Dagvaardingstermijn

Hoge Raad 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:496

Feiten

De 12e Enkelvoudige Strafkamer bij het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 20 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 590, derde lid, Sv het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst, maar het onderzoek heeft voortgezet nadat verstek tegen de verdachte was verleend.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 588a, eerste lid, Sv wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting te verschijnen toegezonden aan een in die bepaling genoemd adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Daarbij dient, zoals in art. 588a, vierde lid, Sv is bepaald, de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht te worden genomen. Indien aan deze verzendplicht niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter op de voet van art. 590, derde lid, Sv de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij zich een van de in dat artikellid genoemde omstandigheden voordoet.

Uit de stukken van het geding blijkt dat op 15 juni 2011 een afschrift van de oproeping om te verschijnen op de terechtzitting van het Hof van 20 juni 2011 is toegezonden aan het door de verdachte bij zijn eerste verhoor op 11 augustus 2009 opgegeven postadres, dat moet worden aangemerkt als een adres als bedoeld in art. 588a, eerste lid aanhef onder a, Sv. De in art. 413, eerste lid eerste volzin, Sv - ook voor behandeling in hoger beroep door een enkelvoudige kamer van het Hof als bedoeld in art. 411, tweede lid, Sv - voorgeschreven termijn van tien dagen is daarbij evenwel niet in acht genomen.

Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte of dat zich een van de in art. 590, derde lid, Sv genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting de verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 590, derde lid, Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het onderzoek ter terechtzitting echter voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende betekeningsklacht

Hoge Raad 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:495

Feiten

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 december 2010 de verdachte ter zake van feit 2 vrijgesproken en wegens feit 1, opzetheling, veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

Middel

Het middel komt op tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

Beoordeling Hoge Raad

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 16 december 2010 houdt in dat de verdachte niet is verschenen en dat de aanwezige raadsman heeft meegedeeld dat hij de verdachte "heden" voorafgaand aan de zitting telefonisch heeft gesproken, dat de verdachte - die hem vertelde dat hij herstelde van een neusoperatie - toen pas op de hoogte was van de terechtzitting van heden, en dat de verdachte uitdrukkelijk de juistheid betwist van zijn adresgegevens die staan vermeld op het uittreksel van het GBA-register.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Kennelijk heeft het Hof zijn oordeel dat het adres het adres is waarop de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven, gebaseerd op de vermelding van dat adres in de "ID-staat SKDB" van 30 november 2010 welke inhoudt dat de verdachte vanaf 23 januari 2008 in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Breda staat ingeschreven.

Gelet op de inhoud van het "Bewijs van opneming in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens" en in aanmerking genomen dat er geen reden is aan de betrouwbaarheid van dit document te twijfelen, is die vermelding in de ID-staat niet juist. Derhalve rijst het ernstige vermoeden dat het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, op een onjuiste feitelijke grondslag berust.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Het Hof heeft met zijn oordeel miskend dat het Besluit Toepassing Maatregelen in het Belang van het Onderzoek niet op een fotoconfrontatie als de onderhavige ziet

Hoge Raad 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:487

Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het resultaat van de door verbalisant uitgevoerde fotoconfrontatie dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het proces-verbaal verslag van fotoconfrontatie met slachtoffer (betrokkene 2) van 14 juli 2009, de aanvullende processen-verbaal van bevindingen van verbalisant van respectievelijk 12 augustus 2011 en 18 augustus 2011 en de ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2011 afgelegde verklaring van getuige, stelt het hof vast dat de fotoconfrontatie op essentiële onderdelen niet heeft plaatsgevonden conform het bepaalde in het Besluit Toepassing Maatregelen in het Belang van het Onderzoek; zo is feitelijk volstaan met het tonen van slechts één foto, heeft verbalisant, die de confrontatie heeft uitgevoerd, zelf een foto van de verdachte aan de - door de computer gemaakte - selectie toegevoegd en had verbalisant tijdens de confrontatie ook zelf een scherm voor zich staan waarop hij de gepresenteerde foto’s kon zien. Aldus zijn de krachtens de wet gestelde waarborgen ter verkrijging van een doorgaans betrouwbaar onderzoeksresultaat niet in acht genomen, zodat het verkregen resultaat in de onderhavige zaak - de herkenning van verdachte als mededader door betrokkene 2 - niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat deze getuige zeer heftig en stellig reageerde op de - enige - gepresenteerde foto, die de door verbalisant toegevoegde foto van verdachte bleek te zijn brengt hier geen verandering in, evenmin als de omstandigheid dat verbalisant heeft verklaard dat zijn aandacht, conform de instructie, tijdens het daadwerkelijk tonen van de foto’s uitging naar de reactie van betrokkene 2 en niet naar het fotokijkstation dat hij slechts, zoals hij ter terechtzitting van 14 december 2011 toelichtte, vanuit een ooghoek kon zien.

