HR: Het Hof heeft met zijn oordeel miskend dat het Besluit Toepassing Maatregelen in het Belang van het Onderzoek niet op een fotoconfrontatie als de onderhavige ziet

Hoge Raad 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:487

Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het resultaat van de door verbalisant uitgevoerde fotoconfrontatie dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het proces-verbaal verslag van fotoconfrontatie met slachtoffer (betrokkene 2) van 14 juli 2009, de aanvullende processen-verbaal van bevindingen van verbalisant van respectievelijk 12 augustus 2011 en 18 augustus 2011 en de ter terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2011 afgelegde verklaring van getuige, stelt het hof vast dat de fotoconfrontatie op essentiële onderdelen niet heeft plaatsgevonden conform het bepaalde in het Besluit Toepassing Maatregelen in het Belang van het Onderzoek; zo is feitelijk volstaan met het tonen van slechts één foto, heeft verbalisant, die de confrontatie heeft uitgevoerd, zelf een foto van de verdachte aan de - door de computer gemaakte - selectie toegevoegd en had verbalisant tijdens de confrontatie ook zelf een scherm voor zich staan waarop hij de gepresenteerde foto’s kon zien. Aldus zijn de krachtens de wet gestelde waarborgen ter verkrijging van een doorgaans betrouwbaar onderzoeksresultaat niet in acht genomen, zodat het verkregen resultaat in de onderhavige zaak - de herkenning van verdachte als mededader door betrokkene 2 - niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat deze getuige zeer heftig en stellig reageerde op de - enige - gepresenteerde foto, die de door verbalisant toegevoegde foto van verdachte bleek te zijn brengt hier geen verandering in, evenmin als de omstandigheid dat verbalisant heeft verklaard dat zijn aandacht, conform de instructie, tijdens het daadwerkelijk tonen van de foto’s uitging naar de reactie van betrokkene 2 en niet naar het fotokijkstation dat hij slechts, zoals hij ter terechtzitting van 14 december 2011 toelichtte, vanuit een ooghoek kon zien.

Het hof ziet geen enkele aanleiding rekening te houden met enige vorm van bewuste beïnvloeding van betrokkene 2 door de verbalisant. Gelet op het bovenstaande moet het resultaat van de door hem uitgevoerde fotoconfrontatie evenwel reeds van het bewijs worden uitgesloten, nu de betrouwbaarheid van dit resultaat, gelet op de wijze waarop het is verkregen, als onvoldoende moet worden aangemerkt."

Betoogd wordt dat het Hof heeft getoetst aan Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek, maar dat dit Besluit hier niet van toepassing is.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de uitgevoerde fotoconfrontatie niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt nu "krachtens de wet gestelde waarborgen ter verkrijging van een doorgaans betrouwbaar onderzoeksresultaat" niet in acht zijn genomen. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het Besluit op essentiële onderdelen niet is nageleefd. Met zijn oordeel heeft het Hof evenwel miskend dat het Besluit niet op een fotoconfrontatie als de onderhavige ziet (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK6146, NJ 2010/105). Daarover klaagt het middel terecht.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Boetezaak: rechter moet belanghebbende ambtshalve de gelegenheid geven om te worden gehoord als het vereiste van een behoorlijk proces daartoe aanleiding geeft

Hoge Raad 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:200

Feiten

Aan belanghebbende is bij één aanslagbiljet een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd alsmede een bestuurlijke boete. Het door belanghebbende hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juli 2012 het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard zonder belanghebbende te hebben gehoord.

Belanghebbende heeft niet verzocht om te worden gehoord omtrent het tegen deze uitspraak gerichte verzet. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard zonder belanghebbende op diens verzet te hebben gehoord.

Klachten

De klachten houden onder meer in dat de Rechtbank niet tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende gedane verzet had mogen overgaan zonder hem in de gelegenheid te hebben gesteld daarover te worden gehoord.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien uit het beroepschrift en de overige stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende geen beroep tegen de boete heeft willen instellen, moet het, gelet op het bepaalde in artikel 26b, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ervoor worden gehouden dat het beroep zich mede uitstrekte tot de boete en dat ook de uitspraak op verzet mede betrekking heeft op de boete.

