde maatstaf hebben aangelegd en zou zijn oordeel onbegrijpelijk zijn althans onvoldoende gemotiveerd met het oog op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verdediging.

Het Hof heeft met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist:

"De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de beslissing om de verdachte te vervolgen, terwijl andere verdachten zijn vrijgelaten dan wel heengezonden, een zodanige ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert dat zulks dien te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. (...)

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het standpunt van de verdediging, indien en voor zover de verdediging heeft betoogd dat er ter zake van verdenking van piraterij dan wel zeeroof door de Nederlandse (opsporings-) autoriteiten uitsluitend mag worden opgetreden indien en voor zover er sprake is van schending van een expliciet Nederlands belang, naar het oordeel van het hof niet alleen de in de wet verankerde universele rechtsmacht inzake zeeroof miskent, een en ander zoals hiervoor reeds is overwogen, maar dit standpunt bovendien geen steun vindt in het recht.

Zoals hiervoor is overwogen, kan de discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie om tot vervolging van een verdachte over te gaan, worden beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde, het gelijkheidsbeginsel daaronder begrepen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen Gerechtshof 's-Gravenhage 12 april 2002, LJN: AE4747.

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat ter zake van piraterij niet zodanig eenvoudig valt vast te stellen of sprake is geweest van andere gevallen waarin de relevante feitelijke omstandigheden gelijk waren aan die in de onderhavige zaak, dat daaruit een bestendig patroon in vorenbedoelde zin valt af te leiden. De onderhavige zaak is immers pas de tweede piratenzaak die, voor zover aan het hof bekend, sinds jaren, in Nederland wordt berecht, waardoor in dit opzicht een adequaat referentiekader ontbreekt. In dit verband is verder van belang dat - zoals algemeen bekend mag worden verondersteld - er ook in de andere met piraterij samenhangende zaken enerzijds heenzendingen van verdachten zoals door de verdediging bedoeld hebben plaatsgevonden, doch dat anderzijds de verdachte en zijn medeverdachten niet de enige in de Golf van Aden aangehouden piraterijverdachten zijn die in Nederland strafrechtelijk worden vervolgd.

Het enkele feit dat in de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat andere aangehouden verdachten zijn vrijgelaten en niet verder vervolgd zijn, staat aan vervolging van de verdachte dan ook niet in de weg, gelet op de hiervoor aangehaalde ruime discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie. Bovendien is voldoende aannemelijk geworden dat de officier van justitie, op basis van de waardering van de op dat moment aan haar bekende informatie, een bewuste keuze heeft gemaakt tegen welke van de aangehouden verdachten zij verdere vervolging zou instellen. Het hof heeft daarbij betrokken dat het ging om de aanhouding - onder bijzondere omstandigheden - van een groot aantal verdachten waarvan - voor zover op dat moment te overzien - vervolging in het algemeen belang in de rede lag, terwijl niet onmiddellijk voldoende duidelijk was wat de ernst van de verdenkingen tegen de verschillende verdachten was, noch hoe de persoonlijke omstandigheden moesten worden beoordeeld.

Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat er sprake is van een zodanige overeenstemming van zaken op het punt van de haalbaarheid en van de opportuniteit dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de bestreden vervolgingsbeslissing(en) had kunnen komen."

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het verweer verworpen op gronden welke die verwerping kunnen dragen, nog daargelaten dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte. Het Hof heeft niet blijk gegeven in enig opzicht van een onjuiste rechtsopvatting te zijn uitgegaan of een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd. (Vgl. HR 16 april 1996, NJ 1996/527, rov. 7.7.)

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Uitdrukkelijk onderbouwde standpunt m.b.t. betrouwbaarheid getuigenverklaringen & artikel 9a Sr

Hoge Raad 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238

Feiten

Verdachte is bij arrest van 15 mei 2012 door het gerechtshof Arnhem wegens 1. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel en 2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Tweede Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv dient een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat door de rechter niet is aanvaard, in de uitspraak beargumenteerd te worden weerlegd. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393)

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de verklaringen die betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3 bij de politie en bij de Rechter-Commissaris hebben afgelegd innerlijk en onderling tegenstrijdig zijn en derhalve als leugenachtig van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, de verklaringen die betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3 bij de politie hebben afgelegd, voor het bewijs gebezigd. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat hetgeen namens de verdachte is aangevoerd strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en dat het geen reden heeft aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarin ligt als (gemotiveerd) oordeel van het Hof besloten dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen in zoverre overeenstemmen dat de verdachte in het zicht van de anderen een mes in zijn hand had en in zoverre niet onderling tegenstrijdig zijn en dat de gestelde onderlinge tegenstrijdigheden en de door de verdediging gesignaleerde afwijkingen tussen de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd en de verklaringen die bij de Rechter-Commissaris zijn afgelegd niet van die aard en ernst zijn dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het Hof ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen in 2.3 is overwogen behoefde het Hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsvrouwe voor het overige en met betrekking tot de inhoud van de verklaringen is aangevoerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Derde Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat art. 9a Sr moet worden toegepast.