Het hof ziet geen enkele aanleiding rekening te houden met enige vorm van bewuste beïnvloeding van betrokkene 2 door de verbalisant. Gelet op het bovenstaande moet het resultaat van de door hem uitgevoerde fotoconfrontatie evenwel reeds van het bewijs worden uitgesloten, nu de betrouwbaarheid van dit resultaat, gelet op de wijze waarop het is verkregen, als onvoldoende moet worden aangemerkt."

Betoogd wordt dat het Hof heeft getoetst aan Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek, maar dat dit Besluit hier niet van toepassing is.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de uitgevoerde fotoconfrontatie niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt nu "krachtens de wet gestelde waarborgen ter verkrijging van een doorgaans betrouwbaar onderzoeksresultaat" niet in acht zijn genomen. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het Besluit op essentiële onderdelen niet is nageleefd. Met zijn oordeel heeft het Hof evenwel miskend dat het Besluit niet op een fotoconfrontatie als de onderhavige ziet (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK6146, NJ 2010/105). Daarover klaagt het middel terecht.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Boetezaak: rechter moet belanghebbende ambtshalve de gelegenheid geven om te worden gehoord als het vereiste van een behoorlijk proces daartoe aanleiding geeft

Hoge Raad 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:200

Feiten

Aan belanghebbende is bij één aanslagbiljet een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd alsmede een bestuurlijke boete. Het door belanghebbende hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juli 2012 het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard zonder belanghebbende te hebben gehoord.

Belanghebbende heeft niet verzocht om te worden gehoord omtrent het tegen deze uitspraak gerichte verzet. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard zonder belanghebbende op diens verzet te hebben gehoord.

Klachten

De klachten houden onder meer in dat de Rechtbank niet tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende gedane verzet had mogen overgaan zonder hem in de gelegenheid te hebben gesteld daarover te worden gehoord.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien uit het beroepschrift en de overige stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende geen beroep tegen de boete heeft willen instellen, moet het, gelet op het bepaalde in artikel 26b, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ervoor worden gehouden dat het beroep zich mede uitstrekte tot de boete en dat ook de uitspraak op verzet mede betrekking heeft op de boete.

In een geschil over een bestuurlijke boete is de rechter niet in alle gevallen gehouden de belanghebbende ambtshalve in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord naar aanleiding van diens verzet, maar slechts in die gevallen waarin het vereiste van een behoorlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM daartoe aanleiding geeft (zie HR 23 september 2011, nr. 10/04259, ECLI:NL:HR:2011:BT2295, BNB 2012/114). Wordt de belanghebbende in een zodanig geval gehoord op diens verzet tegen één uitspraak die zowel betrekking heeft op een aanslag als op een boete, dan kan bij dat horen (de ontvankelijkheid van) zijn beroep met betrekking tot zowel de aanslag als de boete aan de orde komen.

Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt niet dat zij heeft onderkend dat een boete in geding was, zodat reeds hierom niet kan worden aangenomen dat de Rechtbank de hiervoor omschreven beoordeling heeft gemaakt bij haar kennelijke beslissing om belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen om over het verzet te worden gehoord. Evenmin heeft de Rechtbank in de bestreden uitspraak vastgesteld dat belanghebbende uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om over het verzet te worden gehoord. De kennelijke beslissing van de Rechtbank om belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen om over het verzet te worden gehoord berust derhalve ofwel op een onjuiste rechtsopvatting ofwel behoefde nadere motivering, die ontbreekt.

Gelet op het hiervoor overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geldt dat ook voor zover die uitspraak betrekking heeft op de aanslag. De overige klachten behoeven geen behandeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen door het verwerven & voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit een door verdachte zelf begaan misdrijf

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:121

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 15 april 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens:

2) een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en ten aanzien van een ander enige handeling ondernemen waarvan hij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is,

3) primair een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich onder de eerder genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen en een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen

4) mensenhandel

5) van het plegen van witwassen een gewoonte maken,

6) mishandeling

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 5 bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16).

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, LJN BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Hetgeen hiervoor is vooropgesteld met betrekking tot witwassen door het "voorhanden hebben" van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, geldt ook indien het "verwerven" van een dergelijk voorwerp is bewezenverklaard. Ook dan dient de eis te worden gesteld dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (vgl. HR 18 juni 2013, LJN CA3302).

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven en heeft het Hof geoordeeld dat zulks (gewoonte)witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^