In een geschil over een bestuurlijke boete is de rechter niet in alle gevallen gehouden de belanghebbende ambtshalve in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord naar aanleiding van diens verzet, maar slechts in die gevallen waarin het vereiste van een behoorlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM daartoe aanleiding geeft (zie HR 23 september 2011, nr. 10/04259, ECLI:NL:HR:2011:BT2295, BNB 2012/114). Wordt de belanghebbende in een zodanig geval gehoord op diens verzet tegen één uitspraak die zowel betrekking heeft op een aanslag als op een boete, dan kan bij dat horen (de ontvankelijkheid van) zijn beroep met betrekking tot zowel de aanslag als de boete aan de orde komen.

Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt niet dat zij heeft onderkend dat een boete in geding was, zodat reeds hierom niet kan worden aangenomen dat de Rechtbank de hiervoor omschreven beoordeling heeft gemaakt bij haar kennelijke beslissing om belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen om over het verzet te worden gehoord. Evenmin heeft de Rechtbank in de bestreden uitspraak vastgesteld dat belanghebbende uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om over het verzet te worden gehoord. De kennelijke beslissing van de Rechtbank om belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen om over het verzet te worden gehoord berust derhalve ofwel op een onjuiste rechtsopvatting ofwel behoefde nadere motivering, die ontbreekt.

Gelet op het hiervoor overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geldt dat ook voor zover die uitspraak betrekking heeft op de aanslag. De overige klachten behoeven geen behandeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen door het verwerven & voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit een door verdachte zelf begaan misdrijf

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:121

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 15 april 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens:

2) een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en ten aanzien van een ander enige handeling ondernemen waarvan hij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is,

3) primair een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich onder de eerder genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen en een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen

4) mensenhandel

5) van het plegen van witwassen een gewoonte maken,

6) mishandeling

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 5 bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16).

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, LJN BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Hetgeen hiervoor is vooropgesteld met betrekking tot witwassen door het "voorhanden hebben" van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, geldt ook indien het "verwerven" van een dergelijk voorwerp is bewezenverklaard. Ook dan dient de eis te worden gesteld dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (vgl. HR 18 juni 2013, LJN CA3302).

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven en heeft het Hof geoordeeld dat zulks (gewoonte)witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vordering benadeelde partij & Rechtstreekse schade

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:118

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 28 november 2011 wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

"De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat daarop een besluit kan worden genomen. Voorts bevreemdt het de raadsman waarom er meer wordt gevorderd dan het eigen risico van € 1.500,00. Daarnaast heeft de benadeelde partij het Openbaar Ministerie verzocht tot teruggave van de sigaretten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1720,00. Ambtshalve merkt het hof op dat de omstandigheid dat de schade niet door het Openbaar Ministerie is beperkt, de schadeplichtigheid van verdachte jegens de benadeelde niet raakt omdat het Openbaar Ministerie buiten die rechtsverhouding staat. Bovendien heeft verdachte geen afstand gedaan van de gestolen goederen."

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gevorderde schade als rechtstreekse schade is aan te merken onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Op grond van art. 51a, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (vgl. HR 11 april 2006, LJN AV4007, NJ 2006/263 en HR 22 april 2008, LJN BB7077, NJ 2008/468).

Het Hof heeft geoordeeld dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd is aan te merken als rechtstreekse schade die zij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft geleden. De stukken in aanmerking genomen, is dit oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk, terwijl het, mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte omtrent de vordering van de benadeelde partij is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep & verzuim in volmacht

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:131

Essentie

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar de gronden vermeld in de conclusie van de A-G, kort gezegd inhoudende dat het Hof, hoewel dit gelet op de omstandigheden aangewezen was, verzuimd heeft uitdrukkelijk aan de gemachtigde raadsman te vragen of het instellen van het h.b. overeenkomstig de wens van verdachte is, zodat het Hof niet tot niet-ontvankelijk had mogen besluiten.

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 maart 2012 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

“De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [woonplaats],

is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman merkt desgevraagd op – zakelijk weergegeven -:

Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting. Hij is vandaag niet aanwezig, omdat hij sinds kort als oproepkracht in de thuiszorg werkt en hij voor vandaag is opgeroepen.

De voorzitter deelt mede dat zij eerst de vraag aan de orde wil stellen of de brief van de raadsman van 28 juni 2011 voldoet aan de eisen die in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een schriftelijke bijzondere volmacht worden gesteld.