Beoordeling Hoge Raad

Hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in verband met de strafoplegging naar voren heeft gebracht, is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 19.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, de verdachte veroordeeld aan de benadeelde partij betrokkene 4 ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een schadevergoeding te betalen van € 250,-, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 459,- en aan de verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van betrokkene 4, een bedrag te betalen van € 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift 'Oplegging van straf en/of maatregel' het volgende in:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken."

Het kennelijke oordeel van het Hof dat het onderdeel van de pleitnota dat betrekking heeft op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met daaraan toegevoegd "9A (schuld zonder strafoplegging)" niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Opgave van bewijsmiddelen & Oplichting

Hoge Raad 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:236

Feiten

Verdachte is bij arrest van 17 april 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens flessentrekkerij (feit 1), verduistering (feit 2) en oplichting (feit 3), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 9 januari 2010 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1], eigenaar van [A], heeft bewogen tot de afgifte van 150 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid gezegd/doen voorkomen

- dat zijn bankpas niet meer werkte en - dat hij die 150 Euro/dat geldbedrag later zou terugbetalen en daarbij tot zekerheid van terugbetaling zijn rijbewijs aan [betrokkene 1] afgegeven,

waardoor die [betrokkene 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Gelet op de bekennende verklaring van verdachte volstaat het hof conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

13. De verklaring van verdachte bij de politie (pagina 78-79), zakelijk weergegeven:

Ik moest wat en ik heb van te voren gebeld naar de eigenaar van deze supermarkt. Ik heb toen een verhaaltje opgehangen en ik heb zo geprobeerd boodschappen van hem los te krijgen. Ik ben toen naar die winkel gegaan en ik heb mijn rijbewijs als onderpand gegeven en de eigenaar van die winkel gaf mij 150 euro, want hij kon mij wel geld geven maar geen boodschappen, want dat kon hij niet verantwoorden. Ik heb zoiets gezegd van dat mijn pin het niet deed. Ik heb die 150 euro nooit meer terugbetaald. Door een verhaaltje te vertellen tegen die eigenaar van de supermarkt heeft hij mij geld gegeven.

14. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 73-77), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [betrokkene 1]."

Het met 14 aangeduide bewijsmiddel houdt het volgende in:

"Op zaterdag, 9 januari 2010, werd ik in de ochtend op het bedrijf gebeld door een man. De man vertelde mij [dat hij] de dupe was geworden van skimmen in Doetinchem en dat [hij] daardoor met zijn bankpasje niet kon pinnen. De man zei dat hij normaliter bij mij in de winkel kwam winkelen.

De man vroeg mij of het mogelijk was dat hij contant geld van mij kon krijgen om te winkelen. Dat geld wilde hij dan weer terugbetalen als zijn bankpas weer werkte. Ik vond zijn vraag reëel en ging daarmee akkoord. (...) Om een stuk zekerheid te geven bood de man aan om zijn rijbewijs achter te laten. Ik vond het allemaal betrouwbaar en ging akkoord met hetgeen de man wilde."

Middel

Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof voor de motivering van de bewezenverklaring onder 3 ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv. Daartoe is aangevoerd dat de bekennende verklaring van de verdachte niet alle onderdelen van het onder 3 bewezenverklaarde betreft.

Het derde middel is gericht tegen de bewezenverklaring onder 3. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het Hof dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels.

Beoordeling Hoge Raad

De verklaring van de verdachte houdt niet in dat hij heeft erkend dat hij een valse naam heeft opgegeven en/of een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Aangenomen moet worden dat ten gevolge van een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring de onderdelen "door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid" zijn opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Door deze verbeterde lezing komt aan het tweede middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering en de bewezenverklaring vastgesteld dat de verdachte leugenachtige mededelingen heeft gedaan aan betrokkene 1. Voor het antwoord op de vraag of uit die mededelingen kan worden afgeleid dat betrokkene 1 door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Zoals in HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279 is overwogen, behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, en de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. In aanmerking genomen dat de door de verdachte aan [betrokkene 1] gedane mededelingen in meer dan één opzicht onjuist waren en dat het tot zekerheid afgeven van zijn rijbewijs een vertrouwenwekkende handeling is, geeft het oordeel van het Hof dat betrokkene 1 door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van 150 euro niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is ook niet onbegrijpelijk. Het derde middel is tevergeefs voorgesteld.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^