Redelijk vermoeden voldoende voor de bevoegdheid van de inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47

Hoge Raad 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1016

Feiten

Op grond van een microfiche zijn belanghebbende en zijn echtgenote geïdentificeerd als rekeninghouders van bankrekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Luxrekeningen) met saldi op 31 januari 1994 van in totaal ƒ 206.635,30. Belanghebbende ontkent rekeninghouder te zijn (geweest). In rechte is onherroepelijk komen vast te staan dat de Inspecteur over de jaren 1990 tot en met 2000 terecht de saldi van die rekeningen en de inkomsten daaruit in de belastingheffing heeft betrokken.

De Inspecteur heeft belanghebbende ook voor de jaren 2002 en 2003 gevraagd om gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen. Omdat belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, zijn aanslagen IB/PVV (alsmede boeten) voor de jaren 2002 en 2003 aan hem opgelegd waarbij geschatte bedragen tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen zijn gerekend.

De aanslag voor het jaar 2002 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur verminderd. De aanslag voor het jaar 2003 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen en de boeten verminderd.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd uitsluitend wat betreft de boetebeschikkingen, het beroep in zoverre gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur inzake de boetebeschikkingen vernietigd en de boetebeschikkingen vernietigd.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van het vermoedelijke houderschap in het jaar 2000 aan belanghebbende mocht vragen gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. Aangezien belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, ondanks de verplichting daartoe ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vindt het bepaalde in artikel 27e AWR toepassing, aldus het Hof. Omdat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de correcties, zoals deze nader door de Inspecteur zijn berekend, te hoog zijn vastgesteld, heeft het Hof het beroep met betrekking tot de belasting ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het vijfde middel komt op tegen het weergegeven oordeel van het Hof.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof is bij zijn oordeel kennelijk ervan uitgegaan dat belanghebbende niet alleen in het jaar 2000, maar ook in de jaren 2002 en 2003 vermoedelijk houder was van de KB‑Luxrekeningen. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat de Inspecteur aan belanghebbende mocht vragen gegevens met betrekking tot die rekeningen te verstrekken met een beroep op het bepaalde in artikel 47 AWR, en dat, aangezien belanghebbende die inlichtingen niet heeft verstrekt, de bewijslast wordt omgekeerd als bedoeld in artikel 27e AWR.

Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd is voor de bevoegdheid van een inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47 AWR in een geval als het onderhavige niet vereist dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de belanghebbende in de desbetreffende jaren nog over de rekening beschikte, maar is een redelijk vermoeden ter zake voldoende.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklacht valsheid in geschrift, conclusie AG anders

Hoge Raad 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1067

Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 24 januari 2012 voor 3: Medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en 4: Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, een geldboete van € 2.250 en een werkstraf van 216 uren.

Mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, onder 3 heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk "een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt".

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat het Hof slechts een gedeelte van het RPS rapport voor het bewijs heeft gebezigd en dat het Hof niet heeft mogen afgaan op mededelingen van werknemers dat golfplaten die na de vrijgave zijn verwijderd asbesthoudend waren, is het tevergeefs voorgesteld. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft het Hof kunnen afleiden dat in het logboek van A in strijd met de waarheid minder asbesturen waren geregistreerd dan in werkelijkheid op 30 juni 2008 waren gewerkt.

Het middel faalt.

Conclusie AG: contrair

De bewijsconstructie van het hof is de AG niet helemaal duidelijk is: uitgangspunt is dat de feitenrechter bewijsmateriaal voor het bewijs bezigt dat hem betrouwbaar voorkomt. Bewijsmiddel 7 is een analyserapport van RPS Analyse B.V., waarin is vermeld dat op 30 juni 2008 om 9:00 is begonnen met de monstername en dat de verantwoordelijke voor de monstername een halfuur daar op de locatie is gebleven. De conclusie van het onderzoek, bestaande uit luchtmeting en visuele inspectie houdt een akkoord in. Machielse neemt aan dat dit akkoord betekent dat het werk wordt vrijgegeven omdat daar geen asbest in onaanvaardbare concentratie meer aanwezig is. Bewijsmiddel 7 is daarom niet redengevend voor het bewezenverklaarde. Het komt de AG voor dat het hof zich had moeten uitspreken over de waarde van bewijsmiddel 7. Als het hof van oordeel was dat het analyserapport van RPS niet de ware toedracht weergeeft en dat daarom geloof moet worden gehecht aan bijvoorbeeld de verklaringen van betrokkene 2 en betrokkene 1, had het voor de hand gelegen als het hof zich nader op de hoogte had gesteld van die toedracht. Een vrijgave is immers niet geoorloofd wanneer er nog asbesthoudend materiaal aanwezig is. Het bewijsmiddel is dus niet redengevend voor het bewijs van het feit dat er na de vrijgave nog wel degelijk asbesthoudend materiaal aanwezig was.