De raadsman merkt op – zakelijk weergegeven -:

Het is een spijtig moment. Ik refereer me aan het oordeel van het hof.

De advocaat-generaal merkt op – zakelijk weergegeven-:

Mijns inziens is niet voldaan aan de eisen die worden gesteld in art. 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. In de brief is niet vermeld dat de raadsman door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd, noch dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Evenmin is in de brief het adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding vermeld. Ik vorder dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.”

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De brief van de raadsman van 28 juni 2011 voldoet niet aan de eisen die in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een schriftelijke bijzondere volmacht worden gesteld. De verdachte dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.”

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt, op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 tot en met 4.9, dat het middel terecht is voorgesteld:

Ingevolge art. 450 Sv dient een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen het volgende in te houden:

  1. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep (lid 1);
  2. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (lid 3);
  3. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (lid 3).

Bij de stukken van het geding bevindt zich de brief van 28 juni 2011 die de raadsman van verdachte aan de griffie van de Rechtbank Utrecht heeft gestuurd. Deze brief houdt het volgende in:

“Geachte heer/mevrouw,

Langs deze wens ik, mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende te Amsterdam aan de Roelof Hartstraat 31 (Plasman Advocaten c.s.), hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 28 juni 2011 van de politierechter in de rechtbank Utrecht.

Het betreft verdachte:

[verdachte]

geboren op[geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]

thans uit andere hoofde gedetineerd in Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam

parketnummer: 16-121051-10

Ten slotte zou ik u willen verzoeken of u mij de akte rechtsmiddel zou willen doen toekomen.”

Door het Hof wordt overwogen dat de brief van 28 juni 2011 niet voldoet aan de vereisten gesteld in het derde lid van art. 450 Sv. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud, voldoet de brief echter evenmin aan de in het eerste lid gestelde eis dat de volmacht moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het beroep. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting ging de advocaat-generaal ervan uit dat dit vereiste eveneens in het derde lid van art. 450 Sv wordt genoemd. Wellicht is het Hof de advocaat-generaal in deze – onjuiste – aanname gevolgd.

Voor zover de volmacht niet aan de in het derde lid van art. 450 Sv genoemde eisen voldoet, geldt het volgende. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor zover in de schriftelijke volmacht niet voldaan is aan voornoemde eisen, er onvoldoende grond is voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel indien ter terechtzitting een gemachtigd raadsman van verdachte is verschenen. Nu daarvan in de onderhavige zaak sprake is, bestaat er onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen aan de in art. 450 lid 3 Sv gestelde eisen.

Voor zover het Hof tevens tot uitdrukking heeft willen brengen dat in de brief van 28 juni 2011 de mededeling ontbreekt dat de raadsman tot het instellen van het hoger beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, geldt het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2012 (LJN BV6999, NJ 2012/426 m. nt. F.W. Bleichrodt) overwogen dat er onvoldoende grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens voornoemd verzuim in de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens verdachte hoger beroep in te stellen, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. Het verzuim in de volmacht wordt in een dergelijk geval voor gedekt gehouden.

Anders dan in de zaken waarin de Hoge Raad tot op heden oordeelde dat het ontbreken in de volmacht van de vermelding dat de raadsman tot het instellen van het beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, was gedekt door de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de raadsman en/of verdachte, is in de onderhavige zaak ter terechtzitting niet expliciet aangevoerd dat aan de onvolkomen volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen. De raadsman heeft wel ter terechtzitting verklaard dat hij door verdachte uitdrukkelijk gemachtigd was om de verdediging te voeren, dat verdachte op de hoogte was van de zitting, maar dat hij verhinderd was om aldaar aanwezig te zijn. In reactie op de mededeling van de voorzitter dat de brief van de raadsman niet voldoet aan de eisen die in art. 450 lid 3 Sv worden gesteld, merkt de raadsman op dat het een spijtig moment is. Gelet daarop is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het Hof diende het gebrek in de volmacht immers voor gedekt te houden indien de gemachtigde raadsman “zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd” verklaart dat het instellen van het beroep overeenkomstig de wens van de verdachte is. Nu die uitdrukkelijke bevraging – die gezien de reactie van de raadsman zeker “nodig” was – achterwege is gebleven, had het Hof niet tot de niet-ontvankelijkverklaring mogen besluiten.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^