Het aldus ruim geïnterpreteerde middel komt mij gegrond voor.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie. Niet-ontvankelijk verklaring OM in de vervolging. HR herhaalt toepasselijke overweging m.b.t. opportuniteitsbeginsel.

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:947

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 28 september 2011 het tegen verdachte gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 5 november 2007 vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Middel

Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

Het Hof heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - kort gezegd - aangevoerd dat in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde de vervolgingsbeslissing is genomen door een politieparketsecretaris, nu dat betekent dat de vervolgingsbeslissing is genomen door een collega van de aangever in deze zaak en aldus minst genomen de schijn van vooringenomenheid is gewekt. De raadsman heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. (...) 

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 16 augustus 2007 heeft politieparketsecretaris verbalisant in de onderhavige zaak de vervolgingsbeslissing genomen en de dagvaarding opgemaakt.

Het hof is - met de raadsman en de advocaat-generaal - van oordeel dat de politie-parketsecretaris verbalisant (gelet op de artikelen 126 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze moeten worden begrepen in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad) op grond van mandaat bevoegd was namens de officier van justitie in voorkomende gevallen tot strafvervolging te beslissen en dagvaardingen op te maken. Waar het in het onderhavige geval evenwel gaat om een delict dat zou zijn begaan tegen een directe collega van verbalisant tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, is het hof van oordeel dat met de uitoefening van de aan verbalisant gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Onder die omstandigheid is het gebruik van deze bevoegdheid naar 's hofs oordeel in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het verweer van de raadsman slaagt en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte.

Hetgeen verder door de raadsman is aangevoerd, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking."

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter tot het oordeel komt dat sprake is van zo een geval waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen. (Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109.)

In dit geval is namens de Officier van Justitie de vervolgingsbeslissing genomen en is de dagvaarding opgemaakt door de politieparketsecretaris verbalisant. Onweersproken is dat deze daartoe op de voet van art. 126 (oud) RO bevoegd was. Gelet op het tweede lid van die bepaling, dat luidde: "De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie (...) uitgeoefend", geldt hetgeen hiervoor is vooropgesteld evenzeer voor de hier door de politieparketsecretaris krachtens mandaat uitgeoefende bevoegdheid.

Het Hof heeft, ervan uitgaande dat de vervolgingsbeslissing een delict betreft dat is begaan tegen een "directe collega" van de politieparketsecretaris tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet in de vervolging kan worden ontvangen omdat met de uitoefening van de aan de politieparketsecretaris gemandateerde vervolgingsbevoegdheid "in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt" en dat "onder die omstandigheid (...) het gebruik van deze bevoegdheid (...) in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde".

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geeft dat oordeel ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is het ontoereikend gemotiveerd. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds de enkele omstandigheid dat een op deze wijze gewekte schijn van belangenverstrengeling in de weg staat aan de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot vervolging, heeft het de hiervoor weergegeven - tot terughoudendheid nopende - maatstaf miskend. Indien het die maatstaf niet heeft miskend en heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat zich een van die uitzonderlijke gevallen voordoet waarin het instellen van de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, heeft het Hof niet voldaan aan de voor die beslissing geldende zware motiveringseisen.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oplichting, samenweefsel van verdichtsels. Slagende bewijsklacht.

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:952

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 oktober 2011 – nadat de Hoge Raad bij arrest van 22 februari 2011 het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 september 2008 heeft vernietigd ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak in zoverre heeft teruggewezen – verdachte wegens 4) oplichting, veroordeeld. Het Hof heeft verdachte voor dit feit en voor de bij arrest van 22 september 2008 bewezenverklaarde feiten 1 en 3 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof geconstateerd dat de vordering van de benadeelde partij bij arrest van 22 september 2008 tot een bedrag van € 1.878,00 is toegewezen en heeft het Hof aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij in periode van 1 maart 2007 tot en met 20 oktober 2007 te Nijmegen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, betrokkene heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 1000 euro, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid betrokkene heeft verteld dat hij geld nodig had om een operatie van zijn oma, wonende in Angola, te kunnen realiseren/bekostigen, waardoor vernoemde betrokkene werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 10-13), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster betrokkene, zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van diefstal en oplichting in de periode tussen 6 maart 2007 en 16 november 2007 te Nijmegen. In genoemde periode werd ik, doordat verdachte gebruik maakte van een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot afgifte van geld. Ik heb ongeveer een jaar verkering gehad met de verdachte verdachte. Gedurende deze relatie was hij vrijwel dagelijks in mijn woning in Nijmegen. Ik heb de relatie verbroken omdat hij mij op 20 oktober 2007 mishandeld heeft. Toen onze relatie verbroken was heb ik een aantal dingen over hem ontdekt. Ik heb ontdekt dat verdachte mij een heleboel leugens heeft verteld. Hij vertelde mij deze leugens met als doel geld van mij te kunnen lenen. Ik heb ontdekt dat deze vertellingen gelogen zijn, omdat ik afgelopen maanden op bezoek ben geweest bij zijn oom en tante die in Nederland wonen. verdachte had mij namelijk verteld dat zijn ouders al waren gestorven toen hij twee jaar oud was. Hij had mij verteld dat zijn oma, die nog in Angela woont, moest worden geopereerd en dat ze niet verzekerd was. lk moest hem daar geld voor lenen. Ik heb hem € 1.000,= gegeven om zijn oma te laten opereren. Ik hoorde van zijn oom en tante dat er niets aan de hand was geweest met zijn oma en dat ze niet geopereerd is. Ik denk dat verdachte dit geld voor zichzelf gebruikt heeft. Ik heb een lijst gemaakt van alle geldbedragen die zonder mijn toestemming van mijn rekening zijn gepind. Deze lijst laat ik bij u achter.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een handgeschreven overzicht, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (ongenummerd "pagina 13a"):

13-10 23.50 6521GS € 1000

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een bankafschrift ten name van betrokkene, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (ongenummerd "pagina 13d"):

Rekeningafschrift

betrokkene betrokkene

Rentedatum: 13 oktober 2007

Omschrijving/naam: Rabobank Nijmegen Geldautomaat

Bedrag: 1.000,00 AF

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 20-23), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

betrokkene is mijn ex-vriendin. Sinds maart of april 2007 had ik een relatie met haar. Deze relatie is ongeveer anderhalve maand gelegen beëindigd. Dat was dus rond oktober 2007. Tijdens onze relatie was ik vaak bij betrokkene thuis in Nijmegen. U vraagt mij naar de keer dat ik € 1.000,= van betrokkene leende. Dat was zo'n drie of vier maanden geleden. Dat was omdat ik op vakantie wilde. Ik wilde het niet zo tegen betrokkene zeggen dus vertelde ik een bullshit verhaal. Ik zei tegen betrokkene dat mijn oma een operatie moest ondergaan. Mijn oma moest in Afrika geopereerd worden. Oma kon die operatie zelf niet betalen. Ik heb op een gegeven moment tegen betrokkene gezegd dat het verhaal over mijn oma niet waar was. Van die € 1.000,= ben ik op vakantie gegaan naar Portugal. Ik heb deze € 1.000,= nog niet terug betaald.”

Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs voorts het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de Hoge Raad terecht het voorstel van de advocaat-generaal, inhoudende dat de Hoge Raad verdachte zelf vrij kan spreken van de listige kunstgrepen en het arrest van het hof voor het overige in stand kan laten, niet heeft gevolgd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad er vanuit gaat uit dat het samenweefsel van verdichtsels bewezen kan worden omdat uit de bewijsmiddelen zou volgen dat mijn cliënt door leugens het slachtoffer heeft bewogen tot afgifte aan hem van het geldbedrag van € 1000, -. Echter, zowel uit de feitomschrijving in de tenlastelegging als uit de bewijsmiddelen volgt maar één leugen, te weten: oma moet geopereerd worden terwijl oma helemaal niet geopereerd hoefde te worden. Voor een bewezenverklaring van een samenweefsel van verdichtsels zijn meerdere leugens vereist. Nu daarvan geen sprake is en er geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels behoort vrijspraak te volgen.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Verdachte heeft om zijn vriendin geld afhandig te maken in strijd met de waarheid tegen haar gezegd

• dat zijn oma ziek was;

• dat zijn oma geopereerd zou moeten worden;

• dat zijn oma geen geld had voor de operatie;

• dat het door het slachtoffer over te dragen geld gebruikt zou zou worden om de operatie te betalen.

Dit is een samenweefsel van verdichtsels. De mededelingen van de verdachte behelsden meer dan een enkele leugen. Het hof verwerpt het verweer.”

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.

Beoordeling Hoge Raad

De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte betrokkene 'door een samenweefsel van verdichtsels' tot afgifte van geld heeft bewogen, kan niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering worden afgeleid. Het middel slaagt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Onttrekking aan het verkeer bij vrijspraak

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:944

Feiten

Aan de verdachte was tenlastegelegd dat:

"hij, op een of meer tijdstippen in de maand mei 2009, te Vlagtwedde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een paard pijn of letsel heeft veroorzaakt, danwel de gezondheid van het paard heeft benadeeld, door dit paard arbeid te doen verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging en/of het paard telkens nodeloos met een zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken en/of het paard op een plaats te laten staan zonder de mogelijkheid te rusten en er geen zorg voor dragen dat de box waarin het paard verbleef was voorzien van een bodembedekking."

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 18 november 2011 de verdachte vrijgesproken. Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:

"Het hof overweegt ten aanzien van het hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd als volgt.

Er zijn door omwonenden waarnemingen gedaan omtrent slaande bewegingen met een zweep, die verdachte maakte in de richting van het paard. Door de grote afstand vanwaar deze waarnemingen zijn gedaan kan naar het oordeel van het hof niet op basis van deze waarnemingen worden bewezen dat het paard daadwerkelijk met de zweep werd geraakt, laat staan dat bewezen kan worden dat het paard op die momenten nodeloos werd geslagen.

Het hof wordt in dit oordeel gesterkt doordat noch de verbalisanten noch de dierenarts verwondingen op het lichaam van het paard hebben waargenomen die ten gevolge van het slaan met een zweep zouden kunnen zijn ontstaan. Hetgeen hierover is overwogen geldt evenzeer met betrekking tot het tegen het hoofd slaan van het paard en het blinddoeken van het paard.

Wel hebben de verbalisanten en de dierenarts waargenomen dat het paard in een slechte conditie verkeerde. De dierenarts heeft in een diergeneeskundige verklaring d.d. 5 juni 2009 opgetekend dat het paard te mager was, boos en argwanend overkwam en last had van dampigheid, een chronische longziekte bij paarden. Naar het oordeel van het hof volgt echter niet uit de bewijsmiddelen dat deze slechte conditie het rechtstreeks gevolg was van de handelingen die aan verdachte worden verweten. Dit mede gelet op de verklaring die de dierenarts op 5 juli 2011 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

Het voorgaande maakt dat het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd."

Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen bevolen:

  • een rijzweep, itemnummer 6556;
  • een longeerzweep, itemnummer 6558;
  • een longeerzweep, itemnummer 6560.

Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:

"De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan verdachte verdacht werd aangetroffen. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze voorwerpen niet meer in hun normale toestand zijn, maar zodanig zijn aangepast dat het ongecontroleerde bezit ervan de gezondheid van dieren kan bedreigen."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof de onttrekking aan het verkeer heeft bevolen zonder te hebben vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde. Bij gebreke van een bewezenverklaring is de rechter in het kader van het beslissingsschema van art. 350 Sv dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen is bevolen maar de bestreden uitspraak niets inhoudt omtrent de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan het vereiste van art. 36b, eerste lid aanhef onder 3°, Sr.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en gelast de teruggave van de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^